De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Noodzakelijke bezinning

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Noodzakelijke bezinning

Schriftberoep - gebed - zelfkritiek

13 minuten leestijd

Op de vraag wat het wezenlijke is van het kerkzijn en het christen-zijn zijn meerdere antwoorden te geven. Maar er zijn in onze tijd wel enkele dingen, die om ernstige bezinning vragen. Op een drietal punten wil ik hier ingaan.

Is beroep op de Schrift nog mogelijk?
Door de eeuwen heen is de Schrift de bron en de norm geweest voor het christelijk geloof. Door de eeuwen heen zijn overigens met een beroep op de Schrift tegengestelde meningen verkondigd, leerstellingen ontworpen en ethische richtlijnen gegeven. Ook onder diegenen, die nadrukkelijk aan het gezag van de Schrift willen vasthouden, is er met beroep op de Schrift telkens weer verschil van inzicht geweest, een uiteengroeien vaak ook in wezenlijke zaken. Het beroep op de Schrift is kennelijk niet zo eenvoudig als vaak gesteld wordt.
Wat we in onze tijd echter zien gebeuren, is dat het beroep op de Schrift als zodanig een problematische zaak gaat worden. Het is opvallend hoe in allerlei kerkelijke discussies, ook op kerkelijke vergaderingen, de Schrift ongenoemd blijft. En noemt iemand ter adstructie een bijbeltekst of een bijbelgedeelte dan valt niet zelden het verwijt van biblicisme of fundamentalisme: De theologie, de sociologie, het algemeen van gevoelen van de moderne mens zijn vaak dermate over de Schrift gelegd, dat de Schrift er in feite niet of nauwelijks meer aan te pas komt. Het huidig theologisch denken is zelf — zo heet het dan welhaast — vrucht van voortgaande openbaring.
Iemand hield een betoog, waarin veelvuldig verwezen werd naar de Schrift. In de discussie merkte één van de aanwezigen op, dat het hem allemaal te massief was. Het leek wel of de referent 'bij God in het boekje gekeken had'. Met eerbied gezegd mogen we echter toch bij God in het Boek kijken? Hij heeft zich geopenbaard en op geen andere wijze dan in Zijn Woord. Daarop mogen we toch in alle vrijmoedigheid een beroep doen? Daarop moeten we ons toch helemaal en alleen oriënteren bij alle vragen, die zich in het leven voordoen? Wee dan degene, die iets afdoet van de woorden van dat boek, zijn naam zal zelfs worden uitgedelgd uit het boek des levens.

Sommige theologen spreken openlijk uit dat wij er in onze tijd vanwege de gewijzigde omstandigheden in bepaalde opzichten anders over moeten denken dan de bijbelschrijvers. Velen zullen het zo openlijk niet zeggen maar is het niet zo langzamerhand de praktijk wel geworden? Wordt het beroep op de Schrift, het verwijzen naar concrete Schriftuitspraken niet meer en meer een door velen aangevochten zaak? Men merkt het bij vraagstukken als abortus, de huwelijksethiek, de zondag, bij fundamentele leerstukken uit de Schrift, bij het spreken over engelen, de duivel, de hemel en de hel, de wederkomst van Christus, de wonderen. De Schrift wordt dichtgedaan, directe Schriftuitspraken terzijde gelegd, slechts wat voor de mens nog geloofwaardig is blijft over. William Booth, de stichter vali het Leger des Heils, heeft eens gewaarschuwd voor een christendom zonder bekering, zonder hemel en zonder de Bijbel. Zien we dat niet duidelijk om ons heen? Maar waar zouden we onze wijsheid anders vandaan hebben dan uit het onfeilbare Woord van God?

