Groen van Prinsterer
Strijder tegen de secularisatie in staat en maatschappij
De verschijning van het boek van mr. H. W. J. Mulder, Groen van Prinsterer staatsman en profeet (uitgegeven door T. Wever, Franeker. Paperback, 140 pag., ƒ 12, 50) begroet ik als 'een wolkje als eens mans hand'. Want wie in onze tijd kent en noemt deze Evangeliebelijder uit de 19de eeuw nog? Men kan haast wel spreken van een instinctieve afkeer van zijn persoon en werk. Ik herinner mij een uitspraak van de christelijk-historische freule Wttewaal van Stoetwegen in 1968: 'Wat heeft Groen van Prinsterer ons vandaag nog te zeggen? Mag ik het heel duidelijk stellen? Niets!' Ongeveer in een zelfde trant spreekt prof. Berkhof over hem in zijn boek: Christus de zin der geschiedenis. 'Groen van Prinsterer heeft op het anti-christelijke karakter der Franse Revolutie een theologisch en historisch zeer aanvechtbare geschiedfilosofie gebouwd, die om haar geriefelijkheid en hanteerbaarheid nog steeds doorwerkt', (blz. 190). En als men dan nog bedenkt dat Kok te Kampen, die de uitgever is van bijna alle gerenommeerde anti-revolutionaire literatuur, in 1968 een boekje op de markt bracht met de titel: Verantwoorde revolutie, dan is de afwending van Groen wel heel duidelijk!
Toch heeft de opzettelijke vergetelheid, waar deze Evangelie-belijder sinds de laatste wereldoorlog in terechtgekomen is, ook een lichtkant. Bijkans een eeuw lang is Groen immers gemonopoliseerd door de christelijke politieke partijen, door Kuyper en de Vrije Universiteit, waardoor het nauwelijks mogelijk was om hem anders te zien dan in de beroepsmatige vertekening der partijpolitici. Nu deze echter 'door de bocht zijn gegaan' en hem hardhandig de deur hebben gewezen, ligt de weg open om hem objectiever, wetenschappelijker, en vooral ook geestelijker te benaderen en te begrijpen. En daarbij kan nu dit geschrift van mr. Mulder ons voortreffelijke diensten bewijzen!
Terecht staat daarom in het voorwoord van dit goed gedocumenteerde boek: 'Hernieuwde kennismaking met Groens gedachtenwereld kan in een tijd, die godsdienstig en staatkundig in menig opzicht is vastgelopen, alleen maar verfrissend en bevrijdend werken. Groen wist zich een man van de toekomst, meer nog dan van zijn eigen tijd, die hem niet begreep, vervuld als deze was van een grenzeloos culturoptimisme. Misschien dat in de verwarring van onze dagen het ogenblik nadert voor een beter begrijpen.
Het Nederlandse volk zou er wel bij varen' (blz. 6).
Verfrissend en bevrijdend is het bijvoorbeeld, om in deze studie van mr. Mulder te lezen, hoe Groen onderscheidde de gelijkheid en gelijkwaardigheid van alle mensen. Voor de gelijkwaardigheid heeft hij onvermoeid op de bres gestaan. Van alle knechting van individuen of volken had hij een afkeer. Zo was hij voorzitter van de vereniging tot afschaffing van de slavernij in de koloniën. Zo kapittelde hij de Zuidafrikaanse boeren over de onwaardige behandeling van Zoeloes en Hottentotten. Hij had een open oog voor het sociale vraagstuk en de maatschappelijke noden der arbeiders. Hij bepleitte een 8-urige werkdag. Hij wees op de gevaren van het kapitaal, en op het gevaar dat het liberalisme leidde tot bankiersregeringen. Hij deed niet mee aan de in zijn tijd algemene verguizing van socialisten en communisten. Hij schreef: 'Zij verlangen niet ten onrechte een wijziging der maatschappij, waardoor aan het ergerlijk en hartverscheurend contrast van overvloed en gebrek, brooddronkenheid en brodeloosheid, genot en jammer een einde wordt gemaakt.'
