Een nieuwe dogmatiek van Berkhof 4
We komen nogmaals terug op de vragen die Berkhofs behandeling van het Schriftvraagstuk oproept. Op blz. 94 gaat de schrijver in op de taak van de theologische hermeneutiek, de leer van het uitleggen dus. Deze dient als hulpwetenschap om het dubbele proces van terugkoppeling en doorvertaling naar het heden toe zo zuiver mogelijk te laten verlopen. Wij moeten, aldus Berkhof, onderscheiden tussen het gezegde en bedoelde, tussen de verschillende bijbelschrijvers en boeken, en tussen toen en nu.
Vertolking
Nu kunnen we in het Schriftgetuigenis zoals het met het oog op dat hier bovengenoemde drievoudige onderscheid verstaan wil worden, vier kringen onderscheiden:
a) Het onmiddellijk getuigenis aangaande God en Zijn woorden en daden waarin Hij zich reddend openbaart. Voorbeelden: het verhaal van uittocht en intocht, de opstanding van Jezus enz.
b) De inzichten die direct op dit getuigenis berusten en er de consequentie van zijn, zoals de belijdenis van de schepping of het eeuwig leven.
c) De voorstellingen die deze inzichten beeldend uitdrukken zonder dwingend verband met die inzichten. B.v. de verschillende scheppingstradities, voorstellingen aangaande het eschaton, hemel, hel en duivel.
d) De voorstellingen die wel betrekking hebben op de drie genoemde kringen, maar uit een andere traditie voortkomen, zoals de offercultus, de positie van de vrouw, etc.
U begrijpt dat dit consequenties heeft. Zeker, Berkhof brengt ook hier een aantal reformatorische zekeringen aan. Maar dat neemt toch niet weg dat de mens met God samen beslist wat er gezegd en geloofd moet worden. De offercultus b.v. behoort niet tot het onmiddellijk getuigenis aangaande God en Zijn daden. Dat moet zich wel wreken in de verzoeningsleer. Het element van de tijdgebondenheid kan op die wijze gemakkelijk ingevoerd worden. De maagdelijke geboorte wordt in zijn betekenis geminimaliseerd, waarbij Berkhof uitgaat van het feit dat deze slechts op enkele plaatsen voorkomt. In de benadering van de Schrift, anders gezegd: in wat voor ons gezaghebbend is, heeft de mens, de cultuurwereld waarin hij leeft een grote inbreng.
Doorvertalen
Ook de grenzen tussen Schrift en traditie worden bij Berkhof vloeiend. De Schrift zelf is immers een bloemlezing van vertolkingsmodellen die niet moeten worden gerepeteerd maar een uitnodiging en gebod zijn om in het traditieproces doorverteld en doorvertaald te worden met het oog op latere tijden en situaties.
Wat dat 'doorvertalen' met het oog op latere situaties betekent kan het beste concreet gemaakt worden aan enkele voorbeelden. Op blz. 391 spreekt Berkhof over het diakonaat. Moet dat zich op de gemeente richten of op de wereld? Berkhof wijst erop dat de aandacht zich van de gemeente verschuift naar de wereld. En Gal 6: 10 dan? Weldoen aan allen, inzonderheid de geloofsgenoten? 'Omdat God de wereld liefheeft, kan het accent in deze tekst bij gewijzigde omstandigheden ook verlegd worden'. Men lette op dat: bij gewijzigde omstandigheden!
Op blz. 167 lezen we dat de bijbelse scheppingsconcepties secundair zijn. Bijbelse scheppingsuitspraken zijn geen directe uitspraken voor een bijbelse scheppingsleer.
Op blz. 172 wordt gesproken over de wonderen. De Bijbel is ontstaan in een tijd, waarin de werkelijkheid als 'open' beleefd werd, zodat zich rondom Gods verrassend handelen een hele krans van miraculeuze legenden kon vormen. Vraag: Wie geeft de auteur het recht zo te spreken? En hoe kan Berkhof zeggen: De vraag naar de echtheid van bepaalde bijbelse wonderverhalen zal zoveel mogelijk met de middelen van de literaire kritiek moeten worden uitgezocht.