Intussen is men niet klaar met de opmerking: terug naar het Woord! Kennis van de Schrift is nodig. In hoeveel gezinnen is het gezamenlijk bijbellezen niet achterwege gelaten? Pasgeleden is er een onderzoek geweest, waaruit bleek dat 43 procent van de Nederlanders boven 15 jaar geen bijbel bezit en dat 54 procent van hen, die er wél een bezitten, er nooit in lezen. Vierendertig procent van de Nederlanders boven 15 jaar bleek slechts nog regelmatig naar een kerk te gaan. Deze cijfers spreken al voor zich. Als er zó'n hoog percentage van ons volk is, dat nooit de bijbel leest, hoe klein zal dan niet het percentage zijn van de mensen die er regelmatig in lezen? Mijn volk wordt uitgeroeid omdat het zonder kennis is zegt de Schrift. De regelmatige Schriftlezing in het gezin en het samen nadenken over de Schrift is voor het leven broodnodig. Daarom is het een goede zaak dat meer en meer de bijbelkringen in de gemeenten van de grond komen. Samen vorsend in de Schrift leert men ook de Schriftverbanden zien. We lezen zo gemakkelijk over de dingen heen. En bij het hanteren van bijbelteksten kan men er ook maar al te spoedig naast zitten als we het verband van de tekst en de samenhang van de Schrift niet zien. Er is ook een Schriftgebruik, dat ontspoort omdat woorden uit hun verband te pas en te onpas worden aangehaald, zonder dat ze gezien worden in hun Schriftuurlijk verband. In de Schrift komen we daarom nooit uitgestudeerd.

Willen we ook met de mensen kunnen spreken in de poort en wil dit op verantwoorde wijze gebeuren dan moeten we de Schriften kennen. Duizenden putten uit andere bronnen dan de Schrift en vele christenen gebruiken helaas ook twee bronnen, de Schrift én het moderne levensgevoel, wat onvermijdelijk inhoudt een aangepaste Schrift, met tenslotte als consequentie een algemene religiositeit onder de benaming evangelische inspiratie, waarin voor een hantering van de Schrift en een beroep op de Schrift geen plaats meer is. Het is nog niet zo lang geleden dat in een gesprek met een aantal personen, behorend tot onderscheiden kerken, een discussie gevoerd werd over de vraag of in een bepaald stuk moest staan dat de positiebepaling door het Evangelie geïnspireerd of aan de Schrift genormeerd moest zijn. Het laatste was voor een aantal personen te strak en te statisch geformuleerd. Maar als niet de Schrift meer de bron is voor geloof en leven dan hebben we geen bron, slechts gebroken bakken die geen water houden.

Gebed niet meer nodig?
De Catechismus antwoordt op de vraag waarom het gebed voor de christen nodig is, dat het het voornaamste stuk van de dankbaarheid is, dat God van ons eist, en dat God Zijn genade en de Heilige Geest alleen aan hen geven wil, die Hem met 'hartelijk zuchten' zonder ophouden daarvoor bidden en danken. Het gebed is de adem van de ziel. In ons blad heeft ds. Van der Wal daarover een groot aantal goede artikelen geschreven. Nu is bidden allereerst een persoonlijke zaak en niemand weet hoe het met dit persoonlijk gebedsleven in de gemeente gesteld is. Bidden is een zaak van de binnenkamer, hoewel ook geldt wat vroeger wel karakteristiek werd opgemerkt, dat meer met de pet op gebeden wordt dan met de pet af. Daar is namelijk ook het gebed zo middenin het leven onder het werk, op reis. Bidden is het ademen van de ziel. Onophoudelijk, als het goed is, zegt de Catechismus.
Maar behalve het persoonlijk bidden is er ook het gemeenschappelijk bidden. Daarvan kan grote kracht uitgaan en daarin kan sterk onderlinge gemeenschap worden ervaren. Wordt dit gemeenschappelijk bidden niet teveel nagelaten? En nu bedoel ik niet het openbare gebed als zodanig. Meer en meer wordt het ook op vergaderingen nagelaten. Maar ik bedoel vooral het gebed in kleinere kring, bij kerkelijke gesprekken ook. Wordt niet veel te veel, ook in kerkelijke besprekingen het gebed achterwege-gelaten?

