Adrianus Hasius en zijn Geestelyck Alarm (slot)
Minder bekende oude schrijvers
Goddelozen hebben geen vrede. In het leven niet, vanwege hun consciëntie (daarover, schreven wij al), maar in de dood nog minder. Hasius sluit de mogelijkheid niet uit dat tijdens het leven van de goddelozen hun geweten min of meer zwijgt; zelfs houdt hij er rekening mee, dat het weleens toegeschroeid kan wezen; doch niet zodra komt de dood of dat verandert.
Een extreme benauwdheid
Eerst geeft de schrijver een hele uiteenzetting over de dood. Hoe kort is het leven en hoe ongewis is het. De dood komt vaak plotseling, onverwacht. Wij weten niet waar hij ons vinden zal, het kan overal zijn; wij weten ook niet wannéér hij ons vinden zal, het kan al heel spoedig zijn; wij weten ook niet hóe ons sterven wezen zal, het kan op allerlei manieren. Er is geen mens die tegen de dood opgewassen is, wij zullen allen voor hem moeten zwichten. Het is waar, de mensen weten allen dit wel; evenwel, zij weten het blijkbaar toch niet voldoende, zij rekenen er zo weinig mee. Weinigen zijn er die hun sterfelijkheid in de vreze Gods overdenken. Bedacht men meer de dood, men zou minder zondigen. De dagen van anderen weten wij te tellen, maar niet die van onszelf. Als twee schepen op zee elkaar tegenkomen, lijkt het andere schip te varen, en lijkt het onze stil te liggen, doch het is gezichtsbedrog. Zo zien wij wel het leven van anderen vorderen, maar dat wij ook zelf snel naar het einde gaan zien wij niet.
Voor goddelozen is sterven zeer triest. Zij worden daardoor beroofd van alles wat zij hebben; zij raken alles kwijt. Zij gelijken, zegt Hasius, op een trots koopvaardijschip; wanneer het volgeladen en met bolle zeilen zich een weg baant over de zee is het een lust voor de ogen, maar niet zodra komt het aan land of de zeilen worden gestreken, het wordt gelost, en wat blijft er in het ruim van het schip, als het geheel leeg is, anders over dan een hoop vuil? Goddelozen moeten bedenken dat de dood bij hen eens zal aankloppen als een executeur, de uitvoerder van de toorn Gods, de boodschapper van de eeuwige dood. Het gevolg zal zijn 'een extreme benautheyt'. Uw geweten zal ontwaken en hemel en aarde zullen u dan te klein zijn.
En toch, dit zal nog maar een begin zijn van uw ellende. Duivelen wachten u op, eeuwig zult ge in hun gezelschap moeten verkeren. De haren rijzen ons ten berge als wij eraan denken. Maar het ergste in de hel zal zijn het missen van God. En het is een leed dat eeuwig zal duren. Met dit alles voor ogen heeft Hasius waarlijk wel reden gehad een geestelijk alarm te slaan.
De botte jeugd
Hasius had een extra woord voor de jeugd. Dat woord komt voor in het tweede deel van zijn boek waar hij behandelt Jes. 55: 6 'Zoekt den Heere, terwijl Hij te vinden is'.
Reeds in de frisse jeugd, zegt hij, zal men God moeten zoeken. Velen hebben de neiging dit zoeken van God uit te stellen tot later, tot men oud geworden is. Maar de oude dag is waarlijk niet de beste tijd daarvoor. Hoogst onverstandig is het het zwakste paard de zwaarste last op te leggen. Bekeer u niet pas als ge al grijze haren begint te krijgen, als uw leven al begint te neigen naar het graf. Grijze haren noemt Hasius heel treffend 'rechte Kerk-hofs bloemen'. Geef God niet uw oude, versufte zinnen, uw versleten lichaam. Ik weet het, de moordenaar aan het kruis kreeg nog op het laatst van zijn leven vergeving van zonden en het eeuwige leven, maar weet wel dat van zulk een geval in de Schrift maar één voorbeeld is te vinden. God vraagt de morgenstond van het leven. Bomen die in het voorjaar goed gebloeid hebben dragen in de herfst gewoonlijk veel vrucht.
Helaas, velen luisteren hier niet naar. Hasius meent reden tot klagen te hebben. De jeugd is vaak bot, leeft ongeregeld, dartel, wulps, brooddronken; velen van hen beminnen de kroegen, het dansen, de onkuisheid. 'O, domme, botte jeugt, hoe heeft u de Duyvel alsoo betoovert? Hoe laat gy u so jammerlijk van den Satan vervoeren na de hel? Ge rekent op een lang leven, maar wie kan het u garanderen? Wie heeft u verzekerd dat ge oud zult worden? Weet dat er van de bomen meer bloesem valt dan rijpe vruchten. Zoek toch de Heere, nu kan het nog!
De vindenstijd
Er is een tijd van zoeken, er is ook een tijd van vinden. De tijd der genade moet waargenomen worden. Een schipper die voor anker ligt neemt zijn tijd waar om uit te varen; een eigenaar van vruchtbomen die graag een goed gewas wil hebben moet al vroeg in het voorjaar zijn maatregelen nemen: snoeien, planten, enten en mesten; een boer die goed wil oogsten moet eerst ploegen, zaaien, kortom zijn land bewerken. En zelfs aan de dieren is een voorbeeld te nemen, zij nemen hun tijd waar. Hoe ijverig zijn immers de mieren, in de zomer bereiden zij zich spijs voor de winter; en 'de bykens ook, als het schoon weder is, trekken (zij) by menigte uyt hare korven, en vliegen van hof tot hof, om haren zoeten honig uyt de bloemkens te halen'; en dan volgt de toepassing: 'Voorwaar, Christelijke Leser, zo gy uwen tyd niet waar en neemt, om den Heere te soeken terwijl Hij te vinden is, gy suit erger wesen als de beesten'.
