Boekbespreking
Harvey Cox: 'De verleiding van de geest'. Persoonlijke overdenkingen over gebruik en misbruik van de religie. Uitgeverij Ambo b.v. Bilthoven; 294 blz.; ƒ 20, —.
Harvey Cox, de man van 'De stad van de mens', bestseller in Amerika. Het is verbazend door hoeveel theologieën (o.a. die van Bonhoeffer) en ideologieën (Marx, Freud, enz.) deze briljante schrijver is heengekropen. Het is verbazend en imponerend, hoe machtig hij in dit nieuwe boek de verschijnselen, die zich aan zijn geest voordoen, weet te modelleren en combineren en er zijn weg doorheen zoekt. Een geraffineerd knap boek. Maar wat Cox in dit boek biedt, is weinig minder dan wat hij blijkens de titel van zijn boek wil bestrijden: een complete verleiding van de geest. Men zou zich kunnen verheugen over de rigoreuze aanpak van de machtsstructuren (de dirigenten van de samenleving, van de concurrerende en consumerende maatschappij, met zijn uitbuitende communicatiemiddelen). Cox laat er geen spaan van heel. En om redenen van machtsmisbruik heeft hij in deze mijn fiat. Maar hij heeft het bepaald niet vanwege zijn diepste 'Anliegen', nl. zijn utopie van de vrije mens (ieder mens), die als partner van God recht moet hebben op evenveel inspraak als zijn buurman (Ik wil niet door de politie achterna gezeten worden). Het is de utopie van een nieuwe wereld, niet zoals die verwacht wordt door een calvinist als Ellul, die in 'epimetheïsche' gelatenheid de dingen schijnt te aanvaarden, maar van een wereld, waarin een mens smullen kan naar hartelust, ook van God. En dat smullen van God is bij Cox kennelijk weinig anders dan een inleving van eikaars religieuze ervaringen en getuigenissen met een maximum aan mogelijkheden voor een eigen mystieke ervaring van het heilige. Daarbij speelt b.v. het Zen-boeddhisme ook zijn waardevolle partij. Als 't maar echt is, en persoonlijk. Als 't maar innerlijkheid met zich meebrengt, of dat nu op een byzantynse paasviering in Boston is of bij een sensitivitytraining, waarbij wij met zijn vijftienen naakt in een badkuip springen en elkaar betasten. Harvey Cox heeft zijn Bonhoeffer-periode (met een poging om het Evangelie niet religieus te interpreteren) blijkbaar overleefd, maar hij is inmiddels wel in handen gevallen van de verleidende geest, die wanhopige mensen doet wegvluchten in zalige, mystieke ervaringen en hij meent ons duidelijk te mogen maken, dat men voor dit soort dingen de naam van God en allerlei teksten uit de Bijbel gebruiken kan. Het heeft in ieder geval niets meer te maken met het christelijk geloof, dat hangt aan de openbaring van de levende God. Cox wil advocaat zijn van de mens door te luisteren naar het zingen en snikken van de religies der armen (een soort revolutionaire mystiek), maar hij voert in feite de mens op een doodlopend spoor door zijn pogingen om uit het diepst van die mens met een knappe hoeveelheid socratische wijsheid de waarheid tevoorschijn te toveren. Dat heeft met piëtistische vroomheid, waar Cox van huis uit het één en ander van weet, niets te maken. Deze spel-theologie van Cox (theologie o.a. als 'de draak steken') is een narrenwijsheid, die oneindig ver verwijderd is van een theologie, waarin de enige dienenswaardige God, die alleen gezag heeft met Zijn Woord (= de Bijbel), gediend wordt door de mens, die zichzelf als een bedorven schepsel heeft leren kennen. De bevrijding van de mens, die Cox propageert, zal er wel een zijn, die moderne jongeren aanspreekt, vooral als ook het gezin (kerngezin, zegt Cox) het bij deze schrijver moet ontgelden. (Man, heers over de vrouw!). Maar dit soort bevrijding is per definitie niets anders dan: een ieder doe, wat goed is in zijn ogen. Eén ding kan men van Cox in elk geval niet zeggen, nl. dat hij een piëtistische bijbelopvatting heeft. En dat zal wel de reden zijn, waarom hij de Schrift zo naar zijn hand weet te zetten, dat het lijkt, alsof Jezus nooit iets anders heeft gezegd dan hij. Met een mythisch verhaal kan men tenslotte vele kanten op. Wij hebben echter zulke gewoonten niet. En daarom kunnen we dit soort lectuur alleen maar aanbevelen ter lezing, omdat we tenslotte ook nog een keer duidelijk moeten weten, hoe het niet moet.
