De wapenspreuk
'En de ganse aarde zal weten, dat Israël een God heeft'. (1 Samuel 17 vs. 46)
U brandt van nieuwsgierigheid hoe het afliep? U bent geen kind meer; kinderen luisteren met open mond naar dit verhaal, vader moet verder lezen, en nog verder. Want het is zo spannend. En dat is het ook. Het spant er om: Goliath of David. We zien ze weer voor ons: de reus en de knaap. David is geen partij voor Goliath. Dat vond Saul ook. Nadat hij met David kennis gemaakt had en van diens wondere voornemen kennis genomen had, deed hij zijn uiterste best om van David een kleine Goliath, of tenminste een tweede Saul te maken. Met pantser en helm. Maar David kan daar niet mee uit de voeten, hij is het niet gewend en hij wil het niet. De Naam des Heeren, daarin is Hij geborgen, gehuld. De Heere, die hem uit de bek van de leeuw, en de klauw van de beer gered had. Met Hem waagt hij het! Saul dacht dat het samen kon gaan. De Heere zij met u én hij kleedde David met zijn klederen. David wist beter; de Heere alléén! Wat zou er veel veranderen, als wij meer in de naam des Heeren te werk gingen. Weet u wat ons parten speelt en lam legt? Dat wij ten strijde trekken, ook kerkelijk, zogenaamd in de naam des Heeren en tegelijk in het harnas van Saul. Zwaaien met vaandels, schermen met macht, getal en gelijk. Daar zit het bij ons op vast; wat zou het een armslag geven, als we die wapenen verre van ons wierpen, en ontwapend, de steen van het Woord in de slinger van het geloof en het gebed legden, zoals wij, op wereldse wijze, de strijd voeren, daar lacht Goliath om en daar schreit de Heere om. Wie weet, bekeren we ons ooit nog eens, op dit punt: Ik kan in deze niet gaan!
Steeds dichter naderen zij elkaar, de twee kampvechters. Geen gelijkwaardige tegenstanders, u kunt dat nagaan. Iedereen kent Goliath, van David had niemand gehoord. Goliath veracht hem. De strijd begint als een woordenstrijd. Goliaths woorden zijn vol van trots en haat. Davids woorden klinken niet minder dreigend. In woorden doen ze niet voor elkaar onder. Goliath kan ze waar maken, denkt iedereen. David niet. Het is hartroerend, maar ... Ach, wij zijn telkens weer aan het vergelijken, en die vergelijking valt ten nadele van David uit. Want wij rekenen niet met de naam des Heeren, wij rekenen niets voor de naam des Heeren. Een vrome term, meer niet. David zegt niet: En de ganse aarde zal we-
De naam van de Heere der heirscharen, de God van de slagorden Israëls. En dat wordt de wapenspreuk: De God van Israël.
En de ganse aarde zal weten, dat Israël een God heeft! Hoort, wat een hoge toon hij aanslaat. De ganse aarde. Maar hij zingt niet zijn eigen lied en hij noemt niet zijn eigen naam. Daarom mag het. David zegt niet: En de ganse aarde zal weten, dat Israël een David heeft, een held, die voor geen Saul, voor geen Goliath onder doet. Deze roem is hem ten enenmale vreemd. Wie in de naam des Heeren gaat, dien gaat het om de naam des Heeren. Eigen naam is niet in het geding, doet niet mee. David! Vergeet het maar: De Heere, onthoudt dat maar goed.
Mocht hij alles aan die naam toeschrijven, dan zal die naam van alles de eer ontvangen. De naam des Heeren. Een vlag die de lading moet dekken. Hoe vaak wordt er smokkelwaar vervoerd, onder deze vlag! Hier niet. Alles is voor de Heere. De God, die gehoond werd, worde geloofd, hoog geloofd in eeuwigheid. De ganse aarde moet weten, dat de Heere het deed.
