Uit de pers
Medische zending
Het juli/augustusnummer van Diakonia geeft een overzicht over de verschillende aspecten van het diakonale werk in onze tijd. Diakonaat als blijvende opdracht van Christuswege haakt in op de noden van het mensenleven en zal daarom in elke tijd een ander beeld vertonen, als het de opdracht serieus neemt. Het is goed dat in een verslag van de Generale diakonale raad de gemeente uitdrukkelijk genoemd wordt. Het diakonaat mag immers geen instituut zijn dat boven de gemeente zweeft, maar is functie en taak van de gemeente. Naast maatschappelijke dienstverlening, werelddiakonaat, zorg voor gehandicapten, bejaarden enz. is er de medische zending. Daarover schrijft ds. H. Harkema een artikel in dit nummer. Na erop gewezen te hebben dat in de zendingsopdracht Woord en daad niet te scheiden zijn schrijft Harkema:
Het komt ons voor, dat de bekende Frankfurter Erklarung, hoeveel belangrijke en waardevolle dingen daarin ook met betrekking tot de wezenlijke taak van de zending gezegd worden, zich te zwak uitdrukt als de 'werken' alleen maar als een belangrijke begeleiding en 'Beglaubigung' van de zending worden gezien. Zeker is het onjuist het medisch werk van de zending te typeren als een hulpdienst, zoals vroeger nogal eens geschiedde. Een hulpdienst niet tot het wezen van de zending zelf behorend, maar alleen dienend om de geloofwaardigheid van de zending te onderstrepen en zodanig vertrouwen voor haar te wekken, dat zij ingang kan vinden. J. H. Bavinck merkt in zijn Inleiding tot de Zendingswetenschap op: Deze gedachtengang ziet teveel voorbij, dat de Evangelieprediking een zeer complex gebeuren is, dat de mens in al zijn aspecten en betrekkingen raakt. Als medische hulp alleen maar gegeven wordt om vertrouwen te winnen, dan schiet men zijn doel voorbij, omdat die hulp niet geworteld is in een volstrekt ernstig nemen om Christus' wil van de mens, die voor ons staat in al zijn noden en zorgen en niet gedragen wordt door waarachtige bewogenheid over de nood van de mensen met wie men te doen heeft. Zoals omgekeerd deze dienstverlening, wanneer zij in dat volstrekt ernstig nemen geworteld is en door die bewogenheid gedragen wordt, op datzelfde moment prediking is geworden.
De zending is terecht niet aan die noden en zorgen voorbijgegaan, toen zij de volken het heil des Heeren verkondigde, dat de mens ook in zijn totaliteit, in de eenheid van lichaam en ziel (Heidelbergse Catechismus, vraag en antwoord 1) raakt. Zij moet echter daarbij — en moet altijd weer — bedacht zijn op de rechte verhouding tussen de verkondiging van het Woord en de werken der liefde. Want reeds de Heilige Schrift wijst op het gevaar, dat de dienst van het Woord door andere vormen van dienst verdrongen kan worden, waardoor het b.v. kan gebeuren, dat men Christus gaat volgen om 'de spijze, die vergaat' (Joh. 6: 26 en 27).
Maar hoe dit ook zij, in haar medisch werk, in haar verlangen om in Christus' wil iets te doen voor de naaste in nood, in haar begeerte om zoveel mogelijk te doen voor zoveel mogelijk mensen was en is de zending bezig met een wezenlijk deel van de taak van de kerk.
Parallel aan de ontwikkeling in de visie op de zending liep in de kerken een ontwikkeling die ertoe leidde dat men hoe langer hoe meer ging zien dat de diakonale verantwoordelijkheid zich heeft uit te strekken tot de einden der aarde. Het diakonaat ging zich dan ook hoe langer hoe meer bezighouden met het medisch aspect van de zendingsarbeid.
Het gaat echter niet aan alles onder één noemer te brengen. Men moet blijven onderscheiden tussen de zending als de dienst der verkondiging of de dienst der verzoening, of wil men het missionaire getuigenis, en het diakonaat in allerlei vorm van dienstverlening aan mensen in nood. Dat kan zending en diakonaat helpen zich te houden aan de specifieke opdracht die zij beide van Christus' wege hebben ontvangen.
De verbondenheid van die twee, verankerd in het feit, dat én zending én diakonaat voortzetting zijn van de 'diakonie' van Christus, die het werk der verzoening volbracht, maar ook een voorbeeld gaf en riep tot het dienend volgen van Hem in hulpbetoon aan de naaste, houdt omgekeerd ook in, dat men ze niet uit elkaar kan trekken in een daadloze verkondiging en woordloze presentie ten behoeve van de ander. Zowel het één als het ander is arm en incompleet. Verkondiging en dienst moeten innig verstrengeld blijven. Om zoveel mogelijk te doen voor zoveel mogelijk mensen. Zo hebben zending en diakonaat samen te gaan. Dat is een blijvende, voortgaande opdracht.
