De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Leertucht of leervrijheid
Onder dit opschrift schreef dr. G. de Ru, oud-synodepraeses van onze kerk, in het Hervormd Weekblad, het orgaan van de Confessionele Vereniging, van 15 augustus een lezenswaardig artikel waaruit we graag het een en ander aan u doorgeven. Dr. De Ru herinnert aan de situatie in de Geref. Kerken, waar de leertucht min of meer ook vervangen is door leervrijheid, en waar men ook het modaliteitenvraagstuk kent. De jongste synode van deze kerk heeft immers de verzoeningsleer van dr. Wiersinga, waar — kort gezegd — de satisfactie, de voldoening, vervangen is door het 'schokeffect', geen oordeel uitgesproken.
Wél heeft zij — wonderlijk genoeg — de kerken aanbevolen toch vooral een speciaal door dr. Wiersinga aangewezen aspect van de verzoening (de voortgaande overwinningsmacht van Christus door Zijn Geest in een leven van geloof, bekering en heiliging) ter harte te nemen, een aspect, waarvan men toch zou mogen aannemen, dat daarover in de Gereformeerde Kerken — met nieuwtestamentici en dogmatici van naam — werkelijk geen onklaarheid behoeft te bestaan. Verder heeft zij de zaak gelaten zoals zij was. Alleen heeft zij nog een voortgaand gesprek verordend, terwijl dr. Wiersinga gevraagd wordt naar het oordeel der kerk te willen luisteren (niet: zich aan dat oordeel te onderwerpen) en van hem verwacht wordt (niet: als voorwaarde gesteld wordt) in zijn ambtelijke werk dit belijden niet te zullen weerspreken. Of de synode dit van hem bij een zó ingrijpend en beslissend andere visie verwachten kan? In ieder geval is het plaatsbekledend lijden van Christus vanwege de synodale machteloosheid als een nog niet uitgemaakte, kwestieuze zaak voor de eerstvolgende jaren weer officieel ter discussie gesteld en in handen gegeven van een studiecommissie met vrijere armslag en niet, zoals de synode, belast met de kerkelijke verantwoordelijkheid voor de belijdenis.
Dr. De Ru wijst er dan op dat er moeilijk meer gesproken kan worden van een wezenlijk verschil tussen beide kerken inzake leertucht en leervrijheid. Beide kerken beschikken in hun kerkorde over de mogelijkheid tot leertucht. In de Hervormde Kerk is dit een lange weg, begrijpelijk gezien het ingrijpende karakter van een dergelijke beslissing. In feite wordt van deze kerkordelijke mogelijkheid geen gebruik gemaakt, ondanks vele klachten in de pers en elders. Maar ook in de Gereformeerde Kerken is geen sprake van handhaving van de tucht. Zie de behandeling van de kwestie-Wiersinga. Het gevolg is toenemende verontrusting en een oproep tot vorming van zoiets als 'buitengewone wijkgemeenten'. Dr. De Ru noemt dit terecht een betreurenswaardige ontwikkeling. Betreurenswaardig ook voor de vele hervormden die geen vrede hebben met de 'vrijheid' in eigen kerk.
Zij had voorkomen kunnen worden als de gereformeerde synode meer (en vroeger) gehoor had gegeven aan het appèl van talloze van haar trouwe leden en voorgangers en moediger, beslister had durven ingrijpen, waar op ontoelaatbare wijze in de verkondiging het hart van het Evangelie wordt aangetast. Er was — en er is nog — een andere weg. De kerkordelijk gegeven mogelijkheid tot justitiële leertucht zal door beide kerken slechts als ultima ratio mogen en kunnen worden aangegrepen. Maar wel acht ik het geboden, dat beide kerken in deze tijd van toenemende geestelijke verwarring — op dogmatisch en op ethisch terrein — judiciële leertucht oefenen en een duidelijk oordeel uitspreken over wat kennelijk in strijd is met wat in de H. Schrift is geopenbaard. Van de zijde der kerkelijke instanties zal dan het pastorale aspect bij een dergelijke procedure van meet af zeer zwaar (meer dan het juridische) moeten worden beklemtoond. De betrokken dienaren des Woords én de gemeenteleden weten dan waar zij aan toe zijn en kunnen met eigen consciëntie te rade gaan ten aanzien van de consequenties, die zij uit een officiële uitspraak van hun kerk behoren te trekken. Dat is eenvoudig een zaak van oprechtheid.
