De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Openbare belijdenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Openbare belijdenis

8 minuten leestijd

'Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God; alzo doe mij de Heere en alzo doe Hij daartoe: o niet alleen de dood zal scheiding maken tussen mij en u.' (Ruth 1: 14—17)

Zojuist was één van de drie weduwen de weg teruggegaan. Zij had haar schoonmoeder en haar schoonzuster vergezeld tot aan de grens van Israels grondgebied. Daar had zij onder dikke tranen moeder goedendag gekust en de reis terug, naar Moab, aanvaard. Orpa had Naomi niet minder lief dan Ruth, ook bij haar was er de bereidheid een offer te brengen, maar het gezonde verstand sprak een sterk woord mee. Zij doet zich niet mooier voor dan ze is, zij kan niet buiten de man en de stem van haar vlees en bloed is krachtig. Laten wij haar niet veroordelen, want wat zij doet is haar door Naomi sterk aangeraden. Neen, de liefde voor Naomi is bij Orpa niet minder sterk dan bij Ruth, versta dat wel! De belijdenis van Ruth echter, die hierboven staat is de vrucht van Gods werk, de vrucht van de eeuwige verkiezing. Daarover mediteren wij thans verder, zonder verdere vragen te stellen over het verdere leven van Orpa. Wanneer Naomi nogmaals probeert ook Ruth te bewegen terug te gaan naar haar eigen moeder en eigen land, komt de belijdenis haar over de lippen: 'Uw volk is mijn volk en uw God mijn God'. Wat onbewust in haar heeft geleefd komt nu al juichende tevoorschijn. Zij wil vernachten waar Naomi overnacht, zij wil sterven waar Naomi sterft en daar begraven worden. Niet uit zuiver menselijke motieven wil zij met moeder mee, maar hoger is het dat zij het volk van Naomi beschouwen zal als haar volk en met de God van moeder zal zij zich voor altijd verbonden weten. Dat zij niet 'zomaar' wat zegt, doch dat het haar volle ernst is, bewijst wel de eed die zij aflegt: 'Alzo doe mij de Heere en alzo doe Hij daartoe!'
Ruth doet hier een geweldige, geestelijke keuze en het is een spontaan gebeuren. Zo gaat dat altijd met de ware liefde. Een mens kan het niet onder woorden brengen, doch plotseling is het hoge Woord er zomaar uit. Liefde is geestdriftig en de geestelijke liefde is hartstochtelijk van aard, in de goede zin van het Woord. Zij heeft de tocht, de drijving van het hart, de drift van de Heilige Geest. Ruth heeft er geen uren over nagedacht, er was vantevoren geen lange berekening of zij het wel of niet kon zeggen. Zij kan niet anders meer, zij moet. Hier is de spontaneïteit der liefde, want haar hart staat in brand voor het volk en de God van Naomi. Deze vrouw is voor Ruth niet alleen een 'lieve' schoonmoeder, maar de vertegenwoordigster van Israël en van het voorrecht van Israël. Was dat volk dan zoiets geweldigs? Weineen, het was helemaal niet beter dan de Moabieten, maar het is het volk dat leeft in het licht van de openbaring en daarom trekt het Ruth aan en de God van die openbaring, hoewel Hij onzienlijk is, is voor haar geweldig genoeg. Aan dit volk en aan deze God geeft zij zich over met lichaam en ziel, voor de tijd en de eeuwigheid.
Het cardinale punt van haar belijdenis is: de Heere God. Uw God is mijn God. Tot deze belijdenis wordt zij gebracht door verkiezende liefde. Omdat de God van Naomi haar God is, daarom is het volk van Naomi ook haar volk. Men kan de vraag stellen of de volgorde dan wel juist is. Waarom gaat het volk in haar belijdenis op de eerste plaats? Het antwoord ligt hierin dat de Heere altijd de middelen gebruikt. Schoonmoeder was voor deze belijdenis het instrument in Gods hand geweest. Dat is voor ons ook zo en ik meen dat het goed is elkaar daaraan te herinneren. Hoe zijn Gods kinderen tot God gekomen en hoe werden zij tot hun belijdenis gebracht? Van Gods kant zeker door eeuwige verkiezing, maar middellijkerwijs toch ook door de kerk en haar dienst. Al wat wij weten en zeggen in het geestelijke leven, alle geestelijke dingen die ons geschonken zijn, van de prediking af tot het kalenderblaadje toe, zijn door de dienst der kerk tot ons gekomen. Wij komen tot God door de dienst van Zijn volk en daarom is de volgorde toch goed: 'Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God'.