Op blz. 176 wordt de klassieke gedachte van een staat der rechtheid afgewezen. Het argument is: de historische kritiek heeft dit denkpatroon afgebroken. De scheppingsverhalen zijn ingebed in de verbondsgeschiedenis.
Op blz. 179 v. gaat het over zonde, lijden en dood. Berkhof wijst erop hoe in de klassieke dogmatiek gewerkt werd met Gen. 3: 17—19 (paradijsvloek) en de interpretatie van Paulus uit Rom. 5. Maar zo zegt hij, beide schrijvers probeerden met de hun ten dienste staande middelen van wereldbeeld en taal uitdrukking te geven aan het verband tussen mens en omgeving. Wij kunnen dat niet meer zo meemaken. Voor ons ligt er een tragisch element in de wereld. Maar we hebben de belofte dat de schepping is aangelegd op haar verheffing tot een wereld die geconcentreerd is op en dienstbaar aan een radicaal nieuw-mens-zijn. Ook hier moet een kritische visie op de Schrift de weg banen tot een evolutionistische kijk op schepping en wereld. Wij hebben immers de opdracht om luisterend naar de bijbelse getuigen het scheppingsgeloof uit te drukken in het evolutionaire wereldbeeld, zoals zij dat deden in het wereldbeeld van hun dagen.
Ik moet me beperken. Ik zou anders nog kunnen wijzen op de behandeling van de zondeleer, de afwijzing van de gedachte van de erfzonde, de evolutionistische visie op de zonde, waarbij op blz. 219 zonde gedefinieerd wordt als de weigering om te stijgen naar een hogere werkelijkheid van de liefdesgemeenschap met God. Ook hier gaan de Schriftgegevens door de filter van eigentijds denken, met name de evolutieleer. Ik denk ook aan wat de auteur zegt over de toekomst. Zeker, de bewogenheid waarmee Berkhof spreekt over het gericht moet gehoord worden. Maar niettemin wordt ook deze passage beheerst door een optimistische kijk op de toekomst. En exegetisch wordt dan als fundering aangegeven de m.i. losse bewering: De aandacht voor een eeuwige hellestraf behoort blijkbaar niet tot de kern van het kerygma.
De ruimte ontbreekt om een en ander breed uit te werken. Steeds weer valt op hoe de proces-gedachte en de partnerstructuur het geheel bepalen. In de visie op zonde en genade, waarbij Berkhof er niet aan ontkomt de zonde te betrekken in het evolutieproces, en waarbij de reformatorische radicaliteit toch wordt gemist. Of in de visie op de Drieëenheid, die een andere naam wordt voor Gods openbaringsbeweging in de geschiedenis. In de visie op de toekomst en de verzoening. Ik moge verwijzen naar de studies van Graafland en Velema in 'Weerwoord'.
Christologie
Wel wil ik nog ingaan op de christologie. Kenmerkend is dat Berkhof de tweenaturenleer van Chalcedon: Waarachtig God en waarachtig mens, afwijst. Zeker, God komt in Jezus tot ons. Maar bij Berkhof wordt het zwaartepunt gelegd op de mens Jezus. Hij is de unieke mens, de nieuwe schepping, de eschatologische mens, de door God beheerste mens, de partner die door Zijn gehoorzaamheid de verzoeningsbeweging voltrekt. Maar Hij is als mens onze verlosser. In Christus zien we een samengaan en samenhandelen van God en mens. Jezus is mens, de voleindigde verbondsmens. Jezus is de Nieuwe Mens, de eschatologische mens, zo lezen we op blz. 302.