Niemand zal beweren, dat de dingen hier gemakkelijk liggen, dat er geen onderscheid gemaakt dient te worden tussen de 'school' en de 'kerk'. Anderzijds mag men de moeilijkheden ook niet omzeilen ter voorkoming van eventuele onrust of uit een verkeerd gerichte tolerantie. De ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken hebben weer eens te meer bewezen, dat men door vaagheid en onbeslistheid de onrust, de verwarring alleen maar vergroot. Men zegge ook niet, dat de ethische ketter gevaarlijker is dan de dogmatische of dat de fides qua (het hoe van het geloof) belangrijker is dan de fides quae (het wat van het geloof). Dergelijke redeneringen zijn waarlijk niet nieuw in de Kerk! Maar dan zal men zich terdege dienen te realiseren, dat de ethische ketter in de meeste gevallen een ketter is, omdat hij niet meer duidelijk onderkent wat de Heilige Schrift zegt, wat de mening des Geestes is; en dat de fides qua (het hoe) ten sterkste bepaald wordt door de fides quae (de inhoud van het geloof). Om slechts één actueel voorbeeld te noemen. Prof. Kuitert zegt, in verband met de functie van de 'christelijke godsdienst', dat een christelijke waarheid een waarheid is, die toekomst opent en vrijheid schenkt. Een dergelijke uitspraak is een slag in de lucht als we niet weten wat vrijheid en toekomst inhoudelijk betekenen. Daarover bestaat een groot aantal sterk uiteenlopende meningen. Ook de Bijbel zegt ons een en ander over de inhoud van deze begrippen. Die inhoud, die Waarheid (het wat) is volstrekt bepalend voor de vrijheid-schenkende en toekomst-openende functie van het christelijk geloof (het hoe). Het zal dus bij de omschrijving van deze functie in eerste instantie gaan over de inhoud van de bijbelse Boodschap.
Dit alles is geen intern-gereformeerde kwestie. Hervormden en gereformeerden zoeken immers toenadering: samen op weg. Maar De Ru maakt de m.i. juiste opmerking, dat deze beweging meer kracht zou ontplooien als beide kerken zich verzetten tegen een situatie van-tot-in-de-kern elkaar weersprekende modaliten. Dr. De Ru meent dat de proeve van geloofsgetuigenis van waarde is, om de concentratie op het centrale van het Evangelie te bevorderen. We willen de goede elementen in deze proeve niet ontkennen. Veel wat erin staat zal door ieder met instemming gelezen kunnen worden. Maar wel is bij ons de vraag gerezen of met name de Bezinning, volgend op de Proeve toch niet de geest en de teneur ademt van de jongste synodebeslissing, nl. een bang-zijn voor alles wat nieuwere ontwikkelingen afremt. Daar ligt m.i. het problematische van dit eenparig geloofsgetuigenis, zodat ik minder dan dr. De Ru overtuigd ben dat juist dit stuk het belijdend gehalte van de kerken kan versterken. Dat wij een taak hebben ten opzichte van elkaar en elkaar als reformatorische belijders niet los mogen laten is een zaak, die we van harte met De Ru eens zijn. Dr. De Ru besluit zijn artikel met de woorden:
'Meer en meer zal in de geloofscrisis van vandaag blijken, dat er nog een gemeente van Christus is, die — dwars door de steeds gecompliceerder theologische probleemstellingen heen en dwars tegen het opdringend ongeloof in — aan de onvervreemdbare kern van de bijbelse Boodschap wil vasthouden, die wéét wat zij belijdt, die — zoals prof. Van Itterzon schreef — 'op afbraak en ondermijning van haar geloofsbezit scherp pleegt te reageren, aanvankelijk slechts in verminderd kerkbezoek en sterk vertraagde offervaardigheid', maar ook door een groeiend besef van verantwoordelijkheid voor haar getuigenisopdracht en een toenemende inzet voor de rijk geschakeerde, maar ondubbelzinnige verkondiging van Gods grote heilsdaden in Jezus Christus, waardoor het alleen mogelijk zal zijn aan 's mensen zijde tekenen van bevrijding en vernieuwing op te richten als een heenwijzing naar de toekomst van het Rijk, waarin God alle dingen nieuw zal maken.'

