Leiding Gods en gezegende arbeidsverhoudingen
'En haar viel bij geval voor een deel van het veld van Boaz. En ziet, Boaz kwam van Bethlehem en zeide tot de maaiers: De Heere zij met ulieden! En zij zeiden tot hem: De Heere zegene u!' (Ruth 2: 3 en 4)
De Moabitische was 's morgens vroeg opgestaan, want schoonmoeder en zij hadden honger. Bescheiden voegt zij zich in het bonte gezelschap op de akker. Waar kwam zij terecht? Bij een royale boer of bij een nare, hardvochtige man? 'Bij geval', zegt de tekst, d.i. toevallig, kwam zij terecht op de akker van een algemeen geacht Bethlehemiet, die Boaz heet. Zij trof het dus goed, zouden wij zeggen. Ook de Heere Jezus gebruikt een keer het woord toeval. Ge weet wel in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. De Heilige Schrift gebruikt de omgangstaal die onder de mensen gebruikelijk is. Dat betekent echter niet dat de Schrift leert dat het toeval regeert, zoals de heidenen menen. Heel duidelijk is de Schriftuurlijke verkondiging, dat God de 'prima causa' is; de eerste oorzaak van al wat zich beweegt en leeft. Belijden wij niet in eerbiedige gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift dat loof en gras en alle dingen niet 'bij geval', maar van Gods vaderlijke hand ons toekomen?
Toch is het niet verkeerd om van toeval te spreken, wanneer wij het recht verstaan. In deze zin: het valt ons toe uit Gods hand. Hoeveel gebeurtenissen zijn er niet, waarop wij niet rekenen, waarop wij ook geen invloed kunnen uitoefenen. Onverwacht doen vele zaken zich aan ons voor, die wij niet zochten, noch verwachtten. Zij vallen ons toe uit de hand van de Almachtige. Het leven van de vromen is vaak neerdrukkend en vermoeiend, zó zelfs dat wij klagen: 'Zou er wetenschap zijn bij de Allerhoogste'? En toch belijden wij daarna, wanneer wij Gods hand weer mogen zien, dat het alles ons toeviel uit de hand van de Vader. Hij zegt: Kinderen, wat Ik nu doe begrijpt gij niet, maar gij zult het na dezen verstaan'.
Welnu, zo 'toe-vallig' kwam Ruth op Boaz' akker terecht. Hier is dus geen sprake van een gelukkig noodlot, maar wel waarlijk is hier leiding Gods. Immers menselijk bekeken, had zij net zo goed naar een ander veld kunnen gaan. God wilde dat zij hier zou terechtkomen, om de man te ontmoeten die haar straks ten huwelijk zou vragen. Verwondering moge in ons hart zijn voor dit ogenschijnlijk onbeduidend gebeuren. Dit nu is goddelijke geschiedenis, heilige geschiedenis, ja ook wereldgeschiedenis. Een jonge vrouw gaat 'de boer op', een man komt op zijn land. Hoe eenvoudig, nietwaar. En toch, deze twee zullen naar Gods believen de voorouders zijn van de Zaligmaker der wereld, Jezus Christus. Noem dat maar gerust wereldgeschiedenis. Boaz was niet om Ruth gekomen, hij had niet aan haar gedacht. Maar uit Gods hand zal hem deze schone parel toevallen, gelijk zijn akker haar toeviel, ten deel viel. Wanneer wij eens wat meer mochten leven uit de troost van de voorzienige leiding des Heeren, dan zouden wij meer op het 'toe-val' letten, meer de ogen opwaarts verheffen om acht te slaan op Gods daden, en minder klagen: 'De Heere heeft mij vergeten, de Heere heeft mij verlaten'.
De Heere kan iedere dag wel aan Zijn kinderen vragen: 'Waarom hebt gij, klein gelovige, gewankeld, waarom vergeet gij steeds dat Ik regeer?' Ook vandaag zal er reden te over zijn om te bidden: 'Och, Heere, vermeerder ons het geloof en kom onze ongelovigheid te hulp'. Laat het dan niet na, ook al strompelt ge misschien over de akker van deze wereld in zware mismoedigheid. Als ge goed luistert met een geoefend oor, hoort gij vandaag beslist de verre kleinzoon van Ruth en Boaz, de verheerlijkte grote Zoon van Israels God spreken: 'Vrede zij u, vreest niet'! Dat moge u toe-vallen!