Ook Berkhof heeft waardering voor Chalcedon. Maar zijn kritiek is dat het menszijn van Jezus mede door deze uitspraken, wellicht onbedoeld, toch miskend wordt. Het is immers de tweede Persoon van het Goddelijk wezen die de onpersoonlijke menselijke natuur aarmeemt volgens het klassieke dogma. Daartegenover stelt Berkhof: Het is God die in Jezus tot ons komt, maar God verdringt niet de menselijke persoon van Jezus maar doordringt haar met Zijn Geest, krachtens de volkomen bondgenootschappelijke verhouding. Ik meen toch dat hier een wissel omgetrokken is. Het ging in de formule van Chalcedon maar niet om een substantiedenken, waarin het Goddelijke en het menselijke elkaars concurrenten zijn. Het ging om het volstrekte genadekarakter van het heil: God met ons. Daartegenover wordt bij Berkhof de christologie gesteld in het raam van het ontmoetingsdenken: God en mens als partners. Het gevolg is dat Berkhof moeite heeft met de bijbelse preëxistentie-uitspraken. En dat m.i. deze functionele christologie in feite het oude spoor van de adoptianen, waarbij de mens Jezus tot Zoon wordt aangenomen, doortrekt zij het ook geremd en gewijzigd.
Het is frappant dat in de bundel Weerwoord de Leidse nieuwtestamenticus prof. dr. M. de Jonge er toch op wijst dat bij voorbeeld de Johanneïsche uitspraken over de komst van Jezus Christus bij Berkhof niet tot hun recht komen. Teveel wordt bij Berkhof de Zoon als menselijk representant in het Verbondsgebeuren gezien. 'Maar toch vraagt men zich af, of Berkhofs nadruk op de 'Nieuwe Mens, de eschatologische mens' niet ten koste gaat van de gedachte dat Jezus als de Zoon tegenover de mensen aan de kant van God staat' (a.w. blz. 118). Ik meen dat ook in de brieven van Paulus, met name Col. 1 en Fil. 2 argumenten liggen die Berkhofs visie weerspreken. Ook hier wreekt zich toch de manier waarop Berkhof de Schriftgegevens verwerkt.
Het zijn slechts een aantal opmerkingen die we konden plaatsen. Genoeg om u te laten zien dat Berkhofs boek een uitdaging vormt, die we niet mogen weerspreken. Juist wie meent dat er vanuit de Schrift andere lijnen getrokken moeten worden en wie deze inleiding tot de geloofsleer in zijn strekking meent te moeten afwijzen zal er positief en thetisch op hebben in te gaan. Willen we inderdaad niet het verwijt op ons laden, dat de klassiek-gereformeerde theologie geen boodschap voor een huidige generatie zou hebben.
Berkhofs boek is een specimen van eigentijds theologiseren in een klimaat dat bevrucht is door het oecumenisch denken. Is zijn boek een oecumenische theologie? Ja, voorzover we er de neerslag in vinden van allerlei rapporten uit de Wereldraad. Maar dr. Van den Heuvel acht het een manco dat de derde wereld nagenoeg ontbreekt. Ook met het woord 'oecumenisch' blijkt men dus voorzichtig te moeten zijn.
De kritiek op de structuur, met name de visie op de Schrift, neemt niet weg dat er uiteraard prachtige bladzijden in staan. Vooral de hoofdstukken over de kerk, het gebed, de heiliging, de geschiedenis bevatten menig fraaie passage. Ook denk ik aan wat de auteur zegt over geborgenheid, over de troost van de voorzienigheid, die nooit losgemaakt mag worden van de gehoorzaamheid aan de Heere en de komst van Zijn Rijk.
Naast de vele vraagtekens heb ik ook heel wat uitroeptekens gezet. Maar de ernst en de bewogenheid waarmee Berkhof theologiseert, nemen toch niet weg dat we moeten zeggen: Hier zijn ten aanzien van de reformatorische theologie zoals die in de belijdenis der kerk verwoord is, op het beslissende moment toch beslissingen genomen die de kerk, als zij op dit spoor meegaat, op een weg brengen die haar van dit reformatorisch belijden vervreemdt. En dat is een zaak die we in hoge mate betreuren.
Utr.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's