De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dionysius Denyssen en zijn  'Heerlyckheyt der Heyligen' 1

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dionysius Denyssen en zijn 'Heerlyckheyt der Heyligen' 1

Minder bekende oude schrijvers

10 minuten leestijd

Uit de geschiedenis van de Spaarnestad
Haarlem, de Spaarnestad, eertijds de zetel van de Graven van Holland; de stad van Laurens Jansz. Coster, die de uitvinder heet te zijn van de boekdrukkunst; de stad van Coornhert, de humanist; de geboortestad van Jan Matthijsz., de wederdoper; de stad van Kenau Simonsdochter Hasselaar, de heldin die zich legendarische roem verwierf; de stad van Jacob van Campen, de architect; de stad van Frans Hals, Jacob van Ruysdael en van Adriaan van Ostade, de schilders; de stad, tenslotte, waar Bilderdijk begraven werd.
Onder de steden van Holland is Haarlem een der oudste; er bestond allang een nederzetting vóór die in 1245 stadsrechten kreeg. Zij was ook een van de grootste; in het begin van de 15de eeuw was Leiden de enige stad die haar overtrof wat het aantal inwoners betreft; steden zoals Amsterdam, Delft, Gouda, Dordrecht, Rotterdam en Alkmaar waren in die tijd alle kleiner.
Wie Haarlem noemt, denkt aan de Sint Bavo; nog altijd wekt die kerk bewondering, zowel om haar interieur als om haar exterieur, om haar Nederlandse gotiek, om haar fraaie kansel, om haar monumentale koperen lessenaar, vervaardigd in 1499 door Jan Fierens uit Mechelen.
De stad heeft ook andere schone gebouwen, als het stadhuis (het oude slot der Hollandse graven) en de Vleeshal. En vroeger kende zij wel 21 kloosters, afgezien nog van vele andere kerken en kapellen.
De overgang in de 16de eeuw van Spaans naar Staats, van rooms naar gereformeerd is voor Haarlem geen gemakkelijke geweest, zij heeft veel strijd, hongersnood en bloed gekost.
Na de inname van Den Briel door de Watergeuzen in 1572 was Haarlem een der eerste steden in Holland die kozen voor de Prins van Oranje. Maar in 1573 kwam Don Frederik, de zoon van Alva; belegerde de stad, die helaas na enige tijd moest zwichten, niet zozeer vanwege het geweld der vijanden als wel vanwege de honger; een bloedbad volgde. De roomsen kregen weer de overhand. Vier jaren heeft dat geduurd; toen kwam de stad opnieuw aan de Prins en nu voorgoed. Nog hielden de roomsen veel macht, totdat in 1578, dus een jaar later, ook daar een einde aan kwam.
Geestelijk was er al heel wat roering geweest in Haarlem vóór eindelijk deze beslissing viel. Niet voor niets kwam Jan Matthijsz., een bakker, en een berucht wederdoper, uit deze stad. Het doperse element is ook later in Haarlem heel sterk gebleven. Straks in de 17de eeuw bestaat 15 à 20 procent van de bevolking uit doopsgezinden; verschillende groeperingen onder hen hebben eigen, soms flinke gemeenten gehad.
Maar er waren ook gereformeerden; al vóór 1572. Zij werden door de stadsoverheid, die, hoewel zij rooms was, zich verdraagzaam opstelde (misschien onder invloed van Coornhert, de stadssecretaris, de humanist) oogluikend toegelaten. In 1573 verandert dat; de gereformeerde predikant Simon Simonsz. wordt dan onthoofd. In 1577 is, onmiddellijk na de overgang van de stad, weer een gereformeerd predikant aanwezig, Thomas Thielt geheten. 24 maart 1577 houdt hij de eerste preek in de nu bevrijde stad, bij welke gelegenheid door hem het Avondmaal bediend wordt. Doch een vaste predikant krijgt de gemeente pas even later, in de figuur van Abrahamus Gallus, die echter na een jaar, in 1578, weer vertrekt. In zijn plaats komt dan Johannes Damius, die 34 jaar blijft, tot 1612. Hij was een buitenlander, kwam uit de Pfaltz maar heeft zich in Haarlem blijkbaar goed thuisgevoeld; hij moet een bekwaam man geweest zijn, wij treffen hem in de Acta van Provinciale en Particuliere Synoden van Noord-Holland herhaaldelijk aan, nu eens als praeses dan als assessor.
De Remonstrantse twisten, voorafgaande aan de Dordtse Synode van 1618, zijn ook aan Haarlem niet geruisloos voorbijgegaan. De magistraat van de stad was op de hand van Van Oldenbarnevelt en van de remonstranten; ook hier moest Maurits er aan te pas komen om verandering aan te brengen; evenals elders werd ook hier door hem de Wet verzet, wat betekent dat er door hem andere heren in Haarlem aan het bewind werden gebracht.
Maar ook dit alles ligt al weer lang in het verleden als in 1676 te Haarlem bevestigd wordt de predikant wiens naam boven dit artikel geschreven staat, Dionysius Denyssen. Vele jaren heeft hij de gemeente te Haarlem mogen dienen. Wij willen trachten iets naders aangaande zijn persoon en zijn werk te weten te komen.

