De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vreemdeling, maar niet  wereldvreemd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vreemdeling, maar niet wereldvreemd

12 minuten leestijd

Welke betekenis heeft onze arbeid in het licht van de eeuwigheid? Met welke gezindheid, en met welk doel zijn christenen als het goed is bezig in de wereld waarin we leven? Onder welk perspectief staat ons ethisch handelen? Kunnen christenen eigenlijk wel ten volle aan het werken op deze aarde deelnemen? Ziehier enkele vragen die aan de orde komen in een boek van prof dr. W. H. Velema, dat dezer dagen bij uitgeverij Ton Bolland verscheen onder de titel Ethiek en pelgrimage. Het boek heeft als ondertitel: Over de bijbelse vreemdelingschap.

Vreemdelingschap
In de vreemdelingschap van de christenen in deze wereld neemt prof. Velema zijn uitgangspunt voor het ethisch handelen. Voor die vreemdelingschap is weinig aandacht in het huidige denken. Het Marxisme hanteert de term vervreemding. Mensen zijn vervreemd van elkaar (door gedwongen machtsverhoudingen), van hun arbeid (ze werken voor vreemd geld), van de natuur (door industrialisatie). Die vervreemding moet — als kwaad — overwonnen worden. Dat is de Marxistische houding inzake de ethische vragen. Maar dat is wat anders dan de Bijbelse vreemdelingschap. De moderne theologie weet met de vreemdelingschap óók geen raad. Die neemt haar uitgangspunt voor de ethiek in de incarnatie (de vleeswording van het Woord). Omdat God in de wereld mens werd, moet de mens de aarde voluit ernstig nemen en is er voor vreemdelingschap geen plaats.
Velema wil nu in zijn boekje vreemdelingschap en ethiek in één verband brengen, wat naar zijn gevoelen ook zo functioneerde in de Nadere Reformatie: sterke nadruk op de heiliging van het leven, tot in de politiek, met tegelijk het accent op het vaderland dat boven is.

Bijbelse gegevens
Uitvoerig gaat de auteur in op de Bijbelse gegevens aangaande de vreemdelingschap. In het O.T. spreekt God tot Abraham en Jacob over het land waar ze als vreemdelingen vertoeven (Gen. 17: 18; 26: 2; 28: 4). Maar dit vreemdelingschap is overigens een motief om als volk barmhartigheid te betonen tegenover vreemdelingen (Lev. 19: 34; Deut. 23: 7). De vreemdelingschap is geen ballingschap. Wel heeft het een eschatalogische dimensie, namelijk de dimensie van de verwachting van de stad die fundamenten heeft. Abrham vertoefde in het land maar had de vervulling van de belofte nog niet verkregen.
In het N.T. heeft met name Petrus op de vreemdelingschap van de gelovigen nadruk gelegd (1 Petr. 1: 1, 2). 'God schept zich een eigen volk', aldus Velema. 'Wie daartoe niet behoort, is een vreemde. Wie daartoe wel behoort wordt vreemd aan anderen, die tot dat volk niet behoren'.
De vreemdelingschap is geen negatieve zaak maar gaat uit van het positieve van het aangebroken heil, van het alreeds van de verlossing. Door hun deel hebben aan het heil in Christus zijn de gelovigen vreemd geworden aan wat vroeger hun leven beheerste. En zo is de vreemdelingschap gesponnen tussen het verlost zijn uit het leven in de zonde, in deze wereld én de verwachting van wat komt. 'De vreemdelingschap doet haken naar de toekomst, waarin de verlossing volkomen zal zijn. Als vreemdeling in deze wereld weet de gelovige zich op weg naar die toekomst. Maar tegelijk weet de vreemdeling zich gesteld in deze wereld'. Voor het delen in de verlossing heeft de gelovige Christus nodig. Voor het delen in de verlossing heeft de gelovige Christus nodig. Voor het beleven van de verlossing heeft hij de Heilige Geest nodig. In het werk van de Heilige Geest zit dan altijd een tweevoudige trek, namelijk om hier en nu te werken en naar de toekomst heen te werken.