Maar zoals Groen een kampioen was voor gelijkwaardigheid, zo was hij een verklaard tegenstander van nivellerende gelijkheid. De egaliteitsgedachte van de Franse Revolutie is volgens hem kunstmatig en tegennatuurlijk. Zij doet aan de veelvormigheid van het leven afbreuk. De erkenning en aanvaarding van de ongelijkheid is het tegendeel van discriminatie. Veeleer is het eerbied tegenover de diversiteit in de schepping, in de natuur, in de geschiedenis. Zoals er de ongelijkheid is van man en vrouw, ouders en kinderen, zo is er ook ongelijkheid van rassen en volken, van staat- n maatschappijvormen, van standen en rangen, van rechten en plichten. Wie daaraan tornt, vergrijpt zich aan het tere weefsel van het levensorganisme. Zulk een eerbied had Groen voor de veelvormigheid van de bedding van het levensproces, dat hij niet schroomde om hier van droit divin, heilig recht te spreken.
Het is duidelijk, dat voor iemand als Groen, die zulk een diepe en fijne intuïtie had voor de werkelijkheid, en die voortdurend poogde om het heden te verstaan zowel vanuit de historie, als vanuit de waarheid Gods — dat voor hem het brute geweld van een revolutie een gruwel was. Revolutie is barbaarsheid tegenover natuur en historie! Zij brengt chaos en ontbinding, want er is voor een volk geen toekomst dan langs de wegen, die natuur en traditie wijzen. Opmerkelijk is de grote reserve, die Groen daarom tegenover Amerika als het land van de onbegrensde vrijheid en democratie had. Hij noemde het het continent, 'waaruit reeds zoveel verderfelijk zaad is overgebracht', omdat het beheerst wordt door de grillen van een traditieloos kiezersvolk en door de kunstmatige, tegennatuurlijke structuren van de technocratie.
Wij noemden slechts enkele punten, die in deze verfrissende en stimulerende studie over Groen aan de orde komen. Er zou nog veel meer te vermelden zijn, waar wij in de verwarring onzer dagen ons nut mee kunnen doen! Het is echter noodzakelijk om erbij te vermelden, dat de auteur, die als historicus met dit boek zulk een voortreffelijk werk heeft gedaan, zich helaas ook telkens heeft laten verleiden, om theologische zijpaden te betreden, en dan tot boude en affectieve uitspraken komt, die het boek nodeloos ontsieren. Ik doel daarbij vooral op wat hij zegt over Luther, Kierkegaard en Kohlbrugge. Vooral de laatste moet het in dit boek ontgelden! De heer Mulder houde het mij ten goede als ik zeg, dat hij zich met zijn harde en onrechtvaardige oordeel over Kohlbrugge op geen enkele uitspraak dienaangaande van Groen beroepen kan. Ook vergeet hij, dat de fijnzinnige en vrome Willem de Clercq zowel Groen van Prinsterer als Kohlbrugge in een diepe vriendschap in zijn leven had opgenomen. Daarom meen ik, dat mr. Mulder hier terughoudender en bezonkener had moeten zijn. Wij willen echter deze wanklank haastig vergeten en nog eens wijzen op de uitzonderlijke betekenis van deze studie over Groen als staatsman en profeet. Het is niet twijfelachtig, waar voor de auteur van dit boek de eigenlijke profetische kracht van Groen heeft gelegen. De verbinding, die hij legt met Hoedemaker en Van Ruler, maakt het duidelijk. Groen is voor hem bovenal de strijder voor een christelijke staat.