Een getuigenis van een Japans christen
In het septembernummer van In de Rechte Straat geeft ds. H. J. Hegger indrukken opgedaan op de grote evangelisatieconferentie in Lausanne. Op dit grote congres voor wereldevangelisatie hebben velen het woord gevoerd en getuigd van de zekerheid die Jezus Christus aan hun leven geschonken heeft. Een van hen is de Japanner, dr. Akira Hatori. We geven graag aan u door wat deze christen tijdens een bijeenkomst op 21 juli vertelde, en wat door ds. Hegger als volgt is weergegeven.

Ik werd geboren en groeide op in een boeddhistische familie. Ons gezin was zeer godsdienstig. Er waren veel altaren in ons huis. We hadden ook een Shinto-altaar, waar wij de typisch Japanse godheden, de kami, vereerden. Maar ondanks al die godsdienstigheid, was er geen vrede in ons gezin. Vader en moeder vochten vaak met elkaar. Aan tafel heerste een grimmig zwijgen. Ik begon mij af te vragen: Wat is toch de zin van het leven? Geboren worden, je een plaats zien te veroveren tussen de andere mensen, vechten voor de handhaving van jezelf, de bittere sfeer inademen van vijandigheid tegenover elkaar, misschien zelf gaan trouwen, wéér zo'n gezin vol narigheid stichten en dan tenslotte sterven? Met mijn zestiende jaar had ik een hart dat totaal was leeggebloed. Ik voelde me verschrikkelijk op mezelf teruggeworpen. Ik haatte mijn ouders, ik haatte God, ik haatte iedereen.
Eens sprak een professor in een college over het christendom. Hij spuwde al zijn minachting de klas in. 'Het christendom is de grote vijand van Japan', zo zei hij. Na deze tirade, waarin hij geprobeerd had het christendom zo belachelijk en hatelijk mogelijk voor te stellen, vroeg hij: 'Is er misschien een christen onder jullie?' Een jongen stond op. Bewogen, maar toch ook in alle rust sprak hij over Christus, die voor zijn zonden was gestorven en voor de zonden van allen die in Hem geloven, en die daarna opgestaan is uit de doden en nu leeft in al de Zijnen, leeft ook in hem. Ik kwam diep onder de indruk van dat moedige getuigenis en heb die jongen daarna opgezocht. Hij werd mijn beste vriend.
Eens sprak een oudere dame met mij, eveneens een christin. Ze was eenvoudig, maar tegelijk indringend. Ze opende mijn hart met het Woord Gods en liet zien, hoe in mijn hart allerlei ongerechtigheid woonde: haat, moordzucht, wraaklust, echtbreuk, ontucht en allerlei andere zonden van pure zelfzucht. Maar Christus kan in dat hart binnendringen en het vullen met Zijn reinheid en Zijn licht. Open je hart voor Hem. Dan zul je een nieuwe schepping worden. De heerlijkheid en de liefde van Christus overweldigden mij toen zozeer, dat ik niet anders kon dan vanuit mijn duistere en zondige hart schreeuwen om Hem. En Hij verwaardigde zich Zijn intrek in mij te nemen en mij te vullen met Zijn eeuwige leven.
Toen ik haar later van mijn bekering vertelde, zei ze: 'Maar nu mag je dat niet voor jezelf houden. Ga nu allereerst naar je vader en moeder en vertel het hun, wat Christus aan je gedaan heeft'. Maar dat durfde ik niet. Ik kende mijn vader. Hij haatte Christus en het hele christendom. Maar ik wist dat Christus het van mij vroeg om Zijn getuige te zijn, en dat ik Hem niet waardig zou zijn, als ik Hem zou verloochenen voor mijn eigen familie. Ik wist tenslotte ook dat Hij mij de kracht zou geven.