Kritisch
Kritisch gaat Velema vervolgens in op enkele theologen, die zich op een eigen wijze met het staan in de cultuur hebben bezig gehouden. Kritisch gaat hij bijvoorbeeld in op dr. W. Aalders, die — aldus Velema — zulk een ingrijpende tegenstelling tussen het oude en het nieuwe maakt, 'dat we ons niet aan de indruk en konklusie kunnen onttrekken, dat de nieuwe wereld een nieuwe schepping is'. In deze gedachtengang is er volgens Velema weinig plaats over voor een taak op aarde. We mogen de oude en nieuwe schepping niet zo tegenover elkaar stellen, dat we de bijbelse gedachte van de herschepping verliezen. 'Uit reaktie mogen we ons ... niet zo op de vreemdelingschap terugtrekken, dat we het vernieuwende en hervormende werk van de Heilige Geest in de wereld afschrijven'. Bij Aalders geschiedt dat, aldus Velema, vanuit een grondvisie (herschepping is het eind van de oude schepping), die weersproken moet worden. Velema spreekt liever niet over burgers van twee werelden (titel van een boek van dr. Aalders) maar van één wereld, de nieuwe wereld van Gods verlossing en vernieuwing. 'Dat maakt ons tot vreemdelingen in deze wereld. Maar toch in deze wereld'.
Kritisch gaat Velema óók in op de visie van dr. A. Kuyper, die de cultuuropdracht fundeerde in de gemene gratie, de algemene genade. De gemene gratie zou de mens in staat stellen om de oorspronkelijke scheppingsmogelijkheden weer tot ontplooiing te brengen. Daaraan moet de christen derhalve meewerken. (Men ziet, dit staat wel diametraal tegenover de visie van dr. W. Aalders). Op deze wijze, aldus Velema, wordt de termijn van de vreemdelingschap afhankelijk gesteld van de mate waarin de scheppingsmogelijkheden weer tot ontplooiing zijn gebracht. Zo komt de vreemdelingschap te staan onder een te sterke druk van de uitvoering van de scheppingsopdracht.
K. Schilder heeft dat alles nog consequenter gedaan dan Kuyper. Schilder wijst weliswaar de gemene gratie als fundament voor de arbeid van christenen in de wereld af. Hij gaat namelijk uit van de bijzondere genade voor het cultuurmandaat. Christenen hebben als ambtsdragers van God, vanuit de particuliere genade hun cultuuropdracht te vervullen tot aan, maar ook met het oog op de komst van Christus. Velema maakt er bezwaar tegen dat ook op deze wijze wat tot heden nog niet tot stand kwam alsnog door ons moet worden gerealiseerd. Ook hier wordt de voleinding van de wereldgeschiedenis afhankelijk van de voltooiing van de cultuuropdracht door ons.

Eigen positie
Wanneer Velema dan zijn eigen positie, na de kritiek op Aalders, Kuyper en Schilder, onder woorden brengt, uitgaande van de vreemdelingschap, dan stelt hij de afloop en het eindpunt van de wereldgeschiedenis niet onder de beheersing van de opdracht van Genesis 1: 28 (Weest vruchtbaar, vervult de aarde) maar onder de klem van de prediking van het Koninkrijk in héél de wereld (Matth. 24: 14). Ons werk vindt plaats nadat Christus de beslissende wending in de wereldgeschiedenis heeft gebracht. Al ons doen draagt daarbij het karakter van een teken, een heenwijzing naar het Rijk Gods, dat in volkomerïheid komt. Wij behoeven niet over te doen wat Christus al gedaan heeft. Het christelijke handelen is ingeklemd tussen het alreeds van Christus' opstanding en de zekerheid dat de erfenis gereed ligt. De nieuwe wereld wordt als een erfenis in de hemelen bewaard. Wat in de tussentijd tot stand wordt gebracht is teken van die nieuwe wereld. Er is continuïteit — aldus Velema — tussen wat op deze aarde en wat op de nieuwe aarde geschiedt. Maar die continuiteit rust, niet in wat wij doen. Zij is te danken aan de trouw van God jegens Zijn eigen werken. En die continuiteit is slechts te kennen in het geloof ('geciteerd bij J. P. Versteeg).