Een zeer belezen predikant
'Na dat het Godt behaeght heeft my in sijnen ooghst uyt te stooten, en als zijn mede arbeyder in het Ackerwerck en gebouw sijner gemeynte te gebruyken, soo hebbe ick het altijdt mijnes plichts geoordeelt, nevens de ondersoeckingh van Godts Heylig Woordt, en tot beter verstandt van dien, oock tot vermaeck van my selven en ten nutte van anderen, verscheyde Boecken van geleerde Schrijvers te doorsnuffelen...' Hiermee weten wij dan dat Dionysius Denyssen een man van studie is geweest. Behalve de Schrift bestudeerde hij ook boeken der geleerden. Hij zag daar winst in voor zijn ambtswerk, en bovendien had hij er zijn vermaak in. Verscheidene boeken, zegt hij, heb ik 'doorsnuffeld'. Doorsnuffelen zal men hier niet moeten opvatten in de zin van vluchtig doorbladeren maar in de zin van grondig doornemen. Welke boeken door hem bestudeerd zijn, zegt Denyssen niet, maar wij zullen wel moeten denken aan de folianten der kerkvaders, de niet minder forse en dikke boeken van middeleeuwers; verder ook aan de geschriften van de hervormers, en die van roomsen, joden en zelfs heidenen.
Wij komen verder van Denyssen zelf te weten, dat hij zich van het begin van zijn studiën af aangewend had aantekeningen te maken van hetgeen hij las. Hij heeft dat nodig geacht vanwege de zwakheid van zijn geheugen. Die zwakheid dwong mij, zegt hij in zijn 17de-eeuwse Nederlands, 'aanteeckeningh van het geleesde in 't were te stellen'. Hij heeft er ontegenzeggelijk later veel gemak van gehad. Denyssen moet in dit alles ook zeer zorgvuldig te werk zijn gegaan. Dat hij een hele schat aan gegevens in de loop der jaren heeft weten bijeen te vergaderen leert ons reeds een eerste blik in zijn boek dat wij gaan bespreken. Halve of soms bijna hele bladzijden zijn gevuld met allerlei citaten, niet zelden in het Latijn, met een nauwkeurige vermelding van de vindplaatsen erbij. Terecht heeft de schrijver van dit boek al in eigen tijd de naam van geleerd gedragen.
In onze geest zien wij nu een forse 17de eeuwse bibliotheek voor ons, voorzien van vele statige folianten, afgewisseld door dikke kwartijnen, en daartussendoor de zg. traktaten die er ook wel mochten wezen.
Nadrukkelijk vermeldt Denyssen dat hij zijn studiën verricht heeft in wat hijzelf noemt zijn 'ledige uren'. Het is alsof hij zich al bij voorbaat heeft willen verweren tegen het verwijt dat zijn studie ten koste van de gemeente ging. Neen, er schoot wel eens een uurtje over, al had ook hij het al druk, en dat bracht hij dan extra door in de studeerkamer, temidden van zijn boeken. En hij is daarin onder zijn tijdgenoten waarlijk niet de enige geweest; een zekere studiezin is het merendeel der 17de-eeuwse predikanten in ons land bepaald niet te ontzeggen.
Overigens, Denyssen heeft het bij lezen en studeren alleen niet gelaten. De vele aantekeningen die hij gemaakt had nodigden hem als vanzelf uit om ook wat te gaan schrijven. Het kwam er inderdaad van, twee boeken heeft Denyssen ons nagelaten.
Opmerkelijk is dat deze boeken door hem pas geschreven zijn toen hij al een man op leeftijd was. Zijn eerste boek verscheen met zijn 46ste jaar, toen hij al 18 jaar in het ambt stond. Vaak heb ik gezien, schrijft hij, dat bepaalde predikanten te vroeg begonnen met schrijven. Zij moesten dan in later tijd zichzelf corrigeren of zelfs terugnemen wat zij eerder hadden geschreven, het was nog niet 'welbekookt'. Denyssen was blijkbaar een bedachtzaam man; pas toen hij zeker was van zijn zaak ging hij over tot publiceren; hij was toen al, naar de maatstaven van die tijd gemeten, een man op leeftijd geworden.