En zo ging ik dan naar mijn vader en vertelde hem dat ik christen was geworden. Het leek wel of een wesp hem gestoken had. Hij vloog op me af en begon mij te beuken, zodat ik op de grond sloeg. Hij bracht me naar een van de altaren van de goden van ons huis en schreeuwde: Aanbid! Aanbid! Neem de wierookkorrels en leg ze op de verbrandingsschaal als huldeblijk aan onze huisgoden. Ik weigerde.
Toen moest ik in het leger. Ik was de enige christen in ons bataljon. Wat ben ik daar getreiterd en vernederd! Maar de Heere gaf mij kracht het te doorstaan. De Heere heeft ook mijn vader en moeder en mijn vrouw tot bekering gebracht. En ook mijn broer die cornmunist was. Gods Naam zij geprezen. Hij heeft ons een hart vol liefde gegeven. We weten dat het sterven voor ons gewin is ... in Christus.

Een andere naam?
We plegen zelden in deze rubriek aandacht te schenken aan ingezonden stukken die we in de bladen aantreffen. Ditmaal een uitzondering. In Hervormd Nederland is al enkele weken een discussie aan de gang over het karakter van dit blad. Een predikant uit Workum had geschreven dat Hervormd Nederland beter Links Nederland genoemd kon worden gezien de teneur van vele artikelen. M.i. niet helemaal ernaast! Anderen bestreden de uitlatingen van deze predikant. Echter in het nummer van 7 september schrijft dr. J. Schipper uit Amersfoort dat hij de huidige naam ook onjuist vindt. HN is immers bepaald niet specifiek hervormd.

Het heeft weinig zin het blad Hervormd Nederland om te dopen in Links Nederland of Rechts Nederland. Maar naar mijn onbescheiden mening is het heel goed de vraag aan de orde te stellen, of de naam Hervormd Nederland nu wel zo zinvol is. Want wat betekent 'Hervormd' in dit geval? Dat de redactie verantwoording schuldig is aan de leiding van de Hervormde Kerk? Dat men mikt op de hervormde lezers? Of is het gewoon een kwestie van iets van vroeger te willen vasthouden? Geen van deze verklaringen lijkt bevredigend. Voorzover ik zie werkt de redactie van HN met de volgende formule: vanuit het Evangelie kritisch bezig zijn, vooral maatschappij-kritisch, en wel in een bepaalde richting. Vanzelfsprekend is zo'n werkwijze het goed recht van een redactie. Kan die opzet echter niet in de naam van het blad tot uiting komen? Wanneer de titel meer de inhoud zou dekken, zouden veel mensen het blad met meer plezier lezen (of met meer vrijmoedigheid opzeggen). Het adjectief 'hervormd' kan daarbij mijns inziens inderdaad beter vervallen, aangezien de HN-kijk op de samenleving zeker niet DE hervormde is en het aanbod van specifiek kerknieuws ook heel gering is. Naar buiten wordt nu het misverstand gewekt, alsof hetgeen HN schrijft 'hervormd' is; naar binnen maakt het geheel de indruk, alsof je HN wel moet lezen als je NH bent, en alsof je het dan in grote lijnen eens moet zijn met de vrij gerichte visie van de redactie. Daarom lijkt een andere naam voor HN mij een zaak van duidelijkheid en eerlijkheid. Zou de redactie, die deze eigenschappen zeker bezit, deze mogelijkheid eens serieus willen overwegen? Men kan het blad dan gewoon aanbieden temidden van de vele andere weekbladen, die ook vanuit een duidelijk, doch eenzijdig gezichtspunt gepubliceerd worden.
Een andere naam of niet ... dat er klaarheid komt inzake de positie van HN is juist. Met dr. Schipper zeggen we: HN is bepaald niet een blad, dat weergeeft wat er in het geheel van de kerk leeft. Niet dat we dat toejuichen, integendeel. We zouden dankbaar zijn voor een opinieblad dat vanuit het Woord en de belijdenis leiding gaf in ons volksleven. Liever nog dan een naamsverandering zouden we willen pleiten voor een verandering van inhoud. Laat HN een bijbels en confessioneel geluid geven, in plaats van dat ze als 'aanhangwagen' fungeert voor allerlei vrije politieke geluiden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's