Maar wat me de laatste jaren uit veel correspondentie met name is opgevallen is, dat velen in hun persoonlijk leven behoefte hebben aan gebed samen, met anderen. Het is in allerlei kringen al zo, dat zelfs de dominee op huisbezoek en ziekenbezoek niet meer tot een gebed komt. Er is ook in de gemeenten veel nood en eenzaamheid, waarin mensen de behoefte hebben aan iemand die met hen bidt. Hebben we het misschien ook wat betreft het 'ambt aller gelovigen' niet teveel verwaarloosd om met elkaar in gemeenschap te bidden? We praten veel, we discussiëren veel en we bidden (te) weinig. Predikanten worden geroepen om zelf veel te bidden voor anderen. Er wordt door anderen met hen misschien (te) weinig gebeden. En er is geen moeilijker werk dan het hunne. Mensen, die op eenzame posten werken, soms ploeteren, ervaren het vaak als een gemis, dat er zo weinig met hen gebeden wordt. Zouden we ons ook niet moeten oefenen om, wanneer we weten van nood, van problemen, van eenzaamheid bij anderen, bij onze vrienden en bekenden, bij mensen die we ontmoeten in de gemeente, om dan met hen te bidden? Wordt het gebed in de gezinnen, het samen echt bidden aan tafel ook al niet steeds minder? De jacht van het leven, de ongeregelde werktijden en dus etenstijden werken dit al in de hand. Maar vaders zijn als het goed is priester in hun gezin. En daar hoort dan toch bepaald ook het bidden met het gezin bij? Ook in de kringen der jongeren is er vaak sterke behoefte aan oefening van de gemeenschap, ook in het samen bidden. Het komt voor dat jongeren, hoewel ook ouderen, samen gebedskringen vormen. Dat zijn, mits goed geleid, goede zaken. Het komt voor dat rondom het beroepingswerk in de gemeente zich gebedskringen vormen. Dat is een betere zaak dan het vormen van kritiek-kringen. Zo zou meer te noemen zijn. Wat zou het het gemeentelijk leven ten goede kunnen komen als we als leden der gemeente meer samen in het gebed waren om het welzijn van elkaar in geestelijk opzicht, om de leniging van noden in geestelijk en ander opzicht, om het welzijn van kerk en staat. Bidden is het ademen van de ziel, zowel individueel als gemeentelijk.

