Gebed en genezing*) 2
Zendt God ziekte?
Met velen verzet de schrijver van het boek, waaraan we vorige week een eerste artikel wijdden, zich tegen de gedachte, dat God ziekte zoude zenden, al kan hij niet ontkennen, dat er in het Nieuwe Testament verscheidene voorbeelden zijn van strafgerichten Gods in ziekte en dood, bij voorbeeld als Zacharias voor een tijd met stomheid geslagen wordt, als een engel Gods Herodes slaat, omdat deze Gode de eer niet geeft. In wezen, zegt de schrijver, is ziekte een Gode en de mensen vijandige macht, die overwonnen moet worden. En als God ziekte zendt en ramp of dood, dan doet Hij dat om de tohoewabohoe-machten (tohu wabohu Gen. 2: 1, waar de Statenvertaling luidt woest en ledig) te ontmaskeren en met eigen wapenen te bestrijden. De dienst der genezing betekent nu een protest van God en de gemeente tegen deze machten van ziekte en dood.
Leven in een ontluisterde wereld
Hier begin ik mij (meer of minder) los te maken van dit boek. Wij kunnen nauwelijks van ziekte spreken los van andere nood en ellende in het leven van ieder mens. Ziekte is één van de vele tekenen en uitingen van de gebrokenheid en ontluistering van het leven op aarde. Terecht zegt men dikwijls, dat ziekte een voorbode van de dood is en het moest in deze tijd meer bedacht worden, nu de dood niet past in het levenspatroon van de moderne mens. Men verdringt de dood. Pascal zei het op deze wijze: omdat de mensen de dood en de ellende en de onwetendheid niet hebben kunnen genezen houden zij het erop, om zo zich gelukkig te maken, om er niet aan te denken. Ziekte is meer dan voorbode van de dood, het is een openbaring van de dood en diens macht in het leven van de mens: midden in het leven zijn wij in de dood en het formulier van de Doop spreekt van het leven als een gestadige dood. Gullmann noemt ziekte een bijzondere vorm (Sonderform) van de dood. Terecht, want in elke ziekte zit iets van de dood; en niet alleen in ziekte, die een radicale bedreiging betekent van de gehele mens, maar ook in gevangenschap en ballingschap en andere vormen van uitstoting uit de gemeenschap, in armoede en allerlei ongeluk. De verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen, klaagt de psalmist (Ps. 55: 5). In meer dan één van de individuele klaag- en dankliederen horen wij daarvan: Ps. 88; 38; Klaagl. van Jer. 5: 53 v.; Ps. 142 (al behoeft gevangenschap niet alleen lichamelijke opsluiting te betekenen). De macht van de dood ervaart de psalmist als hij klaagt dat de golven over hem heengaan (Ps. 69: 3 v.). En genezing betekent dan ook levendgemaakt worden (Jes. 38: 16; 30: 4; 71: 20). In Jer. 17: 14 gaat het niet om lichamelijk leed, maar om de geestelijke nood, die samenhangt met zijn profetische roeping. Genees mij, Heere, zo zal ik genezen worden; behoud mij, zo zal ik behouden worden. Men kan hierbij vergelijken Jer. 15: 18, waar de profeet klaagt over onophoudelijke pijn en ongeneselijke wonden. Weerloos is de mens in de macht van de dood, die naar een woord van Luther de eeuwige dwingeland is, overgegeven. De verhoring van het gebed uit de nood betekent, dat het leven voor de bidder weer opengaat. Als ik wandel in het midden der benauwdheid maakt Gij mij levend (Ps. 138: 7).