Toch zou ik zelf de actualiteit van Groen als Evangelie-belijder liever anders formuleren, al was het alleen maar om te voorkomen, dat men zich lichtvaardig van hem afwendt met de bewering, dat een christelijke staat een irreëel droombeeld is. Voor mij is Groen bovenal de christen, die het dodelijke gevaar van de secularisatie heeft onderkend, en er de strijd in staat en maatschappij tegen heeft aangebonden. En iedereen is thans in dat secularisatieproces opgenomen. Geen levensterrein staat er meer buiten. Het woord uit Mattheüs 7 gaat aan ons in vervulling: 'De stromen kwamen, de winden waaiden en stortten zich op het huis'. Daarom kan thans de Evangelie-belijder Groen ons zulk een wijze, profetische en beproefde gids zijn.
Op een wezenlijk punt van die strijd tegen de secularisatie wil ik hier nu nog wijzen. De kracht van Groen als Evangelie-belijder lag in zijn band met het Reveil. En die band was ontstaan door bekering. Groens levensstrijd is dus niet los te denken van een 'gemoedsverandering'. Met opzet gebruik ik dat woord, omdat het zo karakteristiek is voor het Reveil. De predikant Merle d'Aubigné uit Brussel is daarbij voor Groen van de grootste betekenis geweest. 'Bijkans niemand is er, aan wiens invloed op mijn leven, in den hoogsten zin des woofds, ik gelijken dank weet', heeft hij later van hem getuigd.
Nu is vaak beweerd, dat het Reveil een plant van vreemde bodem is geweest. Het tegendeel is echter het geval; Door Merle d'Aubigné werd de jonge Groen, die in die jaren nog het veilige en kleurloze midden der tijdsstromingen zocht, gebracht bij de levende bronnen van het reformatorische geloof. Zijn 'gemoedsverandering' was het beleven van Luthers rechtvaardiging door het geloof. Hij was dus teruggevoerd tot de oorsprong van de geschiedenis der Hervorming, en had nu persoonlijk deel gekregen aan de erfenis der vaderen. Daarom betekende zijn bekering de worteling (de Fransen spreken van: l'enracinement) in de historie, in het christelijk-nationaal verleden. En zo werd zijn Evangelie-belijdenis tegelijk een nationaal getuigenis. Groens parlementaire loopbaan, zijn schoolstrijd, de uitgave van zijn Handboek der Vaderlandse Geschiedenis en van de Nederlandse Gedachten zijn er de indrukwekkende bewijzen van.
Dat ik daar zo sterk de nadruk op leg, is omdat daar naar mijn besef de diepste oorzaak ligt van de instinctieve afkeer van Groen bij zoveel moderne christenen. Wat hen in Groen tegenstaat, is zijn worteling (l'enracinement) in het reformatorische geloof en in het christelijk-nationale erfgoed. Zij willen geloven zonder die band met het klassieke belijden. Zij willen in de geschiedenis staan zonder die last van de historie. Zij willen vrij zijn van de vaderen. Daarom erkennen zij geen Reveil.
Voor de reformatorische en christelijk-historische Groen is er echter geen persoonlijk, levend geloof mogelijk dan in eenheid met het verleden, dus met de Confessie als het geloof der vaderen. Het algemeen christelijk geloof gaat in tijd en rangorde immer vooraf aan ons particulier geloof. Het is zowel de grond onder onze voeten (zie Hebreeën 11 vers 1), als het huis om ons heen (zie Galaten 6 vers 10). En in een tijd, waarin de winden waaien en de slagregens vallen zoals thans, hebben wij meer dan ooit behoefte aan zulk een diep gefundeerd bouwwerk!
Maar wat voor bestand en verweer hebben dan die moderne, eigenzinnige gelovigen tegen de secularisatie-storm? Hun huis immers is op zand gebouwd! Daarom zijn zij prijsloos overgeleverd aan de opdringende barbarij, aan chaos en ontbinding. Want leven en toekomst is er alléén, als wij voortbouwen op de grondslagen die in het verleden gelegd zijn (1 Cor. 3: 10).
Ons daar nadrukkelijk op gewezen te hebben in deze revolutionaire eeuw is (acht ik) de uitzonderlijke betekenis van mr. Guillaume Groen van Prinsterer. Neem en lees!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's