De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De prediking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De prediking

Het eigentijdse in de prediking 2

11 minuten leestijd

Het onveranderlijke in de prediking
Wij komen nu tot een nadere omschrijving van de inhoud van de prediking, vanuit het aspect van het eigentijdse. Dan is naar onze mening het eerste wat gezegd moet worden dit, dat de prediking een onveranderlijke inhoud heeft. De inhoud van de Schrift, Gods Woord verandert niet. Het Evangelie verandert niet. Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid (Hebr. 13: 8). Er is voor ons niet een andere weg om zalig te worden dan er voor Abraham, Mozes, David, Johannes en Paulus geweest is. Dat geeft ons het recht heilsordelijk te preken. Wanneer men van dat heilsordelijke overgaat op het heilshistorische, gelijk hier en daar het geval is, dan verliest de prediking zich in beschouwingen. Dan behoudt de Schrift nauwelijks nog een woord aan ons. De toepassing is gewoonlijk verzoek, en als zij er nog is komt ze niet dan via een lange omweg tot ons, en is zij meestal uniform en daardoor wel schraal. Naar mijn gevoelen is de heilshistorische preek een vóór-stadium van de horizontalistische preek. Waar de heilsorde uit de prediking verdwijnt, verdwijnt uit de prediking geleidelijk aan ook het verticale, men kan ook zeggen: de bevinding; en waar de bevinding verdwijnt, houdt men op de duur enkel de historie, de mens, de wereld over. De ontwikkeling die de barthiaanse prediking doorgemaakt heeft mag voor ons in dezen een teken aan de wand zijn. De enige waarborg tegen een afglijden in een horizontalistische prediking is gelegen in de bevinding in de prediking.
Dus Gods Woord, het Evangelie verandert niet. Maar ook de mens tot wie dat Woord, dat Evangelie komt verandert ten diepste gezien niet. In veel dingen mag hij veranderen, niet in zijn verhouding tot God. Voor God zijn wij allen gevallen en daarom verloren zondaren en zondaressen; onze voorouders waren dat en wij zijn het ook; het geldt van het eerste mensenpaar en het zal ook nog gelden van de laatste mens die er wezen zal.
Het Evangelie is gericht op de mens als zondaar, als zondares. De prediking van het Evangelie mag daarom niet veranderen. Elke verandering is in feite een afwijking van het Evangelie. Wil men in deze zin pleiten voor een tijdloze prediking dan hebben wij daar geen bezwaar tegen. Evenwel, juist door op deze wijze tijdloos te zijn staat deze prediking toch niet buiten de tijd, want deze zondaren en zondaressen, waarop zij gericht is, zijn geen hersenschimmen, geen onwezenlijke ideeën, zij zijn vlees en bloed, concrete schepselen, levend in een bepaalde tijd en in een bepaalde cultuur. Hun zonden zijn in velerlei opzicht dezelfde waaraan zich voorgeslachten hebben schuldig gemaakt, maar dat neemt niet weg dat het zeer concrete zonden zijn, die nú begaan zijn en dan door hén. Ieder zal ontdekt moeten worden niet aan de zonden maar aan zijn zonden of haar zonden, al zit wel in en achter al die zonden de zonde.
Hoe directer de prediking gericht is op concrete zondaren en zondaressen des te meer zij middenin de tijd staat. Zij mag dan tijdloos heten, zij is in feite oneindig meer eigentijdser dan de oppervlakkig ac­tuele preek, hetzij zij politiek van aard is of niet.
De vraag is nu echter of met dit gegeven, dat de mens altijd een in de tijd levende zondaar of zondares is, levend binnen een bepaalde cultuur, bewust rekening moet worden gehouden door degene die preekt. Wij menen de wenselijkheid daarvan te moeten beamen. Dit leidt dan tot het volgende.