Wageningen C. den Boer
Mitko Matheeff: Terreur in het rode paradijs. (Tragedie der Bulgaarse christenen). Uitg. De Banier B.V., Utrecht; 176 blz.; prijs ƒ 11, 90.
Dit boek leent zich nauwelijks voor een bespreking. Het is het levensverhaal — liever: het geloofsgetuigenis van een baptisten-predikant die jarenlang verdrukking en vervolging geleden heeft om Christus' wil en die na zijn vlucht in 1971 het als zijn roeping heeft gezien het Westen een indruk te geven van het lijden en strijden van de Ondergrondse Kerk in Bulgarije.
Het boek geeft eerst een overzicht van het ontstaan van het protestantisme in Bulgarije en van het begin van de terreur tegen de christenen. Een geheel hoofdstuk is gewijd aan het beruchte predikantenproces in Sofia van 1949, waar de auteur zelf één van de vijftien veroordeelden was. Ongelooflijk en onbeschrijfelijk zijn de martelingen die hij daarna in zijn gevangenschap moest doorstaan. De vervolging van de Rooms-Katholieke Kerk komt daarna in een afzonderlijk hoofdstuk ter sprake. Uitvoerig schildert de schrijver tenslotte de situatie in de Bulgaarse Kerk op dit ogenblik. Het is het sombere relaas van toenemende druk van het communisme, van uitstervende gemeenten en van in armoede levende predikantsgezinnen. Maar door dit alles heen klinkt toch de geloofsverwachting dat ook in Bulgarije de poorten der hel de gemeente van Christus niet zullen overweldigen.
Na lezing van dit boek weten we eigenlijk niet waarover we ons het meest moeten verwonderen. Over de inquisitiemethoden van het communisme, die zeker niet onderdoen voor die van Rome in de tijd van de Reformatie; óf over de geloofsmoed en de standvastigheid van de Bulgaarse christenen, die dit alles met zoveel geduld dragen; óf over de wonderen van God, die door Zijn Geest fanatieke communisten tot inkeer en bekering bracht, mede door de houding van de verdrukten en vervolgden. Maar misschien moeten we nog wel het meest verbijsterd zijn over de lauwheid en de onverschilligheid van ons, hier in het vrije Westen, waar bijvoorbeeld de Wereldraad van Kerken doet alsof er achter het ijzeren gordijn niets aan de hand is, en waar wij zelf ons veel te weinig bekommeren om het lot van de Ondergrondse Kerk.
'Boeken als dit' — aldus prof. dr. G. Quispel in zijn Woord Vooraf — 'zijn nodig om de gemeente te alarmeren en wakker te schudden uit de doodslaap waarin zij is gebracht. Het is zeer deprimerend boeken over de Kerk achter het IJzeren Gordijn te lezen, niet alleen omdat blijkt dat het communisme veel erger is dan wij dachten, maar ook omdat wij gaan inzien dat de leiders der Kerk in Oost en West ons misleid hebben. Het is een beproeving voor het geloof.'
Het is jammer dat de vertaling naar mijn smaak zo stroef en houterig is. Blijkbaar is de vertaler zó letterlijk te werk gegaan dat het gewoon geen Nederlands is, maar vertaald Duits! Daardoor wemelt het boek ook van de germanismen. Ik noteerde er slechts een paar: 'behielden de bovenhand' (blz. 11); 'zich bijeen hebben gesloten' (blz. 30); 'zich als christenen bekennen' (blz. 116); 'naar een godsdienst meenemen' (blz. 119); 'met gevangenis bestraft' (blz. 126); 'zich bekennen tot een religie' (blz. 137). Men kan met recht vragen of dit iets afdoet aan de inhoud. Maar men kan met evenveel recht vragen waarom aan de vorm niet meer aandacht en zorg is besteed.
Ridderkerk W. van Gorsel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's