Het gebed
De verhoring van het gebed 4
Die dankzegging uit zich op velerlei wijze. Soms is er middenin het bidden en smeken een spontaan: o Heere, heb dank! Omdat een straal van Zijn onbedrieglijk licht onze duisternis doorboorde. Dan weer concentreert zich de dankzegging rondom bepaalde, als gezin, als familie, als vereniging, als volk, ervaren bewijzen van Gods goedheid en trouw.
De dankzegging
Eindigen met dankzegging. Dat zijn we zó gewoon. Aan het einde van de kerkdienst en van allerlei samenkomsten, die met gebed geopend en gesloten worden. We bidden vóór de maaltijd en danken daarna.
Het lijkt ons min of meer vanzelfsprekend dat de dankzegging achteraan komt. Eerst vragen we ergens om. Dan, na korter of langer tijd van uitzien en inwachten, komt de verhoring. Anders misschien, maar niet minder weldadig dan we ons hadden voorgesteld. En dan zeggen we voor het ontvangene dank.
Zo zal het vaak zijn in het geloofsleven, in verband met ziekte, nood en zorg. Ook in verband met de nood van onze grote schuld en onze beschamende onbekwaamheid om het goede te doen, zelfs al is het willen wel bij ons (Rom. 7). Er zijn ook psalmen met deze volgorde (b.v. Ps. 130). Ze herinneren aan de drieslag uit onze Heidelberger: ellende, verlossing en dan dankbaarheid.
Vaak ben ik een soort wantrouwen tegengekomen ten aanzien van predikanten, die b.v. in het kanselgebed vóór de prediking begonnen met een al te overvloedige dankzegging, zodat het dadelijk was: o God, wij danken U ... Achter dat wantrouwen zat dan menigmaal de vrees voor de snel opschietende loze aar, die wel hoog oprijst, maar waaraan de rijpe tarwekorrel ontbreekt, omdaf er geen diepte van aarde is.
In de Schrift
Toch moeten we opmerken, " dat b.v. de apostel Paulus in zijn brieven, zelfs in die, waarin hij tal van terechtwijzingen en vermaningen uitdeelt, in de regel begint met dankzegging (Rom. 1: 8; 1 Cor. 1: 4; Efeze 1: 6; Col. 1: 3; 1 Thess. 1: 2, 2 Thess. 1: 3; 2 Tim. 1 : 3). Is dat bij Paulus niet een blijk van het hoge niveau van geloofsleven, waarop hij pleegt te handelen, te spreken en te schrijven, wanneer hij op deze toonhoogte mag inzetten? En is het feit, dat er bij ons zoveel meer smeekbeden zijn dan dankzeggingen, en dat die bovendien menigmaal zo ver van elkander afliggen niet een gevolg van de doorgaans lage waterstand in de bedding van ons geloof? In de Schrift lijken smeekbede en dankzegging vaak dichter bij elkaar te staan, dan bij ons het geval is.
In de brief aan de Filippenzen, vermaant Paulus in geen ding bezorgd te zijn, maar onze begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend te laten worden bij God (Fil. 4: 6). En in 1 Tim. 2: 1 noemt de apostel de smekingen, gebeden en voorbiddingen voor koningen en allen, die in hoogheid zijn, in een adem met de dankzeggingen.
Als de Heere Jezus bij het graf van Lazarus staat, dan bidt Hij: 'Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt'. Dat is bidden en danken in één. Zo bidt Hij als de overste Leidsman en Voleinder des geloofs.
Want, naarmate wij bidden door het geloof, komen bidden en danken dichter bij elkaar te liggen.
'Met hartelijke zuchten',,
Ik las van een vrouw, die lange tijd bad om verlossing uit een bepaalde geestelijke nood. Heel lang scheen echter haar roepen tevergeefs. Althans er kwam geen verandering. Totdat iemand haar vermaande van haar nood af en op Christus te zien, in wien God de belofte der verhoring gegeven had. Toen ging er een venster voor haar open. Daarvoor dankte zij God. En de nood week.
Onze Catechismus verbindt het gebed van ons christenen met het hoofdstuk der dankbaarheid, dus na de hoofdstukken der ellende en der verlossing. Maar met dien verstande, dat in één adem met deze plaatsbepaling van het gebed, in de inleidende 116de vraag van zondag 45 gezegd wordt, 'dat God Zijn genade en den Heiligen Geest alleen aan diegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom bidden en daarvoor danken. Zo nauw zijn bidden en danken eigenlijk aan elkaar verbonden.
Is het ook niet zo, dat naarmate de nood van ons hart groter is, wij beseffen, dat het een wonder is, dat wij bidden mogen; dat er een toegang is tot God en tot de troon van Zijn genade? Onze nood is ten diepste altijd weer zondenood. En in het bewustzijn daarvan is het een wonder, dat we nog zijn, die we zijn; dat God ons niet doet naar onze zonden en ons niet vergeldt naar onze «ongerechtigheden. Juist bij diepe kennis van onze ellende komt het pure feit van ons bestaan, met het brood, dat wij eten en de plaats, waar wij ons hoofd nederleggen, te staan in het licht van Gods lankmoedigheid en wordt er een stamelende dankzegging geboren voor alles, wat Hij ons, ondanks onze schuld en onwaardigheid, schenken wil. Onze dankzegging is die van een beweldadigde. Maar niet minder die van een verootmoedigde.