Beoordeling
Ik heb in het bovenstaande zo uitvoerig mogelijk de teneur van Velema's boekje weergegeven. Het zal duidelijk zijn, dat hij op indringende wijze bezig is geweest met een bepaling van de zin van onze arbeid en van al ons handelen, van onze ethische beslissingen en handelingen in deze wereld. Hij. geeft daarbij een heldere en indringende analyse van anderer visie en een belijnde omschrijving van zijn bezwaren.
Het boekje bevat bovendien een waardevolle toespitsing van de doordenking van de vragen op ethisch terrein, namelijk in een tweetal hoofdstukken, die handelen over antithese of samenwerking (de vraag dus van eigen christelijke organisaties) en over het compromis ('het compromis doet de vreemdelingschap ervaren in de vorm van lijden en nood').
Waardevol acht ik dit boek ook vanwege de fundamentele afwijzing van al die constructies en systemen, die de komst van het Rijk Gods (mede) afhankelijk maken van ons handelen, of dat nu de moderne theologie is met z'n geseculariseerde toekomstverwachting of de theologie, die opkomt uit de gemene gratie met z'n eenzijdig accent op de voltooiing van de scheppingsopdracht. Wat ik miste was overigens een 'confrontatie met Van Ruler'. Deze wordt slechts in de marge genoemd maar is als baanbrekend theoloog, juist als het om de cultuur gaat dunkt me niet te ontwijken.
Waardevol acht ik met name het uitgangspunt van Velema's boek, de vreemdelingschap, zonder dat de auteur daaruit besluit tot desertie, tot een zich terugtrekken uit de wereld. Vandaar dat ik als titel boven dit artikel plaatste 'vreemdeling, niet wereldvreemd'. Tegelijk brengt Velema de werken onder de noemer van het teken, het teken dat heenwijst naar de volkomenheid van het Rijk.