Er doen zich daar, waar zending en diakonaat hun activiteiten ontplooien, ingrijpende veranderingen met betrekking tot de zieken- en gezondheidszorg voor. Deze is ook in de ontwikkelingslanden 'n zaak van overheidsbemoeiing geworden en wordt als zodanig in versnelde mate uitgebouwd. Maar er bestaat nog altijd een grote behoefte aan aanvullende werkzaamheden van particuliere organisaties, waarbij de inbreng van christelijke gemeenschappen dringend geboden is. De kerken hebben daarbij met name de taak in dit kader met woord en daad te getuigen van dat, wat het Woord ons in dit verband te zeggen heeft. Daar zullen zending en diakonaat samen, ieder op eigen wijze, de kerken bij moeten helpen.
We zien niet over het hoofd, dat uit een en ander uiteraard nogal wat organisatorische vragen voortvloeien: b.v. in hoeverre mag het diakonaat taken overnemen en in hoeverre moeten zendingsinstanties taken afstaan? Moet de verbondenheid van zending en diakonaat als opdracht aan een gemeente ook op het vlak van die gemeente gestalte krijgen en hoe? Over deze vragen en nog vele andere zal grondig nagedacht moeten worden. Maar al die vragen nemen niet de roeping weg om samen zoveel mogelijk te doen voor zoveel mogelijk mensen. Daar moeten zending en diakonaat het over eens zijn. Ook op dat vlak van de gemeente. Daarom wordt in de gemeenten door hen samen om een verantwoorde bijdrage voor de medische zending gevraagd.
Drs. J. Loos
In 1955 ging drs. Loos, toentertijd hervormd predikant te Hilversum over tot de Rooms-Katholieke Kerk. Deze overgang kwam niet uit de lucht vallen. In de vijftiger jaren waren er in de Hervormde Kerk fikse discussies over het gezag van het ambt, de apostolische successie, de vraag of een ambtsdrager gezag heeft, als hij niet in de apostolische successie staat enz. enz. Via de Anglicaanse Kerk en de beweging Hervorming en Catholiciteit groeide Loos naar de r.-k. ambtsvisie toe, die tenslotte leidde tot zijn overgang in 1955. In de Leeuwarder Courant van 13 juli lezen we nu het verslag van een gesprek dat één van de redacteuren-kerknieuws met Loos gevoerd heeft. In dat gesprek kwam duidelijk uit dat drs. Loos op een, laat ik zeggen, ouderwetse manier roomskatholiek wil zijn en weinig goede woorden over heeft voor het moderne katholicisme, dat zich breed maakt in de Raad van Kerken en bij andere oecumenischgezinden. We noteerden voor u uit dit gesprek het volgende:
Drs. Loos is uiteindelijk in een heel ander Rooms-Katholieke Kerk terechtgekomen dan hij twintig jaar geleden had gehoopt en verwacht. Hij deelt zijn verontrusting overigens weer met talrijke protestanten. Evenals zij waarschuwt drs. Loos tegen de pogingen de oecumene los van de theologie te maken, tegen de vermaatschappelijking van de prediking. Het Getuigenis van Van Niftrik c.s. blijkt ook drs. Loos uit het hart gegrepen. 'Wij zouden het wel wat anders gezegd hebben, maar je hebt dezelfde nood en herkent dezelfde bedoeling.'
Drs. Loos: Het is soms moeilijk in de R.-K. Kerk van vandaag de Katholieke Kerk te herkennen. 'In de tijd, dat ik rooms-katholiek ben geworden, zijn nog verscheidene tientallen anderen, die bereid waren theologisch diep door te denken rooms-katholiek geworden. Zoiets gebeurt nu niet meer. Van de kerk schijnt geen appèl meer op de academische wereld uit te gaan. De kerk zou zich dit wel eens wat meer mogen aantrekken.'
Ik kom zelf uit de wereld van het modernisme, zegt drs. Loos. Dat is de theologie van de kinderkamer. Dat volwassenen die theologie vandaag aan de dag kunnen aanhangen, is mij een raadsel. Het modernisme en verschijnselen als secularisatie schijnen oppermachtig in de R.-K. Kerk, maar ze verliezen het zeker. Modernisme en vrijzinnigheid lopen absoluut uit op onkerkelijlheid. Velen zullen weglopen. Er zal dus een minder massale kerk zijn in de toekomst. De ontwikkeling van de Katholieke Kerk zal wat dit betreft parallel lopen aan die van de Herv. Kerk. In de R.-K. Kerk zijn tekenen van een herlevende en waakzame rechtzinnigheid.