Op het zoeken van de Heere volgt een vinden van de Heere. Hasius zelf werpt de vraag op waar de Heere gevonden wordt. Zijn antwoord is: In Zijn gemeente, daar waar het volk Gods bijeen is. Hij noemt dan vervolgens het Woord en inzonderheid de prediking van het Woord. De kamerling heeft onder de prediking van Filippus, en Lydia onder de prediking van Paulus de Heere gevonden. En dan zijn er ook nog de sacramenten: de doop, maar vooral het avondmaal; ook daar laat de Heere zich vinden. Tenslotte is er ook nog te noemen het gebed. Het gebed, zegt Hasius, 'stelt ons gelijk als in het geselschap, en brengt ons voor den Throon sijner genade, om barmhertigheyt te verkrijgen ter bequamer tijd', en wat verderop: 'Als uw gebeden opwaarts klimmen na (= naar) den Hemel, zo sal ook de genade Gods nederwaarts klimmen tot u'.
Schoner dan een morgen in mei
Al heeft Hasius in zijn boek vooral de alarmklok laten horen, hij wou immers een geestelijk alarm slaan, toch ontbreken andere, zachtere, troostvolle klanken niet.
Na het onverwachte, plotselinge van de dood te hebben geschetst, van die dood die ook voor hem zelf zo plotseling gekomen is, en na breed uiteengezet te hebben hoe vreselijk de dood is voor de goddelozen, keert hij zich tot de vromen om ze te troosten. Hij houdt het ervoor, dat hun leven niet gemakkelijk is, maar een ware smeltkroes, aangezien zij echter goud zijn of zilver zijn zullen zij er goed doorheen komen.
Kruis en lijden vergelijkt Hasius bij de vurige wagens en paarden waarmee Elia ten hemel is gevaren; zij brengen de harten en gedachten der gelovigen naar de dingen die boven zijn. Door middel van allerlei levensleed trekt God de Zijnen onweerstaanbaar naar de Hemel. Zij Ieren daardoor gewillig naar de dood te verlangen. 'Nu dan, Christelijke Leser, dewijle dit aartsche leven soo vol ellenden en zwarigheyt is, zult gy dan noch schroomen voor het sterven, als gy weet, dat gy door de doot terstont komt te verhuysen uyt dit tranen-dal daar boven in de Hemel, daar noch droefheyt, noch geschrey, noch siekte, noch krankheyt, noch kruys, noch vervolginge meer wesen en sal, maar anders niet dan Vreugde sonder verdriet, Blijdschap sonder treuren, Licht sonder duysternisse, Leven sonder doot, Eeuwige geluksaligheyt, Onsterffelijke heerlijkheyt?' Wat verderop: 'Overdenk hoe schoon de hemel is dien Hemel daar God den stoel sijner glorie heeft; daar de heylige uytverkoren Engelen zijn, ja daar Christus is sittende aan de rechterhand sijns Vaders. Voorwaar dit moet dan ook wel een heerlijke plaatse zijn'.
Hasius trekt nu een vergelijking van de hemel met het aardse paradijs. 'Schoon was eertijds het aartsche paradijs, daar Adam en Eva, in den staat der oprechtigheyt logeerden ... Maar, O! desen Hemelschen Lust-hof is noch veel schoonder, ja hare heerlijkheyt is soo groot, dat het met geen tonge is uyt te spreken'. En dan nog een vergelijking, nu met het Opgaan van de zon in de mooie meimaand: ' 't Is heugelijk, insonderheyt in den soeten Meystond het vermakelijke morgen-root uyt de duysternisse te sien opkomen; als de droevige nacht allengskens verdwijnt en het aangename Licht sich vertoont, soo is 't dat de Bergen en Heuvelen, Beemden en Weyden, Boomen en Daken, haar (= zich) wederom laten sien, den dau en alle dampen verdwijnen, de koude nevel trekt op na de lucht, en maakt gelijk als plaats voor de warmte der lieve Sonnestralen, de Vogeltjes beginnen, elk in hare tale, te tierelieren, en met hare soetluydende stemmekens, God te loven; het aartrijk ontluykt, en duysenderhande bloemekens openen hare geschilderde bladerkens, om ons een aangename geur toe te senden; dan siet men beyde, de menschen en het vee, die te voren als in den slaap lagen als dood, wederom gelijk als levendig werden en met vreugde ontwaken. Wel! is de natuyrlijken dag soo vermakelijk? O hoe vermakelijk moet het dan daar boven in den Hemel gestelt zijn; seker 't is niet teseggen'.
Hiermee willen wij eindigen. Hasius heett alarm geslagen, een geestelijk alarm. Er was reden toe. Heden is er nog reden toe, misschien zelfs nog meer dan toen. De 20ste eeuw is zeker niet beter dan de 17de.
Het is echter niet Hasius' bedoeling geweest in het alarm alleen te blijven steken. Hij heeft aangedrongen, bij jong en oud, op een zoeken van de Heere. Opdat men vrede zou vinden, die vrede die de goddelozen missen; en opdat men eenmaal in zou gaan in die hemel, waar hij geen beter beeld voor bedenken kon dan een vroege morgen in — wat hij noemde — de zoete meimaand.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 juni 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's