Uit de pers
Het gewone dominees-werk
In Herv. Nederland van 8 juni staat een interview afgedrukt met ds. A. J. Kret, die in Leiden wethouder is voor stadsontwikkeling en verkeer. Ds. Kret is met vervroegd emeritaat gegaan om zijn functies als leraar, en nu als wethouder te kunnen vervullen. Dat predikanten het gewone gemeentewerk opgeven voor bijzondere taken, komt meer voor. Denk aan leraren voor het godsdienstonderwijs, aan predikanten in industriepastoraat, ziekenhuiswerk etc.
Ook de predikant die 'in de politiek gaat' zoals dat heet, is in ons land geen vreemde figuur. Wij komen ze niet alleen in gemeenteraden, maar ook in de Kamer tegen. Op de wenselijkheid van het laatste ga ik hier niet in. Daar kan en mag men uiteraard verschillend over oordelen. Wij kunnen het als het gaat over roeping en beroep elkaar niets voorschrijven. Ook op de betekenis van allerlei bijzondere vormen van predikant-zijn ga ik niet in. Wie de gevaren van specialisatie in het oog houdt, zal niettemin ook de goede kant kunnen honoreren in bepaalde vormen van kerkewerk. De practijk biedt ook daarvoor verschillende voorbeelden. Waar het me in dit persoverzicht om te doen is is een gedeelte uit dit interview:
Hoe heeft u het gedaan in Krimpen?
Ik heb dan wel niet veel aan huisbezoek gedaan, maar overal waar wat gebeurde in de gezinnen, een ongeval, een ongewenst moederschap of noem maar op, daar was ik bij. Ik voelde veel meer voor een gesprek met de man achter de draaibank of met de jeugd bij de patatkraam. Ik had een afspraak met de bedrijfsdirecties dat ik op de werkplaats vrij mocht rondlopen. Als vicaris in Zeist had ik al mijn eerste twijfel over het nut van huisbezoek. Je merkte dat veel mensen zich in oude opvattingen bleven hullen en bang waren om te verwereldlijken. Als je dan het grote verschil later zag in Krimpen tussen de ouders en de kinderen op de catechisatie, besefte je dat er generatieconflicten moesten komen. Ik heb in Krimpen op een andere manier veel kunnen doen. Ik zorgde ervoor dat kinderen naar de hbs gingen. Dat was in bepaalde kringen nog nooit vertoond. Ik bracht mensen bij elkaar die niet samen aan dezelfde avondmaalstafel wilden zitten. Zo groot was de concurrentie tussen de bedrijven in Krimpen. Ik legde ze uit dat het alleen al uit economisch oogpunt bekeken erg dom was niet met elkaar samen te werken. Er waren echter nogal wat mensen in mijn kerk die zich door allerlei schuldgevoelens conservatiever gedroegen dan ze in feite waren. Ze dachten: in de wereld verandert er al zoveel, in godsnaam in de kerk niet. Als dominee die wel wilde veranderen viel ik natuurlijk niet in goede aarde. Ik organiseerde jeugddiensten en wilde ritmisch laten zingen. Ook kreeg ik het probleem: hoe houd je de jeugd vast. Wat de jeugd betreft ben ik niet zo optimistisch. Eer we twintig jaar verder zijn is de jeugd net zo conservatief als sommige ouderen nu zijn. Ze praten precies eender als ze zelf kinderen van zestien jaar hebben. Hoe het mogelijk is, snap ik niet. Het is volgens mij een studie waard. Ik heb studenten meegemaakt die eerst enorm actief waren in actiegroepen maar onherkenbaar zijn veranderd; sinds ze een baantje roken. Ik heb als wethouder wel ervaren dat je iemand nog niet door hebt als je hem in zijn zondagse pak ziet.'
Voor het pastoraat heeft u nooit zo gevoeld
Nee, meer voor het bijzondere pastoraat als dat nog zo heet. Ik moet er niet aan denken dat ik niet meer preken mag. Maar stel je voor dat ik in Krimpen wethouder was geweest, dan had ik ook bij minister Algra gezeten om over de huisvestingsproblemen te praten. Dat had niet veel verschil gemaakt. Ik moet me nu nog dagelijks ervoor behoeden dat ik me te veel verdiep in details als het bijvoorbeeld gaat om overigens nog genoeg mensen die dominee tegen me zeggen hier in Leiden. En ik heb contacten die ik alleen als wethouder niet zou krijgen.'
Heeft u ook omgekeerd als dominee wat aan uw ervaring als wethouder?