Verleden en toekomst
Het geloof mag daarbij niet alleen zien op dat, wat God in het verleden en in het heden schonk, maar ook op datgene, waartoe Hij zich in Zijn beloften voor de toekomst heeft verbonden.
Tot Jozua, die na Mozes' dood, staat voor de nieuwe taak Israël in Kanaan te brengen, zegt God: alle plaats, waarop ulieder voetzool treden zal, heb Ik u gegeven' (Jozua 1:3).
Nog in het ingewand van de vis bidt Jona (Jona 2). Dat bidden is een roepen uit de benauwdheid (vs. 2). Dit gebed komt tot God in de tempel Zijner heiligheid (vs. 7). Maar dan eindigt Jona met de verzekering: ik zal U offeren met de stem der dankzegging, wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN (vs. 9). Dan is Jona nog in de diepte.
Het geloof ziet niet alleen op het voorhandene, maar ook op dat, wat God naar Zijn trouw en goedheid schenken wil. Zo groeien in het geloof bidden en danken naar elkaar toe. In een benarde situatie in ons gewone leven kunnen we al zo dankbaar zijn, als we iemand kunnen bereiken. Hoeveel te meer wanneer wij een toegang open mogen zien tot de troon der genade.
In moeilijke tijden
Die dankzegging heeft niet alleen betrekking op datgene, wat wij gemaklijk als weldaden opmerken en erkennen. Zij kan ook betrekking hebben op moeilijke dingen in ons leven. We zijn tot dusver te eenzijdig uitgegaan van het thema: nood, uitkomst, dankbaarheid. Maar er kan ook dankzegging geboren worden in het hart van een beproefde.
De apostel roept ons toe: Dankt God in alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus over u (1 Thess. 5: 18).
God kan ons ook langs een donkere weg van tegenspoed leiden, opdat Hij ons vorme naar Zijn beeld. 'Alle kastijding is, als zij tegenwoordig is, geen oorzaak van vreugde, maar van droefenis. Doch daarna geeft zij een vreedzame vrucht der gerechtigheid aan degenen, die erdoor geoefend worden.'
Terugziende op bepaalde perioden in ons leven zeggen we dan: dat was geen makkelijke tijd; en ik heb het er wel eens erg moeilijk mee gehad. Maar achteraf kan ik ervoor danken.
Jesaja legt het volk Israël de betuiging in de mond: 'ik dank U, HEERE, dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd en Gij troost mij' (Jesaja 12: 1).
Van verre gaan we dan iets verstaan van Jobs bekende eerste reactie op de zondvloed van ellende, die zijn leven overstroomde en alles, wat de vreugde van zijn leven uitmaakte, meesleurde: 'de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de Naam des Heeren zij geloofd.' Dan komt het zwaartepunt van onze dankzegging niet in ons warm gekoesterde leven te liggen, maar in Hem, die boven de lichte en de donkere dagen van ons leven staat.
Op velerlei wijze
Soms worden we meegenomen in de gemeenschappelijke dankzegging der gemeente. Er is iets bijzonder weldadigs in dat samen dankzeggen. De trillingen op eenzelfde golflengte versterken elkaar. En het simpele woord der dankzegging zwelt aan tot een krachtig lied. De dankzegging verheft zich dan tot een loflied. De offers, die in de tabernakel- en tempeldienst een scherp schaduwbeeld gaven van de enige offerande van de Heere Jezus Christus aan het kruis volbracht, zijn verdwenen. De schaduw maakte nu plaats voor de werkelijkheid. Maar het dankoffer blijft, al is het in andere vormen. En het danklied der Levieten, die speciaal tot deze dienst in de tempel geroepen waren (Nehemia 11: 17, 12: 8, 27 en 40) wordt voortgezet door het grote priesterkoor aller gelovigen.
Want het Woord des Heeren blijft: 'offert Gode dank'; en: 'wie dankoffert, die zal Mij eren' (psalm 50: 14, 23).
Tot Hem zijn alle dingen
Dan blijft de dankzegging toch achteraan komen. Want het enige offer, dat de zondaar overblijft, is dankbaarheid. In de eerste christen-gemeente leerde men zeggen 'amen' op elkanders dankzegging (1 Cor. 14: 16). Wij behoeven het levenspatroon van die eerste christenen niet over te nemen. We kunnen dat ook niet. Maar we mogen wel jaloers zijn op de levendigheid waarmee beleefd werd, dat 'uit Hem, door Hem en tot Hem alle dingen zijn'.
De geschiedenis van de tien melaatsen, die door Jezus genezen werden, terwijl slechts één van hen terugkeerde om God de eer te geven, staat tot onze waarschuwing geschreven (Luc. 17: 11—19). Tenslotte worden dan de ontvangen gaven geen zegen, maar een oordeel. Ze getuigen dan tegen ons in Gods gericht.
Hoe menigmaal prijzen we na genezing te hebben gevonden uitvoerig de arts en de goede kwaliteiten van de geneesmiddelen. Maar de warme dank aan het adres van Hem, bij wien de Fontein des levens is, die de middelen schonk en zegende, ontbreekt maar al te vaak. Moeten we daarin ook ons zelf niet al te zeer beschuldigen!
Die God, die ons de adem, het leven en alle dingen schenkt, wil niet, dat wij Zijn eer aan een ander geven en het schepsel danken boven de Schepper, die bovendien Zijn gaven voor ons betaalde met het offer Zijns Zoons Jezus Christus. Voor Hem was de vloek, opdat wij gezegend zouden worden! Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave (2 Cor. 9: 15).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's