Uit het bovenstaande valt eigenlijk al te concluderen, dat drs. Loos geheel achter mensen als bisschop Gijsen en Simonis staat. 'Ik merk herhaalde malen hoe een man als Gijsen gewaardeerd wordt', zegt drs. Loos. 'Monseigneur Gijsen heeft de onmogelijke taak om in te roeien tegen de heersende geest. Heb alle media maar eens tegen! Die je een bekrompen man noemen, iemand die de klok terug wil zetten en praten over een oprukkend Duits-Italiaans fascisme in de kerk, zoals één van die wilden laatst zei ... Hoe bedenk je zoiets, hè? Heb ze allemaal maar eens tegen, radio en tv en minister Van Doorn, De Tijd — bijna zaliger nagedachtenis — De Volkskrant en verder de hele katholieke en niet-katholieke pers.
Bisschop Gijsen zou de rooms-katholieken op ondemocratische wijze zijn opgedrongen? Aan wie? Was de tegenpartij in democratische zin zo representatief? 't Lijkt er immers niet op. De polarisatie is een verschrikkelijk probleem, 't Lijkt soms wel of de katholieke gemeenschap in tweeën zal breken. En zo kom je tegen wil en dank zelf ook in een bepaalde helft terecht.
Wie deze woorden op zich laat inwerken, zal als protestant in de woorden van Loos het een en ander herkennen en tegelijk zich bevreemd gevoelen. Herkenning is er, als het gaat over de vermagering van het bijbels getuigenis in de moderne theologie die zowel bij Rome als in de protestantse kerken zijn duizenden verslaat. Loos blijkt iemand te zijn die vast wil houden aan het kerkelijk dogma van de kerk der eeuwen.
Toch heeft de herkenning een grens. Als protestant sta je er toch van te kijken hoe deze man, eens predikant in de Hervormde Kerk, de strakke lijn van Gijsen-Paulus VI en anderen verdedigt en hereniging alleen ziet in het perspectief van het samen buigen onder de opvolger van Petrus. Hier gaan de wegen tussen drs. Loos en de reformatorische kerk volledig uiteen. — Ik meen dat dit gesprek toch ergens illustratief is voor de weg die de R.K. Kerk in deze tijd gaat. Enerzijds een sterke progressieve stroming die aan de negentiende-eeuwse vrijzinnigheid doet denken, anderzijds een klassiek-roomse tegenstroom. Je vraagt je af: Is er ook nog een stroming die een heroriëntatie wil vanuit een nieuw verstaan van het bijbels getuigenis, met name de Paulinische prediking van de rechtvaardiging van de goddeloze. Ik zal niet zeggen dat deze stroming ontbreekt. Maar ik betwijfel toch of haar invloed groot is. Als drs. Loos spreekt over tekenen van een herlevende rechtzinnigheid bij Rome is dat in het kader van zijn uiteenzettingen toch nog iets anders dan een reformatie in de geest van Luther en Calvijn.
Licht in het Oosten
Mij werd toegestuurd een nummer van de mededelingen van de stichting Licht in het Oosten. Dit Nederlandse comité was reeds voor de oorlog in ons land werkzaam en probeerde het Evangelie te verbreiden in Oost-Europa en aan vervolgde christenen materiële hulp te verlenen. Door de oorlog kwam het werk stil te liggen. Na de oorlog werd door de Missionsbund 'Licht im Osten' weer contact opgenomen. In verband met de groeiende aandacht voor de kerken in Oost-Europa en de groeiende contactmogelijkheden besloot men weer een Nederlandse stichting op te richten. In het comité van aanbeveling las ik o.m. de namen van ir. Van der Graaf, prof. Graafland, ds. Overduin, prof. Runia, prof. Reiling. In het mij toegezonden nummer staat een ontroerend relaas van de strijd en het lijden van de kerken achter het ijzeren gordijn, maar ook van de kracht van het Woord.
Naar aanleiding van een bezoek van enkele gemeenten in Tsjechoslowakije wordt er gezegd: 'Laten we de moed hebben ook verslag te doen van de nederlagen. Christus' kerk heeft geen werelds succes nodig. Christenen hebben Jezus nodig en Zijn vergeving.' Hoe reilt en zeilt de kerk in de Tsjechoslowaakse maatschappij?