Ja. Mijn preken zijn, denk ik, concreter. Ik zeg wel eens: zeventien jaar heb ik over zonde gepreekt, maar de laatste vier jaar weet ik ook wat zonde is. Als je bijvoorbeeld ziet hoe slecht het is met de mentaliteit van sommige mensen als het gaat om een parkeerplaats, of als je ziet hoe de verhoudingen liggen in de bouw, dan werkt dat wel ontnuchterend als je over zonde wilt spreken. Mijn preken zullen wel wat meer sociaal en politiek gericht zijn. Ik kan me voorstellen dat ik soms met voorbeelden kom die ik — als ik de hele dag in de pastorie zat — niet zou kunnen noemen.
Tot zover dit gedeelte van het interview, waarin ds. Kret voorts nog ingaat op de gevaren van de politieke prediking ('We moeten over Jezus preken'), over de wenselijkheid van predikanten die daarnaast in de maatschappij werkzaam zijn (dus de zgn. part-timer) over de reacties die hij als predikant met zijn achtergrond krijgt op zijn preken. Met alle waardering voor het werk dat ds. Kret in Leiden doet, ben ik toch niet helemaal gelukkig met dit interview. Zeker ds. Kret wijst het horinzontalisme en de verpolitiekte prediking af. Dat stellen we met nadruk voorop. Ook behoeft niet getwijfeld te worden aan de ernst en de inzet van zijn werk in Leiden. Maar met name de passage over het huisbezoek vond ik minder gelukkig. Komt hier niet een bepaalde visie op het pastoraat om de hoek kijken? Is pastoraat toch ook niet primair het weiden van de kudde met het Woord, niet alleen in bijzondere omstandigheden maar ook in de gewone gang van een huisbezoekactie. Ook ds. Kooistra heeft tegen Kret's uitlatingen in deze zijn bezwaren. Hij schrijft in het Hervormd Weekblad van 20 juni:
Het komt mij voor, dat meerdere predikanten wel eens getwijfeld hebben aan het nut van het gewone huisbezoek, vaak in kleine gemeenten elk jaar weer bij dezelfde gezinnen. Toch wil ik graag pleiten voor het trouw blijven ook in dat gewone en soms moeilijke werk van het doen van huisbezoek. Niet iedere predikant heeft het charisma van de specialist, zoals ds. Kret eerst leraar godsdienstonderwijs is geworden en vandaar uit in de politiek is terecht gekomen. De meeste dominees zijn gewone dominees, die het gewone werk moeten doen. En het trof mij op de jongste conferentie van de Confessionele Vereniging, dat dr. De Ru, de oud-praeses der synode, in de discussie zei, dat hij het gewone werk van preken, catechiseren en pastoraat het allerbelangrijkste vond. Uit eigen ervaring weet ik, dat het wel eens zelfoverwinning kost om trouw te zijn in het niet mee, omdat je eigenlijk geen gesprek kreeg over de wezenlijke dingen. Het was precies zoals ds. Kret zei in het gengewone pastoraat. De eerste rondgang van het jaarlijks huisbezoek in mijn eerste gemeente zal ik niet licht vergeten. Dat viel oemde interview: 'Iedereen zat netjes klaar om ja en amen te zeggen ...' In mijn geval kwam er nog bij, dat ik overal bijna hetzelfde verhaal kreeg te horen over de ruzie, die er tijdens mijn voorganger was en die de gemeente nog verdeeld hield in die tijd in het verschil van schoolkeuze tussen Openbaar of Christelijk Onderwijs. Die eerste ervaring zou je toen bijna de lust ontnemen om het volgend jaar weer huisbezoek te doen. Maar als predikantszoon was mij voorgehouden: Denk er om, ken het aangezicht van je schapen. En in de gemeente, waar ik na mijn elfde jaar opgroeide, had ik het trouwe voorbeeld niet alleen van mijn vader maar vooral ook van zijn collega, die het gepresteerd heeft meer dan vijftig jaar lang in dezelfde gemeente jaarlijks zijn wijk door te komen met huisbezoek. En men had toen in 's-Gravenzande toch ook al ieder een wijk van meer dan 400 gezinnen! Van huis uit wist ik dus, dat trouwe pastorale arbeid nodig is om de gemeente te bouwen.
