De lauwerkrans
'En deze ganse vergadering zal weten, dat de Heere niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des Heeren. Die zal u in onze hand geven.' (1 Samuel 17 vs. 47)
De overwinning is nog niet bevochten, de strijd is nog niet eens ontbrand — of men moest de woordenstrijd daartoe rekenen; en David is reeds bezig een lauwerkrans te vlechten. Zo zeker is hij van de overwinning. Een lauwerkrans, die hij echter zichzelf niet op de slapen drukt, maar waarmee hij de eer des Heeren zoekt en groot maakt. Dat Israël een God heeft! De Filistijnen betwijfelen dat ten sterkste. Weldra zal het overtuigend bewijs geleverd worden.
Wordt het ook onder Israël niet in twijfel getrokken? Misschien roepen ze wel in spreekkoren: De Heere is onze God! Ondertussen wagen ze het niet met Hem, en dat is een veeg teken. Daarom wendt David zich tot zijn eigen volk. En deze ganse vergadering. Dat is meer dan: deze hele menigte, die hier aanwezig is. Vergaderen doet de Heere. Hij heeft Israël verkoren, en uit het diensthuis uitgeleid. Vergadering, dat wekt herinneringen aan de woestijntocht, toen de stammen zich legerden rond de tent der samenkomst. De vergadering is de gemeente, die geroepen is tot de dienst en de strijd des Heeren. En de Heere is hun aanvoerder, hun verlosser.
Hoe verlost Hij? Niet door het zwaard, noch door de spies. Israël, de Heere uw God is een enig Heere! Zijn heil is enig, anders dan bij anderen en door anderen. Hij verlost zo, dat Hij er alleen de eer van krijgt. Zwaard en spies, kort begrip van alle wapentuig, konden na behaalde overwinning in rekening gebracht worden. Dat betekent: in mindering gebracht worden op de naam en de roem des Heeren. Omdat de Heere die eer zich voorbehoudt, behaagt het Hem om niet door het zwaard noch door de spies te verlossen. Israël was telkens ontzonken aan de kennis van deze God. Zij vertrouwden steeds weer op wapenen en paarden, helden en helmen. Niet zonder de Heere, dat niet. Maar ook niet uitsluitend door en met de Heere. Vandaar dat ze angstig wegkropen als Goliath tevoorschijn kwam. Ze hadden geen wapenen om het tegen de filistijnen op te nemen, en daarom ... Wat moesten ze tegen hen beginnen? Dan grijpt de Heere in, het is, als staat Hij op, om aan de spits te treden. De God van de Slagorden Israels.
Dat is kenmerkend voor het verlossingswerk Gods. Bij de mensen is het onmogelijk. Kortweg en ronduit. Bij de Heere echter. Ik zal ze verlossen lees ik in Hosea, door de Heere hun God! Zou het nog kunnen? We wegen de kansen. Nu kan het niet meer. Nu zal Ik, zegt de Heere. Dat moet deze vergadering weten, zo weten dat ze de Heere vertrouwen, dat ze Hem de overwinning toevertrouwen. Dat ze de verlossing uit handen geven, om die de Heere in handen te geven. De Heere verlost. Jezus. Door en in Hem, die zich niet kon meten met reuzen en helden. Die niet over macht en middelen beschikte. Kribbe en kruis. Hij is het heil des Heeren en dat moet heel de gemeente weten. Hoe dan? Er zal dit, er zal dat ... Kracht en geweld moet eraan te pas komen, hoe dan ook. Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden. Al wat ter verlossing nodig is. Dat wordt ervaren, geweten. Dat wordt bevestigd. Niet door ... Ook als de Heere ons gebruiken wil, zoals Hij David gebruiken wilde.
