Uit de pers
De prediking in de geref. gezindte
In het blad Daniël, het orgaan van de jongeren in de Geref. Gemeenten schreef J. Bakker uit Amersfoort over dit onderwerp een artikel, waarin hij met behulp van korte interviews enkele typeringen wil geven van de prediking binnen de gereformeerde gezindte. Zo antwoordde de Kamper hoogleraar, Ridderbos, op een desbetreffende vraag inzake de prediking:
'Het is vreselijk moeilijk om een typering van de prediking in onze kerken in enkele zinnen onder woorden te brengen, omdat er zo'n geweldige variatie is in de Gereformeerde Kerk. Bij ons wordt, voornamelijk door de jongere predikanten de nadruk gelegd op het sociale karakter van het Evangelie. De tijd van het existentialisme is voorbij. Tegenwoordig vraagt men zich af: wat doe je met de prediking? Hoe maakt de prediking zich waar in dit leven? Ouderen onder ons geven zo'n prediking weinig voldoening en willen meer het geestelijke element horen. Ja, wat is het christelijk leven? En als de gemeente aangesproken wordt als gemeente van Jezus Christus, gemeente der gelovigen, dan is dat ons uitgangspunt. Zo moet de gemeente ook worden aangesproken. Maar dat houdt nog niet in dat ieder wedergeboren is. Zelfonderzoek moet er zijn.'
Ir. Van der Graaf wees erop dat verbondsmatige prediking niet betekent dat de heilsordelijke aspecten (geloof, bekering, wedergeboorte) te kort mogen komen. Het moet gaan om een prediking die opkomt uit het werk van de Vader, de Zoon en de H. Geest. Hoe liggen deze dingen nu binnen de kerken van de vrijgemaakten? Dr. Bremmer gaf het volgende antwoord:
'De apostel schrijft in 2 Cor. 2: 15, 16: de prediking is een reuke des levens ten leven voor wie zalig worden, maar ook een reuke des doods ten dode voor wie verloren gaan. Waar de prediking van Gods beloften niet in geloof wordt aanvaard, werkt het Woord verhardend.
De vrijgemaakte prediking gaat bewust niet op in een objectieve uiteenzetting van de weg des heils. Zij dringt aan op een geloofsbeslissing. Zij wil in geen geval vrijblijvend zijn. Ze wil wel verantwoorde Schriftuitleg geven (daar wordt bij ons veel werk van gemaakt) maar gericht op de concrete en actuele situatie van de hoorders, die daardoor telkens voor een geloofsbeslissing worden geplaatst. De prediking mag in geen geval buiten de tijd staan maar wil bediening zijn van de beloften Gods aan de gemeente in het heden van 1974 met bevel van geloof en bekering. De prediker is als een huisvader, die het Woord als het brood des levens voor de gemeente recht snijdt.' (2 Tim. 2: 15).
Er zijn verschillende accenten, zonder dat men ten aanzien van deze drie genoemden nu kan zeggen dat men elkaar weerspreekt. Moeilijker vind ik de uitlatingen van ds. Mallan:
'We verstaan onder aanbod der genade de voorstelling, prediking, verkondiging van de genade Gods in Christus. Het is geen schenking van de genade. De genade wordt aan allen gepredikt die onder het Evangelie leven, maar wij stellen het aanbod der genade voorwaardelijk in die zin, zoals de artt. tegen de remonstranten zeggen, dat het Evangelie moet gepredikt worden met bevel van bekering en geloof. God eist van de van Hem afgevallen zondaar in de eerste plaats bekering en laat hem dan weten in die prediking dat in de weg der waarachtige bekering voor een schuldige zondaar bij Hem genade is.'
Het probleem schuilt m.i. in het woord 'voorwaardelijk'. Gaat men op die manier niet terugnemen wat met de ene hand gegeven wordt? Worden genade-aanbod en bekeringseis niet teveel van elkaar losgemaakt of na elkaar gesteld. Al moet ik erbij zeggen dat de woorden van ds. Mallan me gelukkig anders in de oren klinken dan wat er van dr. Steenblok geciteerd wordt. U weet: dr. Steenblok was destijds betrokken bij de scheuring binnen de Geref. Gemeenten. Ook toen ging het om de vragen van verkiezing en genadeaanbod. In dit artikel wordt van Steenblok het volgende geciteerd: 'We hebben de mens in zijn doodsstaat niets aan te bieden, maar hem door de prediking der wet schuldig te stellen en hem alle hoop des behouds te ontnemen, om eerst daarna de verlossing te openen, die in Christus Jezus is. God beoogt niet in de eerste plaats het behoud van de mens, maar Hij wenst de zaligheid Zijner uitverkorenen alleen om zichzelf daarin te verheerlijken. Alleen in dat souvereine welbehagen des Heeren vindt de prediking haar oorzaak en grondslag'. Wordt hier niet uiteengerukt wat naar de Schrift bijeen hoort? En wat moet ik gelet op Ezech. 37, de prediking in het dal der dorre doodsbeenderen, aan met een woord als:
'We hebben de mens in zijn doodsstaat niets aan te bieden'? Is dit niet in flagrante strijd met de Schrift die getuigt dat God doden levend maakt, dat Christus met macht Lazarus uit de dood opwekt. In het 'eerst daarna' wordt toch een schematiek in de hand gewerkt, die m.i. onvruchtbaar is en tot verdorring leidt.