Latere ervaring als predikant heeft mij dat steeds weer bevestigd. Zo kwam ik als visitator eens op bezoek in een gemeente, waar de sympathieke rechtsvrijzinnige predikant al zijn best deed om aan zijn meer links-vrijzinnig denkende gemeenteleden het Evangelie te prediken. Ook was hij bijzonder trouw in het doen van ziekenbezoek. Maar de klacht van de ouderlingen bij de visitator was: Dominee doet geen huisbezoek. Het antwoord van mijn collega was, dat hij er geen behoefte aan had om overal over koetjes en kalfjes te moeten praten. Inderdaad, dat is het moeilijke bij het gewone huisbezoek in een overzichtelijke dorpsgemeente, dat je niet zo vaak een goed geestelijk gesprek krijgt. En toch door deze 'beproeving' moet men heen om bij dezelfde gezinnen te blijven komen. Want wie het huisbezoek nalaat, vervreemdt van zijn gemeente. Geestelijk contact is iets, dat groeien moet en het groeit pas, als men ook in het gewone werk getrouw is. Ieders werk heeft zijn saaie kanten. Ik heb eens gelezen over een Rooms priester, die het geregelde aanhoren van de biecht moe werd en dit als een dode zaak beschouwde. Het komt mij voor, dat de vroegere verplichte Roomse biechtpraktijk weinig zin had. Toch voel ik wel veel voor de vrijwillige biecht. In ieder geval moeten wij tijd nemen om de klachten van de mensen aan te horen. Voor hoevelen zal het een bevrijding zijn, dat ze toch weer eens even hebben kunnen uitpraten wat ze op hun hart hadden. Denk voorts ook aan de arbeid van de huisartsen. Ook zij krijgen elke dag heel wat gewone klachten te verwerken, die helemaal niet interessant zijn. En ik kan mij indenken, dat het hun wel eens verveelt. En toch zal het voor elke huisarts er op aan komen, om getrouw te zijn in dat gewone werk. Zo mag een predikant nooit het gewone werk, dat hem in de beroepsbrief is opgedragen verwaarlozen. Dit geldt zowel voor de dorpsgemeente als voor de grote stadsgemeente, al is de situatie wel totaal verschillend. In de dorpsgemeenten, die ik dienen mocht, is het mij slechts een enkele keer gebeurd, dat ik niet binnengelaten werd. Daar was meer het probleem: Kom ik nog wel iets nieuws tegen in de mij al bekende gezinnen? In de grote stad beleef je elke avond, dat je op huisbezoek gaat, eerst het avontuur: Waar zal ik nog binnengelaten worden? En de variatie van de gesprekken is veel groter. Naast de vele negatieve reacties t.a.v. kerk en geloof de verrassing van een positief gesprek. Ik schrijf dit artikel juist na twee huisbezoeken aan twee adressen, waar ik nog nooit geweest was. Beide gezinnen kerkten ook nooit meer. Toch was het in beide gevallen een goed gesprek. Daarom blijf ik overtuigd van het nut, ja van de noodzaak om huisbezoek te blijven doen. Ik hoop, dat dit artikel een stimulans rnag zijn voor predikanten en ouderlingen om ermee door te blijven gaan. De geciteerde uitlating van dr. De Ru op onze conferentie trof mij des te meer, omdat hij zoveel tijd heeft gegeven aan het synodale werk en bovendien de laatste jaren ook in theologisch opzicht de Kerk zoveel heeft gegeven. Dr. De Ru zijn opmerking kan dus niet uitgelegd worden als een excuus om de theologie te verwaarlozen of om zich te onttrekken aan noodzakelijk vergaderwerk van de Kerk. Wij mogen het werk aan de top en op het grondvlak van de Kerk dan ook niet tegen elkaar uitspelen. Maar ook als synodelid zeg ik het dr. De Ru van harte na: Het gewone werk van preken, catechiseren en pastoraat is het belangrijkste.
Men kan over de vormen van huisbezoek van gedachten verschillen. Men zal ook eerlijk moeten toegeven dat er huisbezoeken zijn die ontaarden in nutteloze theevisites, maar met ds. Kooistra zou ik toch willen pleiten voor het gewone werk: preken, catechiseren, huisbezoek doen.
