Zorgelijke ontwikkeling aan de Utrechtse Theologische Faculteit
Is er reden voor bovenstaande titel? Me dunkt van wel. Ik bedoel het samengaan aan de Utrechtse universiteit van de theologische faculteit en de Katholieke Theologische Hogeschool Utrecht (KTHU). Een tweetal gegevens mogen als illustratie dienen.
In de eerste plaats ontvingen we een brief van studenten, waarin wordt opgemerkt, dat er de afgelopen vijf jaren verschillende wrijvingen zijn geweest rondom de studieindeling en dat er in studentenkring nogal bezwaren zijn tegen verplichte twee-uurs colleges Sociale Wetenschappen, tot nu toe gegeven in het eerste jaar maar mogelijk in de naaste toekomst ook uitgebreid tot de volgende studiejaren. Ter illustratie werd toegevoegd een brief, die, voorzien van vele handtekeningen, was gezonden aan de onderwijscommissie van de theologische faculteit. Daarin werd gesteld, dat duidelijk gebleken is, dat genoemde Sociale Wetenschappen gegeven werden vanuit een socialistische maatschappijbeschouwing met sterke nadruk op structurele verandering. Het invoeren van de colleges Sociale Wetenschappen werd gezien als een taakverzwaring, die nadelig zou werken op andere meer noodzakelijk geachte vakken. Verder werd erop gewezen, dat het vreemd aan deed, dat aan deze Sociale Wetenschappen een gelijk aantal uren werd toebedeeld als aan de colleges Hebreeuwse capita, waarbij herinnerd werd aan de eisen van de Rooms Katholieke studenten om het Hebreeuws te verminderen en meer nadruk te geven aan de gedragswetenschappen (sociologie en psychologie).
In de tweede plaats willen we wijzen op een uitspraak van Max Pauwen in een artikel in de NRC van zaterdag 24 augustus l.l. Deze zegt: 'Tegen de manier, waarop aan de vijf Nederlandse theologische concentraties (KTHU, KTHA, Nijmegen, Heerlen en Tilburg, v.d. G) de bedienaren van het kerkelijk ambt worden opgeleid bestaan in Rome bepaalde weerstanden. Bisschop Gijsen vertaalde het Romeinse ongenoegen (curs. van mij, v. d. G.) door de priesteropleiding in zijn diocees geheel onder eigen controle te brengen en de Hogeschool voor Theologie en Pastoraat (Heerlen) buiten spel te zetten'.
Wat heeft een uitspraak als de laatste voor consequenties voor de Utrechtse faculteit? Daarop willen we graag ingaan. Niet dat we ons met de interne aangelegenheden van deze universiteit te bemoeien hebben. Maar de theologische opleiding raakt ons zéér. Reeds vijf jaar geleden heeft ds. G. Boer in ons blad ook aandacht geschonken aan het samengaan van de theologische faculteit met de KTHU. Het lijkt ons gewenst daarop gezien het bovenstaande nog eens terug te komen.
Wat is er aan de hand?
Vijf jaar geleden kwam een gentlemansagreement tussen faculteit en de KTHU tot stand voor een periode van vijf jaar. Er zou nog geen volledige integratie plaats vinden maar de periode van vijf jaar zou een proeftijd zijn voor een mogelijke integratie. Tien docenten van de KTHU werden op voordracht van het curatorium van de KTHU benoemd aan de faculteit, vijf als buitengewoon hoogleraar, vijf als buitengewoon docent. Verder zouden bij de opleiding van de theologische studenten bepaalde gemeenschappelijke colleges en tentamina mogelijk zijn — bijv. bij het doctoraal examen — en experimenten worden uitgevoerd voor samenwerking van de opleidingen (voornamelijk bij het candidaats examen). Na vijf jaar zou een definitieve beslissing worden genomen inzake de integratie. De vijf jaren zijn nu bijna voorbij, zodat we mogen aannemen dat een beslissing over deze zaak spoedig te verwachten is.