Vragen
Toch zit hier naar mijn smaak iets onbevredigends. Wie z'n uitgangspunt neemt in de vreemdelingschap kan het karakter van die vreemdelingschap dunkt me niet fundamenteel genoeg peilen. Calvijn bracht de vreemdelingschap in de buurt van 'de verachting van het aardse leven'. Calvijn zegt: 'Want indien de hemel ons vaderland is, wat is dan de aarde anders dan een oord der ballingschap? Indien het verhuizen uit de wereld is de ingang tot het leven, wat is de wereld dan anders dan een graf? En wat is in de wereld blijven dan anders dan verzonken liggen in de dood? Indien bevrijd te worden van het lichaam betekent gebracht te worden in volkomen vrijheid, wat is het lichaam dan anders dan een kerker?'
Een krasse uitspraak. Velema vindt dat Calvijn hier over de grens van het bijbels spreken schijnt te gaan. 'Deze verachting voedt een vreemdelingschap die zich terugtrekt'. Toch heeft Calvijn als geen ander doordacht, bijbels doordacht de roeping van de kerk als geheel en de christenen afzonderlijk in het leven. Daar was allerminst sprake van distantie. Calvijn heeft zichzelf ook volop ingezet in de stad Geneve voor de realisering van Zijn visie. Velema erkent dat ook maar vindt dit bij Calvijn meer een zelfcorrectie uit de Schrift dan een 'daadwerkelijk betrachten van de verachting'.
Maar was Calvijns nadruk op de verachting van het leven en dus op de vreemdelingschap niet helemaal getoonzet door het besef van de radicale verdorvenheid van het bestaan, een verdorvenheid, die zetelt in het hart van de mens maar vandaar uit ook doordringt tot in de dingen, tot in al het geschapene. 'Het ganse schepsel zucht, als in barensnood', zegt de Schrift, en wij verwachten de verlossing van ons lichaam (Rom. 8: 22, 23). Gegeven de totale verdorvenheid van het bestaan (de) is de verlossing des te radicaler. Calvijns 'verachting van het aardse leven', op grond van de totale verdorvenheid van de mens en zijn zicht op de heiliging van het (totale) leven, vanuit de verlossing door Christus, vormden dunkt me een fundamenteler eenheid dan Velema wil doen voorkomen. En wat het eschaton betreft, wanneer de volkomenheid van het Rijk doorbreekt, dat is dunkt me een verborgenheid. Dat ligt in Gods Raad verborgen. Velema spreekt van herschepping: God geeft Zijn schepping niet prijs. Tegelijk spreekt de Schrift ook over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (niet de vernieuwde aarde).
En Velema zelf gebruikt in het slothoofdstuk deze woorden ook: nieuwe wereld, nieuwe aarde en wijst er dan ook op dat, als er sprake is van continuïteit dit alleen in het gelóóf verstaan kan worden. Hij voelt hier kennelijk ook de spanning van zijn visie in deze. Men kan zich afvragen of de gedachte van continuïteit (hoe dan ook) en het uitsluitend stellen van het teken-karakter van onze daden wel samen kunnen gaan.
Zeker is, dat de Schrift ons allerwege zegt, dat de nieuwe wereld komt door de crisis, door het gericht heen. En daarom kan ons werken en handelen niet méér dan een voorlopig karakter, een teken-karakter hebben. Daarbij zal er dan tóch, gegeven de gebrokenheid en de verdorvenheid van het bestaan, iets zijn van de verachting van het aardse, in de zin van het door de zonde aangetaste. En vandaaruit is er ook het verlangen naar het volkomene, dat er niet hier en nu is, maar er wel éénmaal zijn zal. Wat dan verder de (grote) toekomst zal openbaren is hoe onze werken zullen volgen in Gods Koninkrijk, hoe God niet vergeet de arbeid der liefde aan Zijn Naam bewezen en hoe de koningen de eer en heerlijkheid der volken in het nieuw Jeruzalem zullen indragen. Het zal alleen gelouterd, door de verlossing in Christus, kunnen, of dat nu door de vernieuwing van deze aarde of in de komst van een geheel nieuwe aarde komen zal. Maar alleen al door de radicaliteit van de verlossing door Christus heeft vernieuwing de toonzetting van niet meer gedenken aan het oude. Het is voorbijgegaan. Alles is nieuw geworden.
Me dunkt dat al diegenen, die in deze tijd vasthouden aan de gedachte, dat onze daden het Rijk niet brengen maar hoogstens teken zijn, en dat het christenleven het stempel draagt van de vreemdelingschap elkaar dan ook moeten vinden in die gezindheid en daadwerkelijke betrokkenheid, die gedragen wordt door de arbeid der liefde aan Zijn Naam bewezen. Zó heb ik Velema's boek gelezen. Zijn diepgaand bezig zijn met de zin van ons bestaan en van ons handelen geeft ons ruime stof tot nadenken, ook al meen ik dat hij uit Calvijns visie op de verachting van het aardse en ook uit de nadruk van dr. W. Aalders op de nieuwe schepping, die de komst van de nieuwe aarde brengt, ten onrechte concludeert, dat deze visies distantie tot gevolg zouden (moeten) hebben ten aanzien van het bezig zijn in de wereld. In het besef dat de daad een teken-karakter heeft zal meer overeenstemming zijn dan verschil. En ten aanzien van de vraag in hoeverre en hoe onze werken volgen zal er meer sprake kunnen zijn van een vast vertrouwen dat dan een zeker weten hoe.
Men leze Velema's boekje, waarvan de omslag een fraai motief heeft van Anneke van Wijngaarden: een zwoegende steenbakker! En de boer, hij ploegde voort. En de steenbakker, hij zwoegde voort. En wij, wij werken voort, zolang het dag is, maar ook met het oog naar boven.

Dr. W. H. Velema: Ethiek en Pelgrimage; Uitgave Ton Bolland; 103 pagina's.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Vreemdeling, maar niet  wereldvreemd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's