Thaddeus de Lantman - Zielroerende Predikatiën 2
Minder bekende oude schrijvers
De drie grondregels van het christendom
Acht van de twintig Zielroerende Predikatiën van De Lantman gaan over de tekst Matth. 16: 24: Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: 'Zo iemand achter Mij wil komen die verloochene zichzelve en neme zijn kruis op en volge Mij'.
Hier hebben wij voor ons, zegt De Lantman, de drie grondregels van het christendom: de zelfverloochening, het opnemen van het kruis en het volgen van Jezus.
Een christen behoeft niet in het onzekere te verkeren aangaande hetgeen hem is opgedragen, hij beschikt in deze tekstwoorden over een institutie. De Heere Jezus is een kapitein die volk werft, maar al van tevoren zegt Hij wat de soldaten te wachten staat, welke oorlog zij hebben te voeren; zodat zij nooit achteraf reden hebben om zich te beklagen, om te zeggen: wij hebben het niet geweten, het is ons tegengevallen!
Men bemerkt hoe praktisch De Lantman is ingesteld geweest. De Reformatie, zegt hij ergens, heeft veel kwaad verholpen inzake de leer, maar als het op de praktijk, op de toepassing aankomt dan zijn velen niet thuis. Daar heeft men niet van terug, dan is men geneigd goed van zichzelf te denken en zichzelf te prijzen; en toch is noodzakelijk dat ieder de waarheid op zichzelf toepast en haar ook betracht.
Laten wij thans eens nagaan wat De Lantman over elk van de drie grondregels van het christendom zijn hoorders, en ons zijn lezers, heeft voorgehouden; er is nog altijd het een en ander van te leren.
De zelfverloochening
Niets is zo moeilijk als de zelfverloochening. Zodra het hierover gaat, nemen velen het woord gemakkelijk op de tong, maar o wee als het aankomt op de praktijk. Geen dieven, geen moordenaars, geen dronkaards zijn, dat gaat nog wel, maar zichzelf verloochenen, dat kost heel wat meer strijd.
Er wordt vaak veel te gemakkelijk over gedacht. Men vat de zelfverloochening op als een simpel nalaten van het een of ander. Moet iemand noodgedwongen in zijn leven iets ontberen, hij meent al zichzelf te verloochenen. Maar de ware zelfverloochening ligt veel dieper, die is niet onwillig maar gewillig, niet gedwongen maar vrij.
Wij zullen onszelf moeten verloochenen gelijk Petrus Christus heeft verloochend, hij zei: Ik ken die mens niet! Een ieder zegge met het oog op zichzelf: Ik ken die mens niet!
De ware zelfverloochening is te illustreren aan wat een zieke doet ten aanzien van de arts die hem behandelt. De zieke vertrouwt zich geheel aan die arts toe; hij ontzegt zich al wat hij graag lust, als de arts zegt dat het niet goed voor hem is; hij drinkt zelfs drankjes waar hij van walgt, alleen op gezag van de arts, die ze hem heeft voorgeschreven; hij is zich bewust van zijn onkunde, zijn onbekwaamheid en machteloosheid, en daartegenover verzekerd van de kennis, de wijsheid, de macht en de goedheid van de ander, in dit geval de arts die hem helpt.
Zotten zijn het die denken dat zij, omdat zij een paar van hun zonden nalaten, al zichzelf verloochend hebben.
Verloochenen moet men: alle eigen wijsheid — onderwerp uw oordeel aan de Heere, gelijk een kind zijn oordeel onderwerpt aan dat van zijn vader of zijn leermeester; eigen wil — zij wil zo graag meester blijven, maar het kan niet, ge moet Gods wil leren aanvaarden; uw genegenheden, uw passies, uw hartstochten — zij moeten bedwongen worden, getemd worden; uw werken — zowel de goede als de kwade, de kwade door ervan af te zien, de goede door er niet op te vertrouwen; uw genoegens, uw weelde, uw vermaak, uw geld, uw vrienden, uw vader, uw moeder, uw vrouw, uw man, uw kinderen — door ze niet te misbruiken en door niet al te zeer uw hart op ze te zetten; al wat van uzelf is: uw naam, uw eer, uw vrijheid, uw leven. Al wat kwaad is in zichzelf moet zonder meer, onbepaald, verworpen worden. Al wat goed is, of in elk geval niet kwaad is, moogt ge wel hebben en houden, als ge maar altijd bereid blijft om er afstand van te doen, te weten zodra de grote Eigenaar het opeist.
Het gevangen vogeltje
Er zijn genoeg mensen die Jezus willen volgen, maar het is bij hen als bij de rijke jongeling, zij stellen voorwaarden; de zelfverloochening, daar willen zij niet aan. Zij zijn als een vogeltje dat aan een touwtje ligt — wij zullen De Lantman het met zijn eigen woorden laten zeggen: ''t Gaat hun als een gevangen vogelken, aan de aarde gebonden, dat sig vryelijk schijnt op te heffen, maar (slechts) zoo ver als het toutjen toereykt, als het dat heeft uytgevlogen, en nu het snoer moeste breken, daar feylen de kragten, en valt het weer op de aarde, op genade en ongenade van sijn vanger. Zoo veele, als het hier toe kuam (— kwam), datse wereld, en haar liefde, haar eygen genegentheden verlaten souden, sy storten neer, kunnen niet ontworstelen, en moeten zoo nootwendig verloren gaan, dewijl dog by haar geen heyl en is.'
Paulus leert (Rom. 12: 1) dat de mens zich Gode moet opofferen; zo is het ook, en men bedenke dat in alle offerdienst het geofferde geheel vernietigd wordt. Wij moeten Hem offeren ons verstand, onze wil, onze eer, al wat van ons is. Een christen moet een aan God gewijde tempel zijn.