Zonde en dood
Zonde en dood hangen nauw met elkaar samen: de bezoldiging der zonde is de dood. En de prikkel des doods is de zonde en de kracht der zonde is de wet (1 Cor. 15: 56). De prikkel daarbij denken wij aan de angel van een schadelijk beest, misschien een schorpioen. De zonde is het wapen van de dood; het gif van de dood komt in de mens, die daardoor onderworpen is aan de macht van de dood, die een moordende en een verderfelijke macht tegen de mens ontwikkelt. Het woord herinnert ons aan Rom. 7: 25: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere. Ook aan Ps. 91: 6: Gij zult niet vrezen ... voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt, voor het verderf, dat op de middag verwoest (zie ook Deut. 32: 24). Maar Christus heeft teniet gedaan degene, die het geweld des doods had, dat is de duivel en verlost al degenen, die met vreze des doods door al hun leven der dienstbaarheid des doods onderworpen waren (Hebr. 2: 14. v.). Nu kan de dood geen kwaad meer doen. Het is een onbegrijpelijk wonder van genade als de apostel hier de dood uitdaagt en tart. Hij zal de dood verslinden tot overwinning (Jes. 25: 8, waar de Kanttekening van de Statenbijbel luidt: alzo heeft de apostel deze woorden genomen 1 Cor. 15: 54; anderen, in eeuwigheid of eeuwiglijk; deze laatste vertaling vindt men in de Nieuwe Vertaling). Door de dood en de opstanding van Christus is de dood van karakter veranderd voor ieder, die Christus mag kennen als de opstanding en het leven. De Catechismus vraagt: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, dat wij ook sterven moeten? En het antwoord luidt: Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving der zonden en een doorgang tot het eeuwige leven. In een sermoen over de voorbereiding tot het sterven (1519) schrijft Luther: u zie, wat moet God u meer doen opdat gij de dood gewillig aanvaardt, niet vreest en overwint? Hij geeft u in Christus het beeld des levens, der genade en der zaligheid, opdat gij u voor het beeld des doods, der zonde en der hel niet ontzet. Hij legt daartoe uw dood, uw zonde en uw hel op de geliefde Zoon en overwint ze voor u, maakt hen onschadelijk voor u. Hij laat uw aanvechting des doods, der zonde en der hel ook over Zijn Zoon gaan en leert u daaraan u te houden en maakt ze onschadelijk en ook verdragelijk — 'Als iemand niet gelooft, dat de dood is vernietigd laat hem zien naar de martelaren, die vrolijk opspringen in de tegenwoordigheid van de dood en die jubelende toon van de overwinning van Christus laten horen O, het wonder: Sinds het uur, dat Christus het dodenrijk leegplunderde, hebben mensen gedanst in triumf over de dood' (Gregorius Thamaturgus). Ligt hier geen verband met ziekte en een troost in dagen van ziekte voor wie de Heere vreest?
Zonde en ziekte
De schrijver maakt een sterke scheiding tussen ziekte en lijden. Het lijden wordt als het goed is met vreugde gedragen. Ziekte niet. Lijden behoort bij de nieuwe wereld, die overal botst met de oude. Ziekte behoort tot de oude wereld. Ziekte mag ik eenvoudig dood verklaren om Christus' wil. Hierbij wil ik toch wel enige kanttekeningen maken, mede in verband met het in de voorgaande alinea geschrevene. Ziekte is een moment in het grote levensleed, dat van dag tot dag in deze wereld wordt meegemaakt. De Schrift leert ons, hoe de gehele schepping door de zonde is verstoord en in ellende en verderf is gestort. Om der zonde wil is de ganse schepping aan de ijdelheid onderworpen (Rom. 8: 20). Bengel tekent hierbij aan: Adam heeft de schepping aan het verderf prijsgegeven, maar God heeft haar daaraan onderworpen. Maar om Christus' wil is het lijden van deze tegenwoordige eeuw — en dat lijden mogen wij niet beperken tot lijden om de wil van Christus — niet te waarderen tegen de heerlijkheid die geopenbaard zal worden (Rom. 8: 18). En nu hunkert de schepping vol heimwee naar de vrijmaking van de dienstbaarheid des verderfs.
Om Christus' wil de vloek uit de nood
In ons gehele leven komen wij allen op enigerlei wijze met die nood in de schepping en van de schepping in aanraking. Niet voor niets spreekt Paulus v^n ons vernederd lichaam (Filippenzen 3: 21). Dat woord vernederd herinnert ons aan de 'schamelijkheid van ons aardse leven (Bouwman), aan de zwakheid van ons lichamelijk-aardse bestaan. De ontluistering van de gevallen wereld komt uit in ons lichaam, dat aan allerlei ellende is onderworpen. Maar daar eindigt Paulus niet, want hij gelooft, dat de Heere dat vernederde lichaam (men vertaalt ook wel: ons armzalige leven) veranderen zal gelijk-vorm-ig zal maken aan het lichaam der heerlijkheid van Christus. Wie deel heeft aan het lijden van Christus en de verzoening door Zijn bloed mag weten, dat de prikkel uit de dood weg is, maar niet alleen uit de dood, maar evenzeer 'uit alle tegenspoed en kruis dat ons vanwege de zonde toekomt' (formulier van het huwelijk). Voor wie God vreest is de prikkel uit de ziekte weg. De prikkel der ziekte is de zonde; de vloek is eruit door Hem, die de ongerechtigheid van Zijn volk heeft verzoend. En daarom spreekt de nood van ziekte van de openbaring van het nieuwe leven, door Christus, die de smarten des doods ontbonden heeft (Handelingen 2: 24; hetzelfde woord wordt gebruikt in 1 Thess. 5: 3 van de geboorteweeën). De prikkel is uit de ziekte; daarom kan Calvijn die zelf zo veel geleden heeft van ziekten en kwalen aan mevrouw De Coligny schrijven: De ziekten moeten ons als medicijnen dienen om ons te reinigen van de genegenheden der wereld en om af te snijden wat in ons overbodig is. Daar zij boodschappers zijn van de dood moeten wij leren één voet omhooggeheven te hebben om op te breken als het God zal behagen (aangehaald naar Kraan, die toch met dit woord van Calvijn niet best overweg kan).
