'Het arme Gooiland'
Een honderd jaar oude kroniek
Het is dit jaar honderd jaar geleden dat de eerste trein ging rijden in het Gooi. Het is curieus kennis te nemen van een artikel uit het tijdschrift 'Stemmen voor waarheid en vrede', dat in dat jaar verscheen. Een nieuw verschijnsel, waarmee we nu zo door en door vertrouwd zijn was toen object van bezinning en discussie. Met name de gevolgen voor de zondagsrust werden gesignaleerd. Het lijkt ons aardig de lezers van enkele passages kennis te laten nemen.
'Sinds eenige dagen ijlt de spoortrein nu ook door het stille Gooiland. Welk een genot en gemak werd daardoor weder verschaft, vooral aan de bewoners van onze hoofdstad, die nu, in weinige minuten de masten van het Oosterdok voor hun oogen vervangen zien door de fraaie mastbosschen van de Vuursche. Welk een stroom van menschen zal zich over die streken dag aan dag, zoo lang het zomert, en vooral des Zondags uitstorten. En dat niet alleen; reeds spreekt men van villa's, die men in de nabijheid van de spoorbaan bouwen wil, en zoo wordt ook het Gooi gemoderniseerd. Arm Gooiland!
Waarom arm? Ziet er zijn oogenblikken, waarin ik den spoorwagen haat. Ginds nadert de locomotief met tender en trein over de kronkelende rails. Alle seinen zijn in orde, dus kan hij 't station naderen; zie eens, hoe de conducteurs te voorschijn treden uit coupé en waggons, en gereed staan op het trottoir of perron te springen, zoodra de machinist de vaart van zijn voertuig genoegzaam zal getemperd hebben. De stations-chef overziet gaanden en komenden, en de mannen van 't goederenbureau staan gereed om te laden en te lossen, terwijl wachtkamer en salons geopend staan, en het billetten-loket gesloten wordt. Wat al uitheemsche woorden, en welke nieuwe toestanden! Wel werd het Gooi veel bezocht, doch nu zal niet alleen het aantal maar ook het gehalte aanzienlijk gewijzigd worden van hen, die daar komen om de heide te zien golven en de boekweit te zien bloeien. Ik zwijg van de bezoekers, die op een werkdag verschijnen, maar ik denk aan de zwermen, die een locomotief des Zondags 'in zijn staart' meê voert. Om allerlei redenen, om maatschappelijke en godsdienstige vooral, is dat reizen voor genot op den Zondag ten zeerste af te keuren.
Het is reeds dikwerf betoogd, en wij zullen dat betoog hier niet herhalen, maar arme Gooilandsche dorpen, die vooral langs de wegen, uitlopende op uw stations, voortaan elken Zondagmiddag die opgewonden, joelende scharen mannen, vrouwen en kinderen zult moeten dulden, om wier wille het aantal uwer herbergen vermeerderd, en uw Zondagsrust bedorven worden zal. Neen zij brengen geen welvaart. Zij verlokken u, om de kerk te verzuimen, uw winkel te openen, uw sabbathsstemming te verloochenen. Zij zondigen en doen zondigen.
Wanneer zal er toch eens een rustdag zijn voor onze medemenschen, die een betrekking hebben 'aan 't spoor? Voor baanwachters, machinisten, stokers, conducteurs, voor het personeel, dat over de goederen gesteld is; in één woord voor nagenoeg alle beampten is er nooit een vrije Zondag. Wel hebben zij op hun beurt een dag, die zoogenaamd vrij is, maar bijna altijd moeten zij dan optreden (inspringen is de term) voor een zieke of afwezige, en weken gaan weer voorbij, eer zij aan een Zondag kunnen denken die hen niet van 's morgens 5 uur tot 's avonds 11 of 12 uur in beslag neemt.
Dat zou men ook kunnen noemen: europeesch slavenleven. Zulke mannen zien hun kinderen bijna nooit, zij verrichten machinaal hun werk, vervreemden van God en gaan zedelijk onder. Dat zullen de commissarissen en bestuurders der spoorwegmaatschappijen verantwoorden moeten voor God; zij, die zelfs de goederentreinen op den Zondag laten loopen, en om een groot dividend te gewinnen de zielen hunner ondergeschikten laten omkomen. Waarom het voorbeeld van Engeland niet gevolgd? Op den Zondag moet mensch en dier kunnen rusten. Dan behoort de man bij zijn vrouw en de vader bij zijn kroost. Zulks moest een ieder worden mogelijk gemaakt. Door slechts de treinen die brieven vervoeren te doen rijden, en voorts alles rust te gunnen, zou een getuigenis worden afgelegd van de liefde der Maatschappijen voor haar onderhoorigen, van haar eerbied voor het bevel van God. Ook zou zij er duizenden een weldaad door bewijzen. Met den grootsten nadruk richten wij dezen wensch tot allen, die onze spoorwegmaatschappijen beheeren, en onder wie er velen worden aangetroffen, die in andere dingen en kringen den Heer ondubbelzinnig belijden. Of wij het Gooiland geluk moeten wenschen met het vooruitzicht van weldra overal die sierlijke, lichte getimmerten te zien verrijzen, welke men villa's noemt, is te betwijfelen, reeds de manier waarop, de haast, de valsche schijn, waarmee deze on-nederlandsche woningen te voorschijn getooverd worden, bederft den zin voor degelijkheid. Niemand begrijpt hoe men voor zulk een 'doorluchtig' woonhuis zulke hooge huurprijzen opbrengt — tenzij dan dat men zich in tijds bedenke, hoe de wereld wil bedrogen worden. In die woningen is het nooit en nergens stil. Gij hoort er in de keuken de pianino, waarop de dochter des huizes de jongste Bouquet de melodies of potpourri beproeft, en in de woonkamer hoort gij er de stem der gedienstige, die het allerjongste volkslied aanheft. Gelegenheid tot afzondering, tot degelijken arbeid is er niet. Door zijn wijze van leven, verlokt men alle verhuurders en verkoopers tot het bedingen van de hoogste prijzen, en is men oorzaak, dat het geld goedkoop en voorts al het andere duur wordt. Waarin bestaat dan het voordeel, dat die gepleisterde villa's met haar nomadenbewoners aanbrengen? Op stoffelijk gebied is dat voordeel niet aan te wijzen, en op zedelijk gebied is het zeker ook niet groot. De ongestadigen onder de dusgenaamde 'opgezetenen' laten zich aan een gemeente niets gelegen liggen, in welker midden zij toevallig neerstreken; zij bezoeken de kerk niet; ondersteunen de armen niet; houden den Zondag niet, en werken er toe meê, dat een eenvoudige, landelijke bevolking vervreemdt van de goede, oude levenswijze, en besmet wordt door de minst prijselijke gewoonten van onze groote steden.
Het spreekt vanzelf, dat ook hier uitzonderingen zijn op den regel; dat onder het dak van meer dan één villa, ook in het Gooiland, wel gezinnen zich vestigen zullen, die God vreezen en tot een zegen zijn, waar zij zich bevinden; maar er blijven uitzonderingen, en als ik denk aan Ooster-Spoorweg en villa's, dan kan ik niet nalaten bij mij zelf de verzuchting te herhalen: 'Arm Gooiland!'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's