Want de krijg is des Heeren. Dat gevecht tussen David en Goliath. De oorlog tussen Israëlieten en Filistijnen. De strijd: Zijn zaak. Dat is niet altijd even duidelijk, en we kunnen er misbruik van maken. De krijg voor eigen zaak, tot 'des Heeren' verklaren. David ontdekt het hier, tot zijn verrassing. Dat kwam, omdat Goliath de Heere lasterde. Dat ging te ver, en daar gaat de Heere wat aan doen. Hij heet niet voor niets: de Heere der heirscharen. Daarbij worden de legerscharen van Israël ingeschakeld; maar dan altijd zo, dat ze niet met de eer gaan strijken. Denk aan de geschiedenis van Gideon. Opdat Israël zich niet tegen Mij beroeme zeggende: mijn hand heeft mij verlost. Ze mogen meedoen, maar ze brengen niets mee en ze dragen meer bij uit eigen kracht. De krijg is des Heeren! Wij moeten niet naar ons toetrekken, wat des Heeren is. Wij raken er wel — en dat is een grote eer — bij betrokken.
Makkelijk is dat: des Heeren. Dat dacht u maar. Wij willen erover gaan, wij willen in ieder geval er onze rol in spelen! Dat mislukt dan falikant. Het is alsof de Heere het afsnijdt: de krijg is des Heeren. Handen thuis, zwaarden, speren ... Wie in het stof ligt neergebogen, heft Hij omhoog. De krijg is des Heeren! Het hangt er maar vanaf tot wie Hij het woord richt. Hij werpt er ons door neer, of Hij helpt er ons mee op. Er wordt veel gestreden voor eigen zaak, die men voor de zaak des Heeren wil uitgeven. Daar staat de Heere niet voor in. Zodra Zijn Naam echt in het geding is en Zijn eer wordt beoogd dan ... geen nood: Wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte, want de strijd is niet die van u, maar die van God. Wij vechten dat samen uit, David. Nee Goliath, de Heere vecht het uit. Hij zal u. Daarna pas: ik zal u. David ziet niet werkeloos toe, dat niet. Hij komt achter de Heere aan. Net als Israël achter de ark aantrok, het teken van Gods heilrijke tegenwoordigheid. Israël reisde in slagorden! Sta op Heere, laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden. Dan namen de priesters de ark op hun schouders. En als ze hem neerzetten, luidde het lied: Keer weder Heere tot de tienduizenden der duizenden van Israël. Zo leerde de Heere Zijn volk. De krijg is des Heeren. En zo wisten zij slagvaardig te handelen.
De slagvaardigheid van het geloof. De gelovigen vormen geen vrijscharen. De Heere beveelt, de Heere bevrijdt. De strijd vertoont een wisselend beeld. Hoe zal het uitvallen: overwinning, nederlaag? Maar, Gode zij dank; wie Hem van harte toegedaan is mag goede moed houden. De Heere zal het voor mij voleinden. Daarom is de lauwerkrans van Hem.
De vijand denkt: Als ik hem of haar de nederlaag toebreng, dan heb ik gewonnen. Dat is een misrekening. De Heere is overwinnaar. Dagon ligt in stukken en brokken voor de ark, terwijl er gen Israëliet te bekennen valt. En wij krijgen de handen vrij, tot de strijd, naarmate wij die strijd meer aan de Heere aanbevelen en overdoen. Het klinkt wat vreemd, het is toch waar. Wie weet: de krijg is des Heeren, die kan uit de voeten. Kijk maar naar David.
Die zal u in onze hand geven. U mag vertalen: Die heeft u in onze hand gegeven. Vanuit het geloof is dat een voldongen feit. Als de krijg des Heeren is, dan kan het niet missen, of de vijanden worden verslagen. Ons in handen gegeven. Gegeven. Een merkwaardige uitdrukking voor: aan de winnende hand zijn. Een uitdrukking die we meevlechten in de lauwerkrans. Wat volgt is daarop een vervolg: ik zal u slaan ...
Davids woorden verschillen nagenoeg niet van Goliaths woorden. Alleen de inleiding is anders, volstrekt anders. Goliath moet zijn eigen woorden waarmaken. David weet: de Heere maakt Zijn Woord waar. Op Hem komt het nu aan. Wie zich tegen God stelt kan grote woorden gebruiken, maar er komt niets van. Uiteindelijk valt alles in duigen. Wie met de Heere, achter de Heere ten strijde trekt, mag hoge woorden gebruiken. De Heere is hoog en zeer verheven! Ere wien ere toekomt. De Heere de eer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's