Over berusting
Ik kan mij niet begrijpen, dat de schrijver (die hierin echt niet alleen staat) met zulk een klem de gedachte van berusting verwerpt. In het 'traditionalisme' (ik zet dit woord maar tussen aanhalingstekens; ik vind het maar een vrij ongrijpbaar begrip en een kwalificatie, die de 'traditionalisten' onmiddellijk buitenspel moet zetten) is een wondervlucht en in aanvechting en teleurstelling zegt men: ik moet berusten in Gods wil. Ergens schrijft de auteur over een fatale identificatie van de gegeven werkelijkheid met Gods wil. Ziekte is volgens de schrijver Gods wil niet. Daarom verwerpt hij ook de formulering van de Heid. Catechismus over de Voorzienigheid Gods. Niet de ziekte maar de genezing komt ons uit Gods Vaderhand toe. Hij aanvaardt ook niet de belijdenis, dat ieder mens op Gods tijd sterft. Berusting is een heidens woord, meent de schrijver.
Het gaat mij niet om het woord berusting, dat stel ik voorop, maar uit de verwerping van bijvoorbeeld het vrome antwoord van de Catechismus blijkt, dat hier meer achter zit. Ik krijg de indruk dat men dit woord verwerpende de zaak van het eens willend zijn met de Heere niet geheel of geheel niet aanvaardt. Dat men het woord berusting in heidense zin soms gebruikt, dat is niet te ontkennen. Er is een doffe, dode berusting, waarachter meer noodlotsgedachte dan waar geloofsvertrouwen schuilt. Maar is er niet menig direct-bijbels woord, dat in verkeerde zin kan worden verstaan? Neem het woord lot: Gij onderhoudt mijn lot (Ps. 16: 5, vert. N.B.G. mijn erfdeel); of Jes. 17: 14 Dit is het lot dergenen, die ons plunderen (N.B.G. heeft hier ook het woord lot). Ik wil het woord dus niet gaan ontleden, al wil ik wel herinneren aan het Duitse beruhen en beruhigen. Als van een christen berusting wordt gevraagd in dagen van ziekte en zorg, dan is die berusting niet dezelfde als van de man, die in zijn vonnis berust — om allerlei motief — hij ziet geen heil in hoger beroep en neemt zijn verlies maar. In berusten zit rust en dat is een bijbels begrip. Berusten zou naar ongeloof tenderen en het zou zo gemakkelijk zijn. Maar dat is niet waar. Berusting betekent rust vinden bij de God mijns levens, overgave van mijn hele leven aan Hem, die machtig is mij uit zo grote nood en dood te verlossen. Berusting vloeit voort uit de levende beoefening van het Woord van Gods beloften, vermaningen en vertroostingen. Bedoelt de psalmist iets anders als hij zegt: Zo ik mijn ziel niet (stil)gezet en stil gehouden heb als een gespeend kind bij zijn moeder (Ps. 131: 2, beruhigt, vertaalt Kittel). Wat een rust en vrede! Bedoelt de psalmist iets anders in het woord: Immers is mijn ziel stil tot God (Ps. 62: 2). Mijn geest vindt rust bij God alleen (zo vertaalt Van der Ploeg). En straks vermaant hij zichzelf tot die rust (Ps. 62: 6). En dat stil zijn sluit de hoop niet uit, integendeel: Van Hem is mijn verwachting. Zo rust vindende bij zijn God is het de psalmdichter wonderlijk te moede, hij is het met God eens geworden. Moffatt vertaalt: Leave it quietly to God, my soul. Wat een berusting, overgave, als ik met mijn nood — welke die ook mag zijn — bij Hem mag schuilen, mijn steenrots, mijn burcht, mijn heil. Ik heb er dan ook geen enkel bezwaar tegen om de gemeente te laten zingen: Dat Isrel op den Heer vertrouw. Zijn hoop op Gods ontferming bouw en stil berust in Zijn beleid, van nu tot in all' eeuwigheid (Ps. 131: 4), of: Mijn ziel, hoe treurt gij dus verslagen. Wat zijt g'onrustig in uw lot? Berust in 's Heeren welbehagen. Hij doet welhaast uw heilzon dagen (Ps. 43: 5). En daarbij weet ik best, dat het woord in de onberijmde psalm niet voorkomt.
*) Naar aanleiding van dr. K. J. Kraan, 'Opdat u genezing ontvangt'; 572 blz. Uitg. Gideon, Hoornaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's