Ontwikkelingen
In de vijf achter ons liggende jaren zijn er bepaalde ontwikkelingen geweest, die ongetwijfeld van belang zijn bij de overwegingen van een integratie. Vijf jaar geleden wilde de KTHU de integratie, omdat men van Rooms Katholieke zijde afwilde van de seminarieopleidingen voor de aanstaande priesters. Men wilde de priesteropleiding een verantwoord wetenschappelijk peil geven en deze overbrengen naar de universiteiten, waarbij men dan ook in aanmerking wilde komen voor de Rijksbeurzen voor studenten. De opleidingen van de seminaries kwamen namelijk geheel voor rekening van de Rooms Katholieke Kerk.
Eén ding hebben de Rooms Katholieke bisschoppen toen niet voorzien, namelijk dat men voor het krijgen van celibataire (ongehuwde) priesters niet een universitaire opleiding moet geven maar een seminarieopleiding. Aan een universiteit komen de heren studenten in aanraking met hun vrouwelijke collega's. Ze trouwen en worden géén priester. Ze zoeken een maatschappelijke functie. Dat heeft weer tot gevolg sterke pressie in de richting van de gedragswetenschappen, zoals de sociologie en de psychologie, vakken die binnen het Rooms Katholieke denken — na het op dood spoor raken van de filosofie van Thomas van Aquino — toch al een grote plaats gekregen hadden maar bij ontwikkelingen als de genoemde alleen maar een nog sterker accent krijgen.
Rome zit nu kennelijk met de universitaire opleidingen. Per jaar komen nog slechts enkele priesters van de vijf universitaire opleidingen. Daarom is men nu weer bezig de oude seminarieopleidingen nieuw leven in te blazen. Bisschop Gijsen deed dit in Rolduc. Daar gaan de aanstaande priesters van zijn diocees heen. En bisschop Simonis schijnt ook met de gedachte te spelen om van dat seminarie voor aanstaande priesters van zijn diocees gebruik te maken. Vandaar de uitspraak van Max Pauwen in NRC, die ik hierboven noemde. De universitaire opleidingen ondervinden weerstanden bij Rome.
Heroriëntatie
Is er gegeven dit alles, alleen al zakelijk gezien, niet alle aanleiding om tot een heroriëntatie ten aanzien van de ingeslagen weg te komen? Er zijn thans een aantal vragen die om een dringend antwoord vragen.
1. Hoe zullen de Rooms Katholieke bisschoppen in de naaste toekomst tegen de universitaire opleiding voor hun priesters aankijken? Rome wil celibataire priesters hebben. Als die van de universiteiten niet meer komen ligt het dan niet voor de hand dat men van deze opleidingen ook de handen zal terugtrekken? En zo niet, welke invloed zullen de Rooms Katholieke bisschoppen dan willen hebben aan de faculteiten? Zal het dan nog mogelijk zijn de identiteit van de faculteit te bewaren? Er is thans sprake van een conflict tussen bisschop Simonis en prof. Van Luijk — een priester die gaat trouwen — aan de KTH Amsterdam. Zullen dit soort dingen straks ook aan de Utrechtse faculteit te wachten zijn?
2. Gesteld dat Rome de handen terugtrekt van de universitaire opleidingen is er dan niet alle kans, dat men aan de faculteit met een geïntegreerd deel studenten komt te zitten, die met heel andere bedoelingen theologie studeren dan de protestantse studenten, de studenten, die worden opgeleid tot het ambt van dienaar des Woords, om straks een gemeente te dienen? Is de kans niet levensgroot aanwezig dat de pressie in de richting van de gedragswetenschappen, van de sociale wetenschappen alleen nog maar sterker wordt? Mensen die straks een maatschappelijke functie krijgen zullen toch alle aandacht willen hebben voor vakken, waar men mee in de maatschappij terecht kan? Hoe zal men dan een eenheid in de opleiding vinden voor deze studenten en diegenen, die alle accent willen doen vallen op de bijbelse en aanverwante vakken, op het Hebreeuws om de Bijbel in de grondtaal te kunnen lezen? De brief uit studentenkring, die we hierboven releveerden, is een duidelijke aanwijzing voor het verzet tegen de nadruk op de gedragswetenschappen ten koste van vakken als het Hebreeuws. Zal bij een integratie de conflictstof die hier ligt niet alleen maar méér worden?