Het volgende waarover wij mediteren, is zowel liefelijk als ontdekkend. Boaz begroet zijn arbeiders met een: 'De Heere zij met ulieden'. Zij zeggen: 'De Heere zegene u!' Je wordt er stil van als je het leest en dit tafereel je voor de geest tracht te roepen. Een eerbiedige groet van mens tot mens, van heer tot knecht en omgekeerd. Glooiende akkers in het licht der zon, maaiers tussen de hoge halmen, schovenbindsters en daarachter de groep der armen, waaronder onze Moabitische, de vrouw van de belijdenis: 'Uw volk is mijn volk en uw God mijn God'. Zou die God ook op de akker zijn? Hoor, daar klinkt Zijn Naam: 'HEERE', de God van Abraham, Isaac en Jacob, de God van moeder Naomi, die het niet meer ziet. Maar Hij ziet haar wel en kent haar schoondochter tussen de stoppels. Hij wordt hardop genoemd. Hij Die het zich kan veroorloven zich een tijd verborgen te houden, maar Die toch trouw houdt en het werk Zijner handen niet laat varen. Deze groet klinkt als het geluid van klokken, als een verre echo van het verloren paradijs. Ach, wat heeft de zonde teweeggebracht in de arbeid onzer handen, in het verkeer tussen de mensen. Hoe wrang en zuur is vaak de arbeid als men elkaar niet meer als mens kan begroeten. Is de groet in onze huidige samenleving niet voor een groot deel ontadeld? Misschien zegt ge dat deze groet ook vaak vorm zonder inhoud kan wezen. Dat kan, maar toch staat die groet hier en mij dunkt wil het oude Woord hier met nadruk zeggen hoe het behoort te zijn in de arbeidsverhoudingen, hoe het behoort te zijn onder christenmensen. Moeten wij dan de naam des Heeren niet met vreze en eerbied gebruiken ook in het publieke en politieke leven. Is het niet ontzettend dat deze heilige Name óf wel verzwegen wordt (denk aan de laatste Troonrede!) óf gemeen en gemoedereerd als vloek gehoord wordt? Een scherp licht valt hier over de arbeidsverhoudingen. Hoevelen zijn bijna zonder enig gevoel voor hun dienstbaren en ... wederkerig hoeveel nijd is er bij de dienstbaren tegenover hun heren? Komt boontje niet vaak om zijn loontje? Het redelijk gevoel ten opzichte van de medemens stompt al meer af. Waarom die trots der heren, waarom die bitterheid der dienstbaren? Daarom, omdat over en weer de Wet Gods verlaten is en de één de ander niet meer ziet als een schepsel Gods en als een beelddrager Gods, met het gevolg dat de één gescholden wordt voor een uitbuiter, de ander voor een oproerige revolutionair. Boaz zeide: 'De HEERE zij met ulieden' en Jezus Christus sprak: 'Vrede zij ulieden'. Hebt ge nooit gemerkt dat de echte vriendelijkheid (geen sentimentaliteit!) van de meerdere achting opwekt en de norsheid afstoot? Let erop dat Boaz niet alleen vriendelijk is, maar ook voor zijn werkvolk bidt. Hij wenst allen toe wat het allervoornaamste is: de zegen des Heeren. En zij op hun beurt zijn beleefd, zij hebben een gebedsroeping voor hun heer die over hen gesteld is van Godswege. Zeg nu niet stilletjes: 'Och, dat zijn van die onbeduidende dingen', want dan zeg ik dat in de kleine dingen de vreze Gods moet uitstralen. De kleine dingen zijn wél-sprekend en groot bij God. Dacht ge niet dat er op het ganse organisme van de arbeid een gezegende invloed zou uitgaan, wanneer knechten en heren allen beleefden dat zij niet alleen sociale, maar vooral ook zedelijke en geestelijke verplichtingen tegenover elkaar hadden, naar luid van de Wet des Heeren?
Tegenwoordig is de revolutie 'in'. De democratie wordt als een godin op de troon gezet. Heren kijken uit de hoogte neer op hun knechten en bij die knechten is dikwijls de stille verwensing. Het gezag ontaardt en de liefde voor de arbeid vlucht. Je vraagt je af: 'waar gaan we naar toe? '
Als ik goed luister naar de groet van Boaz en naar de zegenwens der knechten, dan weer is het alsof in de verte de klok van het paradijs nog luidt, een echo van heel ver weg. Als gij God vreest, lezer, de God van Naomi en Ruth, als gij, werkgever of werknemer, de groetenis van Jezus Christus hoorde in uw hart: 'Vreest niet. Ik ben het, vrede zij u', zullen de mensen met wie gij verkeert, aan uw gezicht mogen zien, aan uw praten horen en aan uw daden merken, dat gij door Hem bij uw naam werd geroepen? Moet de liefde niet tot wederliefde nopen? Vandaag aan de dag is de medemenselijkheid een veel gebruikt woord, en velen komen tot kookhitte wanneer het daarover gaat. Maar ondanks alle humanistische stuwingen, die het 'goede' in de mens proberen aan te kweken gaat het van kwaad tot erger in alle geledingen van de maatschappij. De ware medemenselijkheid schittert in de Heere Jezus Christus. Hij kwam niet maar op de wereld om alle ding wat dragelijker te maken, maar Hij was zó mede-menselijk dat Hij geboren wilde worden uit een arme vrouw, vlak bij de plaats waar de Moabitische aren las, zó mede-menselijk dat Hij onze schuld, ons paradijsvergrijp boette in Zijn bloed en met overtreders van de Wet des Heeren lotsgemeen werd in de dood.
O, wie eenmaal Zijn groet hoorde met de kracht van de Geest, die zal op de bonte akker van deze wereld ook zijn medemensen groeten en door het geloof in Hem de arbeid mogen verrichten, zolang als het dag is ... totdat de grote dag ons eenmaal toe-valt, de dag van het nieuwe paradijs, een dag zonder avond!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's