De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

In het spanningsveld  van heden en verleden 1

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In het spanningsveld van heden en verleden 1

Belijden en Belijdenis

6 minuten leestijd

Wanneer wij boven dit artikel de woorden Belijden en Belijdenis geschreven hebben, een werkwoord én een zelfstandig naamwoord, komen er vooral twee gedachten bij ons boven. De eerste is, dat deze twee woorden toch wel heel veel op elkaar lijken en daarom heel veel met elkaar te maken moeten hebben. En de tweede gedachte is, dat het toch verschillende woorden zijn, verschillende soorten van woorden, een werkwoord én een zelfstandig naamwoord, en dat er dus ook een verschil tussen moet bestaan. Welnu, wij willen in het hier volgende verhaal graag bij beide aspecten stilstaan. Dat doen wij natuurlijk niet voor de aardigheid, maar omdat deze relatie en dit verschil tussen beide woorden te maken heeft met ons en anderer staan in de kerk en in de geschiedenis daarvan. Het heeft te maken met de vraag, hoe wij de verhoudingen zien tussen de opdracht tot belijden van de kerk in het heden en de waardering van de belijdenis van de kerk in het verleden. Het heeft zelfs te maken met de betekenis, die wij aan de Schrift toekennen, het gezag dat de Bijbel heeft in de kerk en voor ons. Kortom, in deze twee woorden ligt het hele spanningsveld uitgetekend, waarin de kerk zich bevindt, wanneer zij nadenkt over haar roeping om getuige Gods te zijn in de wereld.

Als wij zojuist spraken over een spanningsveld, denken wij vooral aan de volgende zaken. Wanneer wij geloven, dat de Schrift het eeuwige en genoegzame Woord van God is, is het dan wel gewenst, dat wij ons zo druk maken met b.v. het opstellen van of het handhaven van één of meer belijdenissen? Hebben wij aan de Schrift dan niet genoeg? Waarom moeten daarnaast nog belijdenisgeschriften erop na gehouden worden? Het gaat er immers om telkens de Schrift zelf te laten spreken in de situatie, waarin de kerk op dit ogenblik verkeert? Een tweede vraag, die zich voordoet is deze. Erkennende, dat het toch wel nodig is, dat de Kerk zich uitspreekt in haar belijden, moeten wij wel rekening houden met het feit, dat wij in een geschiedenis ons bevinden, waarin voortdurend de dingen veranderen. Dat geldt voor de wereld, waarin wij leven, voor de mensen zelf, voor de culturen, die elkaar afwisselen, enz. Als dat zo is, én de kerk heeft de roeping om telkens weer in deze wisselende situaties de Naam des Heren te belijden, kunnen wij dan wel volstaan met te verwijzen naar vroegere belijdenissen? Is dit niet een verouderd belijden? Doet de kerk zodoende wel iets meer dan het repeteren van oude, altijd zichzelf gelijkblijvende waarheden?
En gaat het er juist niet om telkens nieuwe woorden te vinden, een nieuw en verrassend geluid te laten horen, waar de mensen van ophoren, en waarvan zij de indruk krijgen, dat het een woord is dat to the point is, dat ter zake is en dat slaat op werkelijke, aan de orde zijnde vragen en noden en perspectieven?

Vooral in dit laatste verband komt de spanning tussen Belijden en Belijdenis naar voren. Degenen, die bovenstaande vragen stellen, leggen de nadruk op het werkwoord Belijden. Het gaat daarin inder­daad om een werk-woord. Belijden is een zaak, die de kerk aan het werk zet en aan het werk houdt. Het is de kerk in actie, een kerk, die getuigt en daar nooit mee klaar komt. Om dat belijden gaat het. Terwijl, als wij het houden bij een belijdenis wij ons vastklemmen aan een abstractie, aan een verkilde zelfstandigheid. In een belijdenis — zozegt men dan — is de actie van het belijden gestold in een statische, onbeweeglijke grootheid. Dat werkt bijna vanzelf verstarring in de hand. En daarom is de kerk, die alleen maar van een belijdenis weet te spreken, om die te handhaven en die weer te geven, een verstarde kerk. Zo'n kerk leeft niet meer. Zij kan — zo zegt men — orthodox zijn, maar haar orthodoxie is een dode orthodoxie. Zij kan de rechte leer verkondigen, maar het is meer leer dan leven. Zij kan het volkomen aan het rechte eind hebben, maar er gaat niets meer van haar uit. Zij staat niet als een getuige in de wereld, maar als een monument: eerbiedwaardig, maar heel makkelijk te passeren, zonder dat je er last of gemak van hebt.

Het valt niet te ontkennen, dat in deze wat critische belichting toch dingen aan de orde worden gesteld, waarmee wij in alle ernst ons mee hebben te confronteren. Het zou niet goed zijn, als wij lichtvaardig eraan voorbij zouden gaan, b.v. met het voorwendsel, dat zulke geluiden altijd al gehoord zijn en wij ons daarom niets ervan hoeven aan te trekken. Dat zou wel een goedkope reactie zijn, maar geen vruchtbare. Integendeel. Als er ook nu weer in bovengenoemde zin gesproken wordt, en dan vooral de bezwaren worden geuit in onze richting, zullen wij goed er naar dienen te luisteren, en moeten wij ons opnieuw afvragen, hoe wij in dit opzicht staan. Geven wij inderdaad niet toe aan de verzoeking om in een orthodoxe verstarring terecht te komen? Een verzoeking, die juist in deze tijd van polarisatie in verhevigde mate op ons afkomt. En als wij het willen houden op de Belijdenis der kerk en daarmee wensen te staan en te werken in de kerk, moeten wij dan niet voortdurend in het oog houden, dat Belijden en Belijdenis inderdaad toch niet hetzelfde zijn? En hebben wij ons dan niet af te vragen, waarin dan de overeenkomst en waarin het verschil liggen en hoe de verhoudingen hiertussen zijn? En moeten wij ook niet voortdurend blijven zien, dat het in dit alles gaat en dient te gaan om God zelf en om Zijn levende openbaring in Jezus Christus door het Woord en de Geest?
Ik dacht, dat het goed is, dat deze dingen opnieuw aan de orde komen, opdat wij de gelegenheid ontvangen voor een nieuwe bezinning, die dienen moge tot verdieping en verlevendiging van onze roeping in de kerk en in de wereld van vandaag. Graag willen wij een volgende keer daar nog verder op doorgaan.
De B.                                                                                C. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

In het spanningsveld  van heden en verleden 1

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's