Zelfkritiek
Nog een derde punt. Het christenleven kan niet zonder de Bijbel, kan niet zonder gebed maar is, als het goed is, verder gekenmerkt door ootmoed. Iemand zei: het eerste kenmerk van een christen is ootmoed, het tweede kenmerk is ootmoed en het derde kenmerk is ootmoed.
We leven in een tijd, waarin de christelijke gemeente bedreigd wordt door enorme gevaren van buitenaf. En we wijzen naar alle kanten, we signaleren de verschijnselen allerwege maar waar is het besef van gemeenschappelijke schuld? Is er wel voldoende zelfkritiek, is er wel voldoende besef, dat we ook van binnenuit bedreigd worden? We zien hoe de verpulvering en de vermolming is gekomen in veel organen, organisaties, instituten, kerken en kringen waar het allemaal een keer goed — wat noemt ge me goed? — begon, waar vanuit een levend geloof gewerkt werd, gestreden, geleefd, gedacht. Maar het moderne levensgevoel drong binnen en de zaak ontspoorde ook van binnenuit. En nergens is het gevaar van verpulvering en vermolming groter dan daar, waar de ootmoed ontbreekt, waar de zelfverheffing komt. We kunnen in onze tijd, bij alles wat we opzetten en organiseren, bij al wat we (nog) hebben en (weer) krijgen, of het nu een gereformeerde bond is of een sociale academie, of het nu een gemeente met 'goede' kerkgang betreft of gemeentelijke activiteiten die 'goed' lopen, moeilijk triomfantelijk doen. Wij en onze vaderen hebben gezondigd. We dragen mee de schuld en de nood van de ontreddering. Onder veel wat rechtzinnig is, wat meelevend is, wat het bij de waarheid wil houden — terechte en verheugende dingen op zich — kan ook veel schuilgaan (liefdeloosheid, gebrek aan bewogenheid, aan levende kennis, aan godsvrucht en godsvreze) wat schuldig stelt voor God en de mensen. We hebben niet te roemen in rechtzinnigheid, in trouwe opkomst, in getalsterkte of in het liefhebben van de waarheid. Wie roemt, roeme in de Heere. En als ik in iets roemen zal — zegt Paulus — dan alleen in het kruis van Christus. We hebben het ook als gereformeerden in de Hervormde Kerk en daarbuiten te beseffen dat ook onder ons, in eigen gelederen, ook in de beste gemeenten, de nood van de huidige ontkerstening en van de verwereldlijking er is. Zoals Hoedemaker eens zei: 'Hervormden en Dolerenden, Anti-Revolutionairen en mannen van de CH-richting, allen zijn we 'afgeweken en samen onnut geworden', zo moeten we het ook nu zeggen: 'Gereformeerde Bonders en Confessionelen, Midden-Orthodoxen en Gereformeerden van wat soort of kerk ook, samen afgeweken, samen onnut geworden'. Alleen in de ware ootmoed, in gemeenschappelijk besef van de schuld voor God en de mensen ligt de weg tot vernieuwing van de kerk. En wie het in deze tijd verwacht van organisatie of reorganisatie, soms gebracht onder de naam 'herhaalde reformatie', zal al bij voorbaat verliezen. We hebben de signalen uit de geschiedenis wel te verstaan. We hebben de plicht om te arbeiden daar waar het mogelijk is, ook in organisaties of verbanden, voor de doorwerking van het Woord in kerk en samenleving. Maar verootmoediging, schuldbelijdenis, zelfkritiek zijn eerste vereisten om tot gezondmaking van de kerk te komen.
Mij moet hier één ding van het hart. Pijnlijk werden we opnieuw getroffen door uitlatingen uit de kring van de Gereformeerde Gemeenten. Op de laatstgehouden synode werd aandacht besteed aan het grote aantal overgangen naar de Hervormde Kerk; het Reformatorisch Dagblad berichtte er ons over. Ik kan me best voorstellen dat men daarmee zit. Wij steken over deze dingen niet de loftrompet en kunnen begrijpen, dat achter zulke dingen pijnlijke kanten zitten. We zwijgen daar nu verder over. Maar nu zeiden dan enkele predikanten ten aanzien van de gesignaleerde overgangen dit: 'De rechte prediking sluit niet alleen in maar ook uit. Zo kan het vertrek van mensen uit onze gemeenten een vrucht zijn van de Schriftuurlijke prediking.'
Beste broeders, zó niet! De rechte prediking sluit in en uit, jawel, in en buiten het Koninkrijk Gods en het kan ook zijn in en buiten het echt reformatorische spoor in de volle, diepe zin van het Woord (en dat laatste zal ook bij bepaalde overgangen uit de Geref. Gemeenten wel het geval zijn). Maar het Koninkrijk Gods en ook dat reformatorische spoor vallen niet samen met de Gereformeerde Gemeenten. Beste broeders, zo niet, de Schriftuurlijke prediking ligt altijd breder en dieper dan wat in welke kerkelijke kring ook, gebruikelijk is.
Laten we de prediking in Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Bond, in de Christelijk Gereformeerde Kerken en in welke kerk dan ook maar eens leggen naast die van Augustinus en Luther, Calvijn en Kohlbrugge, Teelinck en Udemans, Voetius en a Brakel, waar zou ik beginnen en waar zou ik eindigen, en dan eens oordelen waar de diepte en de breedte van de Schriften zo in de volle breedte doorkomt als daar. Samen zijn we afgeweken, samen zijn we onnut geworden. Wat we nodig hebben is gemeenschappelijke verootmoediging. Geen hovaardij, geen kerkelijke hovaardij of zelfingenomenheid, maar ootmoed en het de ander meerder achten dan zichzelf. Daar ontbreekt maar al te veel aan. En we gaan ten onder omdat de liefde ontbreekt.
Ik heb in hetzelfde synodeverslag gelezen dat opgeroepen werd tot zelfonderzoek. Waarom gaan mensen heen die men niet kan vasthouden. We mogen deze vraag ook onszelf stellen. Maar als resultaat van het onderzoek bij voorbaat vaststaat: 'bij ons „is de (enige) Schriftuurlijke prediking', dan is het zelfonderzoek bij voorbaat vruchteloos. Bij de synodevergaderingen van welke kerk dan ook signaleren we allerwege zorgen om in 't rechte spoor te blijven. Laten we in die zorgen met elkaar meeleven en hopen en bidden dat God door de kerken van nu heen Zijn Kerk voor de toekomst (van ons en onze kinderen) wil bewaren.
Het kenmerk van de christen, ook van predikanten, ook van kerken is als het goed is: ootmoed, ootmoed, ootmoed ! En gezien de zorgen van onze tijd is dat wel allermeest nodig. 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Noodzakelijke bezinning

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's