Het veranderlijke in de prediking
Laten wij mogen aanknopen bij het punt dat wij straks al aanroerden, dat van de zonden en het beleven van de zonden. Men kan verdedigen de stelling dat elke tijd zijn eigen zonden kent. Een kwaad ais het plegen van abortus en het zich laten aborteren kwam vroeger nauwelijks voor, en zo is er nog wel meer te noemen. Elke tijd kent ook in déze zin zijn eigen zonden, dat in de ene tijd meer dit kwaad naar voren treedt en in een andere tijd een ander kwaad. In de oorlogstijd b.v. was er het veel voorkomend kwaad van het collaboreren met de vijanden van het volk, en ook het kwaad van het nemen van veel te veel geld voor levensmiddelen; toen de oorlog voorbij was hield het op. Ook zijn er bepaalde zonden die sterk cultuur-gebonden zijn. Zendelingen in Azië of Afrika worden geconfronteerd met bepaalde oude zonden die onder ons zo niet bekend zijn; daartegenover staan andere zonden die onder ons voorkomen en daar niet. Zo weet ik b.v. dat men enige tientallen jaren geleden op Celebes na een Avondmaalsviering de resten van het brood en van de wijn snel moest opruimen omdat er anders door de Toradja's een bijgelovig misbruik van gemaakt werd. Ik wil hiermee niet zeggen dat bijgeloof en andere zonden hier niet voorkomen, maar anders, in andere vormen. Om wat dichter bij huis te komen: een kwaad als het ontheiligen van de zondag is in onze dagen niet alleen massaler maar uit zich ook in andere vormen dan b.v. 3 eeuwen of zelfs slechts 1 eeuw geleden.
Onder het eigentijdse in de prediking nu verstaan wij dat met al deze veranderingen gerekend wordt. Wie zonden aanwijst kan dat niet concreet genoeg doen, en dan moet men kennen de vormen waarin zij zich voordoen. Natuurlijk is dit wat anders dan persoonlijk worden in de prediking. Ook is het zinvol zich te keren tegen de zonden die het meest urgent te bestrijden zijn. Om in een tijd van secularisatie enkel en alleen tegen het bijgeloof te preken heeft weinig zin; al zal ook dit wel eens gebeuren moeten, veel dringender is dat men het kwaad van het ongeloof voor ogen heeft.
Tot zover over de zonden, nu over de weg des behouds. Wordt ook die anders beleefd dan anderen haar in andere tijden hebben beleefd?
Wij herinneren aan wat hierboven al nadrukkelijk gezegd is. Het Evangelie verandert niet, de weg der zaligheid verandert ook niet. Dit is het eerste en het voornaamste! Maar als dit voornaamste gezegd is dan mag er nóg iets gezegd worden. En dat is dat de mensen die tot het heil in Christus komen vaak heel verschillend van elkaar zijn. Zij verschillen in afkomst, in opleiding of het missen van een opleiding, in beroep, in allerlei uiterlijke omstandigheden, ja zij verschillen ook psychisch en historisch.
De oude gereformeerde theologen, die soms mensenkenners waren als weinige, hebben, rekening houdend met de psychische verschillen die er onder de mensen zijn, al een open oog gehad voor de verschillende manieren waarop zondaren door God in hun leven tot Christus worden gebracht. Marenen als Wilhelmus a Brakel en Bernardus Smytegelt, om deze twee slechts te noemen, schreven zeer beslist niet één bepaalde heilsorde als wet aan allen voor. Er zijn wel dezelfde zaken die geleerd worden op de school van de Heilige Geest maar de volgorde en de mate waarin zij gekend worden verschillen. Zij kenden het woord van de Heere Jezus: 'De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet van waar hij komt en waar hij heengaat; zo is een iegelijk die uit de Geest geboren is' (Joh. 3: 8). Zij respecteerden de vrijmacht van de Geest. In Zijn herscheppend werk doet God Zijn schepping niet te niet. Gods genade is niet een wals die over ons heengaat; de zondaar wordt niet vernietigd maar gered. De Geest overtuigt de mens van zonde, gerechtigheid en oordeel. Hij doet dat met macht, want de mens is een tegenspreker en tegen werker, maar ieder is dat op zijn eigen wijze en de Geest weet waarlijk wel hoe Hij déze zondaar of dié zondares behandelen moet.
Daarom mag de prediking zich nooit vastleggen op één bepaald bekeringspatroon. Bij de een gaat het harder eraan toe dan bij de ander. Alexander Comrie heeft er vele voorbeelden van gegeven in zijn ABC des geloofs. De Heere Jezus heeft tijdens Zijn leven op aarde niet één van al degenen die tot Hem kwamen op gelijke wijze aangesproken; zij kregen allen een aparte, te weten strikt persoonlijke behandeling. Hij ging niet te werk naar één model.
Wat nu geldt op het psychische vlak geldt naar mijn gevoelen evenzeer op het historische vlak. Ik geef daarvan het volgende bewijs. In zijn Confessiones (Belijdenissen) heeft de kerkvader Augustinus zijn bekering beschreven. Leg daar nu eens naast die van John Bunyan, gelijk hij die zelf beschreven heeft, in zijn boek Genade verheerlijkt aan de voornaamste der zondaren. Er is veel wat in beide gelijk is; er is ook veel wat in beide verschillend is. Maar Augustinus en Bunyan leefden ook in een heel verschillende tijd! Het maakt waarlijk geen klein verschil uit of men, gelijk Augustinus, dank zij een gedegen wetenschappelijke opleiding, gekropen is, op een zeer existentiële wijze, door heel de niet-christelijke cultuur en religie van de 4de eeuw of dat men, gelijk Bunyan, in het Engeland van de 17de eeuw is geboren en daar een tijd lang het beroep van ketellapper heeft uitgeoefend. In de kern der zaak is er bij beiden hetzelfde. Beiden worden duidelijk en krachtig door God uit het slob der zonde gehaald, beiden komen tot een levende kennis van de Heere Jezus Christus en ervaren de rijkdom der genade die in Hem is. En ook na hun bekering is er overeenkomst: bij beiden een leven in gemeenschap met God, een strijden tegen de zonde en een jagen naar heiligmaking. Maar dit alles mag ons toch niet doen voorbijzien aan hetgeen waarin zij van elkaar hebben verschild. Er is tussen beiden een ingrijpend verschil van afkomst, van achtergrond, van klimaat, van manier van beleven en van manier van verwerken. En dat verschil is te herleiden tot de verschillende historische omstandigheden waarin beiden verkeerden. De eeuw was anders, de cultuur was anders, het land waar men woonde was anders. Afgezien nog van het feit dat ook de persoonlijkheid van beiden anders was. Vandaar dat ook de levenstaak van beiden anders is geweest; b.v. hun strijd, althans voor een deel. Ja voor een deel, immers het pelagianisme waartegen Augustinus heeft moeten strijden was er in de vorm van het arminianisme ook in de 17de eeuw in Engeland. Dat wijst opnieuw heen naar het onveranderlijke, het constante, waar wij het al over gehad hebben. Evenwel, dat onveranderlijke in de prediking en ook in de dwaling en de ketterij is steeds ingekleed in allerlei veranderlijke vormen, die teruggaan op verschillen in tijd en cultuur.