Een andere vraag is of Ruth zichzelf zomaar mag inlijven in Israël. Moet niet iemand die tot een ander volk overgaat eerst genaturaliseerd worden? Bij de oude volken leverde dat nogal veel bezwaren op. Daar komt nog bij dat Israël behalve een volk, ook een gemeente was, een kerkstaat. Moet Ruth niet eerst in de volksgemeenschap worden opgenomen en dan later door de gemeente erkend worden? Er is hier geen kerkeraad aanwezig voor wie de bevestiging kan plaats hebben. Ruth kan niet wachten, maar zij bevestigt zichzelf tot lidmaat der gemeente Gods. Zomaar in de openlucht, zonder priester, maar met de Heere God en Zijn engelen als getuigen en moeder Naomi als toehoorder. Mag dit? Gewis, want de Heere Heere heeft gesproken en zou zij dan niet belijdenis doen en profeteren? Het ware zeer te wensen dat wij die belijdenis gedaan hebben, het zo eens mochten overdoen en dat anderen die hieraan nog niet toekwamen, tot deze spontaneïteit gebracht werden door de liefde van God tot Zijn volk in Jezus Christus.
'Mijn God'. Kan dat wel, voor de naam van de heilige God een bezittelijk voornaamwoord plaatsen? Is God daar niet te groot voor, te ongenaakbaar? God en ik, mijn God?
Spinoza, een filosoof, sprak eens: 'Het is goed om God lief te heben, maar wij moeten ons niet verbeelden dat God ons wederliefde kan schenken'. Ach, wijsgeren hebben meestal de wijsheid niet die God aan de eenvoudigen schenkt. Dat woordje 'mijn' is het eigenlijke geheim van alle godsvrucht. 'Wie dat 'mijn' wegneemt, die neemt God van mij' weg'. Aldus Augustinus, eeuwen geleden. De God van de Bijbel is niet een algemene god, niet een abstract opperwezen, ergens ver weg, maar Hij is altijd de God van iemand, de God van Abraham, Isaac en Jacob, de gezegende Vader van onze Heere, Jezus Christus. Zó laat Hij zich noemen en voor een mens is er niets zaligers dan Hem te 'mijnen' door het geloof. Dat is boven alle discussie verheven, dat gaat boven de logica uit. Daarin is de hartstocht der liefde en wie zal haar doven?
Denk echter niet dat zulk een belijdenis een mens wereldvreemd maakt, in die zin dat hij hier zijn taak niet meer zou zien en zich zou terugtrekken in de eenzaamheid. Ook de harde dingen van het leven krijgen in die belijdenis hun plaats. Ruth heeft ze niet uit het oog verloren, toen zij sprak van: vernachten, sterven en begraven worden en al wat daarmee samenhangt aan lijden en angst, gebrek en zorg. Doch, weet gij, deze moeilijke dingen worden door de Geest van God in het hart anders belicht. Zij staan niet apart, los van God, maar onder Gods licht en leiding en onder al die dingen mag een belijdend mens toch weten dat de Heere de Getrouwe blijft. Zong Paulus niet: 'Want ik ben verzekerd dat nóch dood, nóch leven, nóch machten mij kunnen scheiden van de liefde Gods in Christus Jezus, de Heere?' Daarom heeft Ruth ook de eed afgelegd: 'Alzo doe mij de Heere en alzo doe Hij daartoe'. Zij gaat met haar belijdenis in hoger beroep, in hogere bescherming. Zij zal in eigen kracht niet bij haar belijdenis kunnen volharden, maar zij zweert bij Gods trouw, bij de God van Israël, Die zichzelf door Zijn kinderen laat bezitten als Hij belooft: 'Zie, Ik ben hun bezitting, spreekt de Heere Heere'.
Een wezenlijk element in alle geloofsleven is de liefde tot Gods volk, Gods kerk. Het is niet mogelijk God lief te hebben en Zijn 'kleinen' te verachten. Maar het is omgekeerd ook niet in orde als wij graag bij Gods kinderen vertoeven en hen soms buitensporig vereren en toch niet toekomen aan wat het grootste is: mijn God! Dit laatste houdt in het offer brengen van het eigen leven. Die overgave is sterven en leven, zoals bij alle echte liefde. Ik ben er niet meer, maar ik leef voor de ander! Zulke mensen leven zich in dat offer ook uit, daarin hebben zij hun hoogste vreugde, omdat zij weten dat deze liefde nooit op verlies kan uitlopen. Toen Ruth deze belijdenis uitsprak, wist zij nog niet dat ze weer een man zou krijgen, zij wist ook niet dat ze op haar knieen aren moest lezen op de harde akker en zij heeft nooit kunnen vermoeden dat uit haar zaad de Messias, Jezus Christus zou geboren worden. Zij leeft nog onder de nevels van de oude dag, maar toch staat haar hart in brand van de liefde tot de God van Israël en daarom is haar belijdenis en haar liefde principieel dezelfde als die van broeder Zacharias, die sprak: 'Mijne ogen hebben Uw zaligheid gezien', dezelfde als die van Maria Magdalena, die beleed: 'Rabbouni, mijn Meester', dezelfde als van Thomas, die, overweldigd door Christus' liefde, met deze woorden belijdenis deed: 'Mijn Heere en mijn God'.
En wij, die zoveel later leven, die zoveel meer weten, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn, doen wij ook belijdenis en dringt daarachter de liefde tot God en Zijn kerk? Het is maar een vraag, doch een zeer ernstige. Wij moeten ook vernachten, sterven en begraven worden, dat is zeker!
Welnu, wat is uw antwoord? De God van Israël hoort graag het goede antwoord, zo waarlijk als Hij leeft!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Openbare belijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's