Een scherpe reactie
op het jongste synodebesluit van de Geref. Kerken inzake dr. Wiersinga troffen we aan in Waarheid en Eenheid van 18 juni van de hand van dr. Masselink. Dr. Masselink heeft zijn artikel de titel gegeven: Verlos ons van de havikken. Vanwaar deze titel? Het blijkt betrekking te hebben op het grote aantal hoogleraren ter synode:
Hoe kom ik aan mijn titel? Wel, waarom moesten er negen professoren ter synode zijn? Een paar zijn als prae-adviseurs gevraagd. Maar de anderen? Vonden die het nodig om ongenodigd te komen? Krachtens een verouderd recht mogen zij komen; maar toen stond de School en de Theol. Faculteit nog dicht bij de kerken; ja onze kerken hebben Vrije Universiteiten 'er door geholpen'. Maar vandaag is toch alles anders; wat lopen die (vaak progressieve) professoren op verouderde rechten? Die synodevergadering van 6 en 7 juni was niet een universitaire zaak; daar was een kerk in zorg en nood! En hoe was hun inbreng en hun intentie? Wiersinga moest geholpen worden. Maar op welke wijze is dat gebeurd? Hebben zij op geestelijke wijze en op verzoek van de synode-zelf (dat zijn de afgevaardigden van de kerken!) het woord gevoerd? Ik zeg dit niet in wrok, maar uit de liefde voor de waarheid. En dus voor de eenheid. Als voorbeeld noem ik prof. v. d. Berg, die Commissie I 'minder deskundig' (dan de deputaten) noemde, en die huiverde om over het Christusmysterie te discussiëren maar vergat wie begonnen is met een al te menselijke aanpak dat mysterie te benaderen. Hij zag ergens (bij anderen natuurlijk) iets blasfemisch (godslasterlijks) en iets van chantage. Alles met fluwelen stem en met pathos. Ik dacht toen aan de orthodoxie die door de orthopraxie (christelijke daden) moet waargemaakt worden. En toen ik aan de gewone, dus aan de echte synodeleden dacht (wat konden die zich nu verweren tegen zo'n geleerd pathos?), schoot mij het beeld van de havik te binnen die de duiven overheerst. Dit is wel een voorbeeld, maar ieder gevoelt dat dit kwaad veel breder is.
Toen de praeses na een debat van meer dan een dag voorstelde — zoals hij vaker deed, b.v. in de zaak Kuitert — nu alle geprononceerde groepen of meningen bij elkaar, om ... zo tot een eenheidsbesluit te komen, was dat meer een uiting van taktiek en verlegenheid. Een noodoplossing. En dan komen er factoren bij die meer haviks zijn dan duifachtig. Anders was het nooit mogelijk geweest dat in het eindbesluit waarachtig toch weer het dubbelzinnige deputatenrapport kwam bovendrijven ten koste van het commissierapport dat veel geestelijker en kerkelijker was en veel dichter lag bij het hart van de synode. Die negen hoogleraren waren de professoren v. d. Berg, Berkouwer, Honig, Meuleman, Nauta, Plomp, Rothuizen, Runia en Verkuyl. Zes stonden achter het deputatenrapport en drie achter het commissierappart. Het is weerzinwekkend zo'n batterij van hoog geleerden op de eerste rij van de meeste kerkelijke vergadering. Laten er een paar voor zo-nodig-een -advies de synode bijwonen, en dan niet meer in de vooraanzitting (althans figuurlijk niet). Maar het zit breder; volgende keer komt er zelfs geen deputatenrapport maar een stuk van een raad, van de raad voor kerk en theologie, natuurlijk een wetenschappelijk stuk; ach arme synode; hoe dan nog een commissie te benoemen? Het zit breder; ik denk aan de tribune die niet na laten kon te applaudiseren; ik denk aan de N.C.R.V. microfoon; ik denk aan allen die vooral toch voor progressief willen doorgaan; aan kerkeraden en kerkleden die denken 'ze zoeken het maar uit'; aan hen die door wantrouwen niet tot een goed oordeel kunnen komen. Wij allen zijn van onszelf meer havik dan duif! En waar vinden wij verzoening? Als laatste denk ik aan een Klaaglied over de verwoeste tempel, Ps. 74: 'Lever de ziel van onze tortelduif aan het wild gedierte niet over; vergeet het leven van uw ellendigen niet voor immer.'
Hier ligt inderdaad een probleem en als ik het goed zie ook een gevaar voor de Geref. kerken. Niet in die zin dat de theologie op de synode zou mogen ontbreken. Maar wel dat de ambtelijke vergadering overheersend wordt dat men moeilijk nog kundigen, en de universitaire stem zo overheersen wordt dat men moeilijk nog kan volhouden dat hier de kerk in al zijn geledingen spreekt. En zeker, nu de theologische faculteiten van de VU en Kampen zich in een bepaald vaarwater bevinden is de zorg van dr. Masselink goed te begrijpen.
Ontwikkelt ook de Gereformeerde Kerk zich in een kerk, met raden en commissies? Me dunkt: Het Hervormd kerkelijk leven zou een waarschuwing moeten zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1974
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1974
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's