De problemen in Tsjechoslowakije lijken op de onze. Toenemende welvaart, vergaande onverschilligheid en traditie-christendom zijn enkele redenen van het afnemende kerkbezoek. Langzamerhand begint ook de communistische opvoeding onder de jeugd merkbaar te worden. Hoewel de jeugd niet zonder kritiek is ten opzichte van partij en staat en veel wordt gedaan omdat het nu eenmaal moet, toch heeft de staat door een angstpolitiek bereikt, dat velen de kerk en gemeenschappen uit de weg gaan, om maar met rust te worden gelaten.
Een 'opleidingsbarrière', d.w.z. dat jongeren, die relaties hebben met een kerk, niet verder mogen studeren, behoort tot de orde van de dag. Enkele weken geleden werden mij zelf twee van zulke 'gevallen' (twee predikantskinderen) in Tsjechoslowakije verteld. De leerling J. K. kwam als beste van de klas van het gymnasium. Hij wilde predikant worden. Zijn verzoek om toelating tot de theologische faculteit in Praag was helaas tevergeefs.
De studente M. K. zal na haar opleiding als analiste, niet als zodanig werkzaam mogen zijn, maar zal op een fabriek moeten werken.
Voor ideologisch niet 'zuivere' burgers, en daartoe behoren ook de echte christenen, is geen plaats in een onderwijsinstelling.
Het pastorale werk van een Tsjechisch predikant wordt beslissend meebepaald door de instelling van de kerkelijke secretaris, die op dat ogenblik over de betreffende provincie gaat. Aan hem moeten bezoekers uit het Westen worden doorgegeven; hij geeft vergunning voor bijzondere bijeenkomsten van de gemeente en zelfs kanselruil heeft zijn goedkeuring nodig.
Deze functionarissen munten meer uit door hun achterdocht tegen de kerk, dan door hun intelligentie of vakkennis. Door hun achterdocht zijn deze mensen in hun partijbaantje, een voortdurend gevaar. De predikant voelt zich nooit zeker, zelfs niet na een jarenlange oefening in het balanceren tussen letter en geest van de wet en tussen wettig en onwettig. Verrassend groot is de behoefte aan goede stichtelijke lectuur. Per jaar komen er slechts een paar boeken van de pers in geringe oplage.
'Al is ons een belangrijk wapen uit de handen geslagen, doordat wij niet missionair werkzaam mogen zijn, toch gaan wij door. Onze opdracht volbrengen wij aan het ziekbed en in de zielszorg aan de enkeling'. Het communisme heeft hier een belangrijke factor van de christelijke gemeente ontdekt. Wanneer je aan de gemeente de missionaire opdracht ontneemt, dan zal ze vroeg of laat doodgaan als een plant zonder water.
Aan de gesprekken over de wereldwijde zending, over Geneve en Bangkok, hoewel brandend actueel, ontbrak de gemeenschappelijke betrokkenheid. Vragen over de oecumene en de moderne theologie zijn voor het grootste deel import uit het Westen, hoewel Tsjechoslowakije een eigen oecumenische raad heeft, die echter niet in hoog aanzien staat. Steeds weer duikt de bange vraag op naar de toekomst, die ik zo vaak hoorde: 'Wat zal ervan worden?'
In een drukke straat in Praag. Mijn Tsjechoslowaakse broeder, die verscheidene dagen mijn trouwe metgezel was, omarmt me en zegt: 'Wij gaan door'. Daarna rukt hij zich los en verdwijnt snel om de volgende straathoek. Een kort maar pijnlijk afscheid.
De meest verblijdende ervaring naast alle andere was, dat ik zelfs niet een spoor van twijfel heb kunnen ontdekken. In een heilige onverzettelijkheid en vanzelfsprekendheid doen zij hun werk, evangeliseren ondanks weerstanden, houden godsdienstoefening voor acht personen (zo meegemaakt in een diaspora-gemeente) en vragen niet naar het resultaat, maar naar wat hun Heer en Heiland van hen vraagt. Dit is het wezenlijke, wat wij hier van deze broeders kunnen leren: met volharding lopen in een wedstrijd, die zij zelf niet hebben uitgezocht, maar die hun is opgelegd.
Het verslag geef ik zonder commentaar aan u door. Het spreekt voor zichzelf. Alleen geef ik nog het adres door van de stichting Licht in het Oosten: postbus 262, Veenendaal, voor ieder die regelmatig deze mededelingen wenst te ontvangen. Laten we deze gelegenheid om op de hoogte te blijven benutten. Laat bovenal in onze voorbede de kerk in Oost-Europa niet ontbreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 augustus 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's