Wat dit betekent voor de prediking
Wat betekent dit alles nu voor de prediking? In de eerste plaats, dat die prediking verkondiging moet zijn van wat men wel noemt de eeuwige waarheid. Daar is nu echter al genoeg over gezegd. In de tweede plaats dat zij ook rekening moet houden met de tijd waarin zij plaatsvindt. Er zitten andere mensen voor ons 's zondags in de kerk dan er gezeten hebben voor Augustinus, Luther, Calvijn en wie ge ook maar noemen wilt; ook al zijn zij allen, gelijk hun voorgeslachten, verloren zondaren en zondaressen. Zij staan middenin de tijd waarin zij geboren zijn, waarin zij leven. Een tijd met bepaalde spanningen, met bepaalde gevaren, met bepaalde verzoekingen; ook met bepaalde mogelijkheden; een tijd waaraan een bepaalde geest eigen is. Ik zeg niet dat de prediking zich hieraan moet aanpassen, zij moet er wel mee rekenen.
Men zal niet steeds weer de geest des tijds en de vragen en verzoekingen van onze tijd op de kansel behoeven te brengen. De tekst bepaalt de prediking en niet de situatie waarin men verkeert. Maar men mag toch wel van de tekst de weg zoeken niet alleen naar het hart van de gemeente maar ook naar de situatie waarin zij verkeert. Men doet dat het best door zich als prediker zo concreet mogelijk voor ogen te stellen wie en wat de hoorders zijn. En dan zal men moeten trachten hen te zien in hun totaliteit, in hun geestelijke behoeften maar ook in hun historische en andere omstandigheden. Het komt er immers op aan dat het Woord werkelijk bij de mensen komt! De prediking is dan als vanzelf eigentijds, of om het anders te zeggen: actueel.
Dat de prediking eigentijds is is niet haar eerste doel; als men zegt: dat komt pas op de tweede plaats dan gaan wij daarmee akkoord; als men dan echter maar wil verdisconteren dat het in de prediking gaat om déze mensen, hier en nu! Als wij geloven dat het geen toeval maar een beschikking van God is, dat wij nu leven en niet b.v. 100 jaar eerder, dan zullen wij daar, ook in de prediking, ernst mee moeten maken. Wie als prediker dat doet, kan er niet onderuit zich steeds weer af te vragen of zijn prediking wel aanslaat, of zij niet langs de hoorders heengaat. Hij zal zich ertoe geroepen voelen Gods onveranderlijk Woord zó te verkondigen aan veranderlijke mensen, dat zij de eeuwige God leren kennen hier in de tijd, opdat zij eenmaal, uit de tijd, in eeuwigheid Hem kennen mogen, met Hem leven mogen en Hem loven en prijzen mogen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1974

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De prediking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1974

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's