Gebed en genezing 3
Uit Gods hand aanvaarden
Ook de gedachte, dat ziekte en andere nood aanvaard moet worden, wordt door dr. Kraan in zijn boek 'Opdat u genezing ontvangt', waaraan we al aan één en ander aandacht besteedden, afgewezen. De schrijver zegt: Aanvaarden, ja, maar dan onder protest. Dat betekent niet anders dan niet aanvaarden, dan verzet.
Hier is geen rust en geen vrede. Dat wij hier staan voor een ondoorgrondelijk geheim van Gods leiding en Gods regering, dat is buiten kijf. Er is geen doorgronding van Zijn verstand (Jes. 40). Maar het boek Job is niet voor niets geschreven. Als deze man alles uit handen geslagen wordt, als zijn vrouw tegen hem zegt: Houd je nog langer vast aan je oprechtheid? Zie nu eens, of je voor die vroomheid wat koopt! Als zijn vrouw hem ertoe wil brengen om Zijn God ongerijmde dingen toe te schrijven, dan zegt Job niet: Wat ben je een dwaas. Hij zegt: Je spreekt als een zottin. Hij verstaat iets van de nood en de aanvechting van zijn arme vrouw. Augustinus noemt haar een helpster van de duivel en een geestelijke zuster van Eva. Jobs vrouw zegt: Maar dat neem je toch niet? Maar Job getuigt van zijn onderworpenheid aan de God zijns levens: Zou ik het goede uit de hand des Heeren ontvangen en het kwade niet ontvangen? Ontvangen, dat is aanvaarden. Goed en kwaad — en dat uit Gods hand. En leg dan niet daar een tegenstelling door te zeggen, dat Job met zijn lippen niet zondigde, maar dat hij van binnen kookte. Dat is verkeerd gezien. Uit de overvloed des harten spreekt zijn mond. Wie God vreest valt in zijn beste tijden Job bij, hoezeer hij ook aangevochten zal worden. Van de Heere het goed, onverdiend en van de Heere het kwaad - en dat wel verdiend - en dat kan geen kwaad doen want de prikkel is eruit.
Ik weet, dat Gij mij uit enkel getrouwheid — en uit enkel liefde — verdrukt hebt. Hoe menigeen heeft in diepe nood en zware spanning deze woorden van de psalmisten en van Job nagebeden! Dan wordt in de nacht geroemd in des Heeren goedertierenheden!
Over lijdzaamheid
In dit verband herinner ik woorden als lijdzaamheid en geduld en onderworpenheid, die menigmaal in de Schrift voorkomen. Gij hebt lijdzaamheid van node. Wees geduldig in de verdrukking. Hoewel dikwijls bij verdrukking aan vervolging en lijden om Christus' wil gedacht moet worden, het is niet juist een vermaning als wees geduldig in de verdrukking tot dit lijden te beperken. Als Paulus schrijft over zijn leven als dienaar Gods — en daarbij spreekt hij niet alleen voor zichzelf — opdat de bediening niet gelasterd worde, dan spreekt hij van verdrukking, van noden, van benauwdheden (2 Cor. 6: 4; vergelijk 11: 23 v.v.). Wij roemen in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt en de lijdzaamheid bevinding en de bevinding hoop (Rom. 5: 3). Dat geldt van de smaadheden en vervolgingen om de zaak van het Evangelie, maar dat geldt in de grond der zaak van alle noden en benauwdheden. Greydanus tekent bij deze plaats aan: 'alle moeiten, vervolgingen, ontberingen en benauwdheden, die de gelovigen op aarde moeten lijden'. Wat werkt dat uit? Lijdzaamheid en geduld, dat is heel wat anders dan aanvaarding onder protest. En dat is niet een algemeen menselijke ervaring, maar God geeft als een genadegeschenk van de hemel lijdzaamheid en geduld, volharding achter de Heere aan, d.i. letterlijk vertaald: eronder blijven. Hierbij denk ik aan het woord: Die ons hiertoe bereidt is God (of ook wel vertaald: Wie ons hiertoe brengt), die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft. Paulus roemt in de verdrukking (Rom. 5: 3, dat betekent, dat hij de lof des Heeren zingt niet maar ondanks de verdrukking — dat zou al groot zijn —, niet maar middenin de verdrukking — dat is een wonder van genade als de mens zelfs in de nacht de lof des Heeren mag zingen, maar hij roemt over de verdrukkingen en dat is een wonder boven wonder. De God van alle vertroosting is machtig om die genade te schenken in alle benauwdheid, ontbering en nood.
Dat is wat anders dan aanvaarding van de nood van ziekte onder protest. Men krijgt wel eens de indruk als over de machten — chaosmachten, zoals men dan schrijft — en hun kracht geschreven wordt, dat die ons leven beheersen, dat die de dag van onze dood bepalen, alsof die naast God staan in plaats van onder hem. Alsof er niet staat: Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen. Hij is een leeuw, die rondgaat zoekende wie hij zou kunnen verderven, maar hij is een leeuw aan de ketting, die het altijd weer aflegt tegen de Leeuw uit de stam van Juda.