De aard van zijn boek
Uit het feit dat door Denyssen zoveel schrijvers zijn aangehaald zou men wellicht kunnen concluderen dat hij een geleerd studiewerk heeft willen schrijven, dat is echter toch niet het geval. Waar het hem in zijn boek om gaat is stichting, anders gezegd: toepassing van de Schrift. Maar om aan die toepassing een deugdelijke basis te geven gaf Denyssen zich veel moeite in het nauwkeurig exegetiseren.
Zijn vele citaten hebben trouwens nog een tweede reden. De schrijver wilde graag een eerlijk man blijven, niet pronken met een andermans veren, dan maar liever zeggen waar hij het allemaal vandaan haalde. Bronvermelding vond hij een eis van eerlijkheid.
Hij schaamt zich ook niet te erkennen dat hij veel van anderen heeft geleerd. Doch liever een bij dan een spin, zegt hij. Een spin mag dan al veel uit zichzelf halen, het is maar een waardeloos web; de bij mag alles aan anderen ontlenen, uit de bloemen halen, het is waardevolle honing. En dan herinnert Denyssen ook nog aan de tempel van Salomo. Daaraan is heel wat materiaal besteed dat uit Tyrus en Sidon kwam, twee heidense steden. Zijn conclusie is: Een stichtelijk boek wordt er niet door ontsierd wanneer daarin vele citaten voorkomen, zelfs al zijn zij ontleend aan heidense schrijvers. Niet dat de waarheid die men verkondigt ervan afhangt, dat zeker niet, maar in christelijke vrijheid, tot nut van de gemeente, mogen zij gebruikt worden. En bovendien, zegt Denyssen, een boek is wat anders dan een preek die uitgesproken is voor de gemeente. Preken moeten eenvoudig zijn, daarin moet men alle vertoon van geleerdheid vermijden, maar wanneer men een boek schrijft heeft men wat meer vrijheid, dan behoeft niet beslist de geleerdheid te ontbreken.
Graag leggen wij even de vinger bij deze laatste opmerking. Al zo vaak is ons onder ogen gekomen het verwijt dat de gereformeerde predikanten in de 17de eeuw zoveel onnutte geleerdheid op de preekstoel zouden hebben tentoongesteld. Neen, zegt men dan, preken konden zij niet, en dan haalt men er de doopsgezinden en de remonstranten bij, die zouden veel eenvoudiger, veel nuttiger, veel praktischer gepreekt hebben. Hoe voorzichtig men met zulke stoute beweringen moet zijn leert ons een man als Denyssen. Niet elke gedrukte preek is een getrouwe copie van hetgeen op de kansel door de desbetreffende persoon gezegd is. Er zullen stellig predikanten geweest zijn die veel Hebreeuws, Grieks en Latijn op de preekstoel brachten, maar het geldt zeker niet van alle; wij kunnen ons daar geducht in vergissen.

Levensloop
Tot slot nog een paar biografische gegevens. Denyssen is geboren in 1636. Hij studeerde te Leiden; werd in 1664 predikant, achtereenvolgens te Warder, Hoensbroek, Oost-Zaandam en Haarlem. In 1706 kreeg hij emeritaat, zes jaar later, in 1712 overleed hij. Hij schreef twee boeken, eerst het boek dat wij hier bespreken en later een boek getiteld: De tempel van de levende God. In het Nieuw Ned. Biografisch Woordenboek schrijft dr. Knipscheer, dat hij het laatstgenoemde boek van Denyssen wel kent maar het eerste niet. Knipscheer wist niet met zekerheid of Denyssen wel ooit het boek over de Heerlyckheyt der Heyligen heeft geschreven. Het is echter tóch waar, het ligt thans voor ons, en wij willen het in de nu volgende artikelen gaan bespreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Dionysius Denyssen en zijn  'Heerlyckheyt der Heyligen' 1

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's