Salomo heeft in zijn tempel twee altaren gebouwd, één op het Voorhof, een brandofferaltaar, en één in het Heilige, een reukofferaltaar. Zo moeten ook wij twee altaren oprichten: één in ons en één buiten ons, in ons het altaar voor het reukoffer der gebeden, en buiten ons het altaar van het brandoffer van ons hele leven.
Er is niets waar het de christenheid meer aan schort dan aan de zelfverloochening. Wij allen willen er zo slecht aan. De natuur en het geweten van de mens verplichten hem tot enige godsdienst; immers men kan toch niet leven als een beest! dat is de reden waarom velen christenen zijn. Hebben zij hun uiterlijke godsdienstplichten volbracht, dan zijn zij gerust en voldaan. Men is niet welbewust, met voorbedachten rade, met een vaste resolutie, dat wil zeggen met een eigen vast besluit tot het christendom gekomen.
Geen Godsvertrouwen
Een der oorzaken waarom, volgens De Lantman, velen niet komen tot de ware zelfverloochening is hierin gelegen dat men geen vertrouwen in God heeft, men durft zich niet aan Hem over te geven. En toch, wie dat doet zal niet beschaamd uitkomen.
Neem toch kennis van de ongenoegzaamheid van al wat op de wereld is. Alles is ijdelheid, niets kan u behouden, niets kan u zalig maken. Zemelen kunnen niet voeden, zo is het ook met deze wereld. U kunt wel vast willen houden aan de dingen van deze wereld, zij zullen niet vasthouden aan u. Willen wij hen niet verloochenen, dan zullen zij ons verloochenen. Eens zullen wij er al gelukkig mee zijn als zij ons lichaam geen 6 of 7 voet aarde weigeren, om er in te rotten. Hoe lang zal ons aards bezit duren? in elk geval niet langer dan wijzelf, misschien zelfs nog korter. De aarde is ons Egypte, ons diensthuis, ons werkhuis, ons tuchthuis, onze kerker. Ieder klaagt erover en toch wil niemand ervan scheiden. Ons hart is te klein, te eng, het kan niet tegelijk Christus en de wereld huisvesten. Men ziet vaak dat diegenen het meest met Christus op hebben, die het minst in deze wereld hebben. Zie een rijke op zijn sterfbed — het valt niet mee om met zware pakken tot Jezus te gaan.
Al wat er in de wereld is is nog niet genoeg voor één ziel. Christus is de ware schat, de parel van grote waarde.
De ware zelfverloochening
De roomsen hebben ook hun zelfverloochening, maar is zij de ware? Vooral in de kloosters hebben zij het veel over eigen verkleining, eigen versmading en eigen verwerping, eigen nietigheid, eigen vernietiging. De Lantman wenste wel dat het pausdom geen grote dwaling kende dan deze, met andere woorden hij heeft niet alles daarvan geheel en al verworpen. Hij zegt: Als dit nu maar de enige vrucht van het kloosterleven was! Het betekent overigens niet dat hij het kloosterleven positief waardeerde. Elders nl. spreekt hij er zeer kritisch over. De Lantman heeft niets willen weten van enige verdienstelijkheid van kloosterwerken, hij was daarvoor een te goed gereformeerd theoloog. En ook heeft hij scherp oog gehad voor de schijn van goede werken; hij verwijt het pausdom het maken van veel 'parade'; er zit zoveel vertoon in hun armoede, hun vasten, en in al wat zij hun godsvrucht noemen.
Bovendien, de zelfverloochening is bij De Lantman in de eerste plaats een innerlijke aangelegenheid, een zaak van het hart. Keer u, roept hij uit, al tegen de eerste bewegingen van uw eigen ik, dan verzaakt ge uw lusten nog vóór ze te sterk geworden zijn. Het gaat De Lantman ook niet om de zelfverloochening op zich. Nadrukkelijk vermaant hij ons onszelf te verloochenen uit liefde tot Jezus!
Wie — zo kan gevraagd worden — heeft nu zichzelf verloochend? Niemand, is het antwoord van De Lantman, nooit is de zelfverloochening voltooid. Hier past niet een spreken in de voltooid verleden tijd, alleen in de tegenwoordige tijd. Wij staan er nog middenin, en zullen dat ook moeten blijven.
Doch wél zijn er tekenen, waaraan te kennen is dat men in zelfverloochening leeft. Er is dan in de eerste plaats een van ganser hart en onderdanig ontvangen van al wat God in Zijn Woord openbaart. Wat weegt het gezag van God ons zwaar! Men is leerling, discipel. Men gaat niet te rade met vlees en bloed, maar met de wil van de hemelse Vader. Men aanvaardt het Woord van God, ook al is het scherp. Vervolgens, men rechtvaardigt en billijkt God in alles wat Hij doet, ook al is het nog zo pijnlijk voor vlees en bloed. En dan, men heeft een walging van zichzelf. Immers, de mens is maar 'een mesthoop van behoeftigheden en gebreken'. Het hart van de mens is een winkel waarin alle boosheid wordt gesmeed, een smidse gestookt door de hel, waarvan de vlammen uitslaan in ogen, oren, handen, voeten, tong en alle leden van de mens. Voorspoed wijt men niet aan eigen vroomheid, maar enkel aan de goedheid Gods. Men verheft zich niet boven anderen. Men stelt niet zichzelf op de voorgrond, men zit liever achteraan de tafel dan vooraan; men is al blij dat men aan die tafel mag aanzitten, al is het op de laagste plaats. Men zegent zelfs zijn vijanden en men bidt voor zijn vervloekers. Kortom, men leeft in alles bij het geloof in God, bij het geloof in Christus, die onze enige Heere en Meester is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's