3. Wat is de consequentie van een integratie ten aanzien van het beleid van het departement in de toekomst? De nu buitengewone hoogleraren met voorlopige benoeming worden gewoon hoogleraar met vaste benoeming en uiteraard rijkstractement. De staf aan de Utrechtse faculteit is relatief een grote staf. Stel dat het aantal studenten in de toekomst vermindert — bijvoorbeeld ook door een gewijzigde houding van het episcopaat — en de staf wordt in verhouding tot het aantal studenten te groot zoals in Nijmegen, wat zal het departement dan doen bij benoemingen? Dat er in dit opzicht van overheidswege toenemende bemoeienis is met het beleid is dezer dagen nog gebleken toen staatsekretaris Klein bezwaar maakt tegen de benoeming van een 28-jarige hoogleraar, omdat hij hem te jong vond. Stel dat in de nabije toekomst een hoogleraar in de kerkgeschiedenis vertrekt, terwijl inkrimping van de staf op het departement wordt beoogd? Zou men dan niet kunnen zeggen, wanneer voor datzelfde vak ook al een Rooms Katholiek hoogleraar aanwezig is, dat de vacature niet wordt vervuld? Is de kans niet aanwezig dat door beslissingen ten departemente de verhoudingen helemaal scheef getrokken worden? Na een integratie zal het departement zich waarschijnlijk over de kerkelijke verhoudingen binnen een 'oecumenische' faculteit echt niet meer zo druk maken.
Zorg
Als een integratie zou door gaan maken we ons grote zorg over de verdere ontwikkeling van de Utrechtse faculteit. Zelfs al zou de universitaire opleiding ook voor de Rooms Katholieke kerk gericht blijven op het ambt dan nog blijven de zorgen even sterk. Een priesteropleiding is nu eenmaal iets gans anders dan een predikantsopleiding, juist ook wat betreft de theologische uitgangspunten. We willen pleiten voor het behoud van de identiteit van de Utrechtse faculteit als protestantse faculteit. Het zou een ramp zijn als de bedoelde integratie voortgang zou vinden, met welke bedoeling Rooms Katholieke studenten erook zouden studeren, hetzij voor een priesteropleiding, hetzij voor een maatschappelijke functie. In beide gevallen betekent dat verlies van de identiteit van een faculteit, die ons lief is, een faculteit waaraan de naam van niemand minder dan Gisbertus Voetius verbonden is. Vele jaren lang hebben de Hervormd Gereformeerde studenten Utrecht voor hun theologische opleiding gekozen. De HervormdGereformeerden hebben er door de jaren heen een bijzondere leerstoel gehad. De verhoudingen zijn steeds goed geweest. Zou door een voorgenomen integratie deze verhouding niet grondig verstoord worden? Bij integratie zal immers hoe dan ook, een verlegging van de accenten bij de opleiding plaats vinden? Het zou kunnen zijn dat men met een integratie alleen maar gaat bevorderen, dat de Hervormd Gereformeerden studenten - er zijn thans alleen al 180 studenten lid van de GTSV Voetius - in de toekomst een andere universiteit kiezen voor hun studie. Thans is al een trek van gereformeerde studenten naar Leiden en Groningen te signaleren, vanwege de sterke aandacht daar voor het behoud van de studie in de grondtalen. Verlies van de protestantse identiteit van de faculteit zal deze trek alleen maar bevorderen.
We realiseren ons intussen heel wel, dat er thans in Utrecht Rooms Katholieke studenten en Rooms Katholieke hoogleraren zijn, waarvoor men een alternatief zou moeten vinden als integratie niet zou doorgaan. Maar is het dan niet mogelijk dat de KTHU, die reeds van staatswege gesubsidieerd wordt, de hoogleraren overneemt? Heeft Rome niet veel meer belang bij een eigen opleiding, waar men zijn invloed kan laten gelden, dan bij een geïntegreerde? Op deze wijze worden spanningen en conflicten binnen de faculteit voorkomen, terwijl wetenschappelijke uitwisseling wanneer men dat wenst mogelijk blijft.
Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's