De belijdenis van de regering Gods komt telkens weer aan de orde. Ook ziekte gaat niet buiten God om. Wie God vreest mag weten, dat geen haar van zijn hoofd kan vallen. Onze onwetendheid ten aanzien van Goddelijke regering en het souverein bestel van de Allerhoogste over het leven weet ik niet anders te formuleren dan met de typische zegswijze van Augustinus: Er gaat veel tegen Gods wil in, maar er geschiedt niets buiten Gods wil om. De Heere regeert in souvereine majesteit en naar Zijn vrijmachtig welbehagen. Zijn wil is de oorzaak van alle dingen. Zijn voorzienig bestel gaat over alle dingen en wie zal zeggen: Wat doet Gij? Wij zijn als leem in handen van de Pottebakker. Zelfs over de verborgen raadslagen des harten gaat Zijn regering.
Uit Gods hand leven
Daarmee maken wij de leer van de voorzienigheid niet tot een gesloten systeem van wereldregering! Maar wie God vreest heeft hier wel een zalig houvast en een hemelse bemoediging. In dagen van ziekte en zorg, ook in tijden van vreugde en welzijn. Alles uit de hand des Heeren ontvangen! Het is jammer, als men de Catechismus (zondag 10) in deze afvalt, die spreekt van: in tegenspoed geduldig en in voorspoed dankbaar en voor de toekomst een goed toevoorzicht op onze ge trouwe God en Vader, dat ons geen schepsel van Zijn liefde scheiden zal. Er groeit een geslacht op, dat zo weinig geestelijke bagage meekrijgt, dat het geen verwondering kent over de goedheid Gods, die elke dag de zon doet opgaan en wiens goedertierenheden iedere morgen nieuw zijn. Uit Zijn hand ook ziekte! Het is maar een vreemde redenering, die ik in dit boek aantrof, waarin naast vele goede dingen ook te lezen valt, dat als de ziekte van God komt, je bij ziekte ook maar niet naar de dokter moet gaan om hulp en raad. Dat is even vreemd als de redenering: Waarom zal ik nog werken voor mijn dagelijks brood, als ik het van de Heere alleen moet ontvangen. Het gevaar is er zonder twijfel, dat wij niet als Asa in dagen van ziekte meer op de dokters en op de medische wetenschappen vertrouwen dan op de Heere, onze Heelmeester. De Ned. Gel. Belijdenis spreekt ten aanzien van de voorzienigheid over een onuitsprekelijke troost, die het stuk van de Voorzienigheid Gods ons brengt:
'En aangaande wat Hij doet boven het begrip van het menselijke verstand dat willen wij niet curieuselijk onderzoeken meer dan ons begrip verdragen kan, maar wij aanbidden met alle ootmoed en eerbied de rechtvaardige oordelen Gods, die ons verborgen zijn, ons tevreden houdende, dat wij leerlingen van Christus zijn om alleen te leren hetgeen Hij ons aanwijst in Zijn Woord zonder deze palen te overtreden.' Er is niets wat zo maar in ons leven geschiedt: het komt alles uit de hand des Heeren. En alles moet eerst de Heere passeren voordat het in mijn leven terecht komt. Wat een voorrecht daarbij te leven! Dan zegt David — zeker in een ander verband en in geheel andere omstandigheden — Laat mij maar in de hand des Heeren vallen. Wel zijn er machten, maar zij zijn niet de baas.
Ik ben bang voor redeneringen, waarbij aan het schepsel een zelfstandigheid gegeven wordt tegenover en naast de Schepper. In de Schrift klinkt het telkens: Ik de Heere, doe alle deze dingen. In de gehele geschiedenis van Gods kerk wordt waar, wat de psalmist zegt: Gij hebt ons beproefd, o God, Gij hebt ons gelouterd, gelijk men zilver loutert; wij waren door het vuur en het water gegaan, maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verkwikking (Ps. 66: 10 v.). Maar door alle benauwdheid voerde de Heere de ruimte in! De psalmist blijft niet staan bij de vijanden, die Israël hebben verdrukt, maar hij ging hogerop: Gij hebt de mens op ons hoofd doen rijden. Zoals elders (Jes. 48: 10): Ik heb u gekeurd in de smeltkroes der ellende. Het komt van Mijn hand, zegt de Heere, zoals ook in het Nieuwe Testament als van de doorn in Paulus' leven gesproken wordt de apostel op de hand des Heeren ziet: zo is mij gegeven een scherpe doorn; gegeven, dat wijst heen naar Goddelijke beschikking (2 Cor. 12: 7). Men ontkent soms (ook dr. Kraan), dat hier sprake is van ziekte (toch is dat m.i. een van de beste veronderstellingen), maar al zou dat zo zijn, dan worden wij er telkens weer aan herinnerd, dat 'Gods wil de oorzaak is der dingen'. In dit licht bezien krijgt alle moeite in het leven van de mens een andere kleur. Gelukkig wie in moeilijke dagen leert vragen naar Gods bedoeling, wie iets ziet van de hand Gods in de dingen, die over ons komen en wiens verwachting van Hem alleen is. Niet alleen in dagen van ziekte, maar in alle tegenspoed en kruis.
Huizen Bt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's