Er vaart een heilige vreugde door deze woorden heen. David was teer op de eer des Heeren. Goliaths woorden deden hem daarom zeer tot in het diepste van zijn ziel. Nu verblijdt hij er zich bij voorbaat in, dat de Heere de eer zal ontvangen, en dat hij daaraan zijn bijdrage mag leveren. Dat doet de Geest des Heeren. Hij maakt, van mensen die krampachtig en kleinzielig op eigen eer bedacht en voor eigen naam beducht zijn, tot mensen die bevrijd en verblijd, de Heere groot maken. Eens had Jozua twaalf stenen opgericht te Gilgal. De stenen waren uit de bedding van de Jordaan genomen en ze werden als een gedenksteen opgesteld. Als iemand later vroeg: wat zijn deze stenen, dan moest het antwoord luiden: Op het droge is Israël door deze Jordaan gegaan. Opdat alle volken der aarde de hand des Heeren kennen zouden, dat zij sterk is. Dat hadden de vaderen hun kinderen verteld, dat had in Davids hart weerklank gevonden, al was hij nog maar een jongeling.
Hij knoopt erbij aan! De ganse aarde zal weten, dat Israël ... Niet van de kaart te vegen is. De Filistijnen wel aan kan. Stijf staat van moed en durf. Niets van dat alles. Het tegendeel is duidelijk gebleken. Dat, mochten de Filistijnen een Goliath hebben, Israël een David had. Streep erdoor. Niet ons, o Heere, niet ons, Uw naam alleen. Dat Israël een God heeft. Dat is alles. Dat houdt in, dat Dagon geen god is — een god-af, een afgod is hij; en dat Goliath geen halfgod is. Israël alleen heeft een God. De Heere.
Daar haalde David de moed vandaan. Wie is als de Heere. Hij is ervan overtuigd: Israël heeft een Gód. De Filistijnen zullen het te weten komen. Zij zullen het hazepad kiezen, als Goliath geveld is. God deed hem in het zand bijten. Ze konden het weten, de ark had, als een stille getuige van de macht des Heeren, in hun steden gestaan. Waren ze het vergeten? De kring wordt nog ruimer getrokken: de ganse aarde. Deze wapenspreuk is een pleitgrond. Heere, U kunt mij niet in de steek laten, U kunt Uw eigen naam niet verloochenen. Israël heeft het verzondigd, Saul heeft het verdorven. Vorst en volk deden Uw naam smaadheid aan. Denk aan het verbond. Zo zal Elia de Heere aan Zijn openbaring vastgrijpen, op de Karmel: Heere, God van Abraham, Isaac en Israël, dat het heden bekend worde, dat Gij God in Israël zijt en ik Uw knecht en dat ik al deze dingen naar Uw Woord gedaan heb.
David houdt het de Heere voor. Hij toont het aan de ganse aarde. Israël heeft een God. Dat is geen fantasie, dat is geen frase. Dat is ook geen versteend verhaal uit een ver verleden. Want de Heere leeft. David wentelt zijn weg op de Heere, hij vertrouwt op Hem. Hij wentelt de overwinning op de Heere. De ganse aarde. Dat is wereldwijd. En wereldwijd is de Naam. Wel hem of haar, die in gezin en gemeente, deze wapenspreuk voert. Kinderen, zegt een moeder: jullie weten toch dat je moeder een God heeft! Dat de kerk een God heeft. Dat Israël — want nóg heeft de Heere wat met Israël voor — een God heeft. Israël, dat belaagde volk, belegerd door zijn buurlanden. Israël dat tot de tanden toe gewapend, op eigen dapperheid vertrouwt, prat gaat. Israël. Wanneer zal het de meerdere David, Christus Jezus herkennen? Wat zal de Heere nog een zware weg met dit volk gaan, een weg van afbraak. Afbreken? Afbrengen van alle eigen eer en roem. Opdat eindelijk de ganse aarde zal weten, dat Israël een God heeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's