Maar uit deze enkele stemmen blijkt dat er binnen de gereformeerde gezindte accentsverschillen zijn (groter of kleiner).
En dan hebben we nog maar een sector van deze gereformeerde gezindte onder de loep genomen. De accentsverschillen zijn niet van vandaag of gisteren. Misschien moeten we zelfs wel zeggen, dat de gereformeerde theologie de eeuwen door met deze vragen (verbond, verkiezing, heilshistorie en heilsorde, voorwerpelijke en onderwerpelijke prediking) heeft geworsteld. De schrijver citeert voorts ds. J. H. Velema die o.m. zegt:
'De bediening van Gods Woord in het midden van Christus' kerk honoreert enerzijds dat de gemeente Verbondsgemeente is, maar dat betekent anderzijds dat de prediking de klemmende verantwoordelijkheid moet onderstrepen: Hoe zult ge ontvlieden als ge op zulk een grote zaligheid geen acht geeft? De gemeente is niet bekeerd omdat zij Verbondsgemeente is, maar ze heeft zich des te meer te beijveren om in geloof en bekering Gods beloften en eisen door de Heilige Geest aan te nemen (antw. H.C. 84). Daarom zijn wij in de prediking diep afhankelijk van de Heilige Geest, die het geloof werkt en versterkt door de prediking van het Evangelie. Het is de Heilige Geest die een zondaar alleen maar kan toeëigenen wat hij in Christus in de belofte heeft (Doopsformulier). Dat betekent tegelijk dat de prediking ontdekkend en vertroostend dient te zijn. De zonde voor en na de bekering moet worden aangewezen; de weg van behoud moet duidelijk worden gepredikt.
Schriftuurlijke prediking is prediking van zonde en genade; wie een van deze twee hoe ook verwaarloost heeft niet Schriftuurlijk gepreekt. De vloek van de eenzijdigheid verteert het kerkelijke leven en verkracht de bediening van Gods Woord.
Tegelijk is deze Schriftuurlijke prediking geestelijke, bevindelijke prediking. Voor mij ligt het zo: een prediking, die niet geestelijk en bevindelijk is, is niet Schriftuurlijk maar dan Schriftuurlijke bevinding. Bevindelijke prediking is die prediking, waarin het verband gelegd wordt met het hart van de zondaar; waarin doorstraalt het werk van Christus door Zijn Geest in het zondaarshart. Het is de prediking, die aanwijst de weg naar Christus, de band met Christus en het leven uit Christus.
Dat betekent geen beschrijvende prediking. Dat wordt een voorwerpelijke onderwerpelijkheid; een dode rechtzinnigheid waarbij men rustig op zijn bank of stoel kan blijven zitten, automatisch zuchtend: och, mocht het nog eens komen te gebeuren ... Maar in de prediking wordt Gods belofte geproclameerd en wordt met klem en kracht geappelleerd op het hart van de kerkganger.'
Het IKV en de Vredeskrant
We plegen in ons blad niet zoveel aandacht te schenken aan de vredesweek. Niet omdat de zaak zelf ons niet belangrijk genoeg is, integendeel, maar omdat we a) van mening zijn dat wat ons in deze vredesweek wordt voorgezet vaak zeer eenzijdig, nogal rood-getint is en b) omdat we menen dat de kerk 52 weken lang de vrede dient als zij getrouw is in de bediening der verzoening. Niettemin willen we in dit persoverzicht graag voor een artikel van ds. C. B. Dekker plaats inruimen die in het weekblad van de Confessionele Vereniging van 19 september de Vredeskrant van het IKV onder de loep neemt. Ds. Dekker wijst op een artikel van Ad den Besten in deze krant dat nogal kritisch ingaat op allerlei tendenzen juist binnen het interkerkelijk vredesberaad. Het dient gezegd: het siert het IKV dat ze aan deze stem royaal ruimte laat. Dat betekent op zijn minst dat men niet verstard is in eigen visie. Overigens heeft ds. Dekker op de inhoud van de Vredeskrant en het motto 'nieuwe wapenfeiten' nogal kritiek. Hij schrijft in dit verband:
'De 'Vredeskrant' zegt zelf, dat de term 'nieuwe wapenfeiten' de inhoud niet dekt, want dat er de facto niets nieuws wordt verkondigd. Het is opnieuw het beeld van de zich onbegrepen achtende profeten, die de verdrukking door gaan om de vrede te bereiken. Met wéér die gespletenheid van aan de ene kant het geweld veroordelen en aan de andere kant de wapens zegenen. In werkelijkheid is het eerder zó, dat er moed voor nodig is niet mee te doen met de heersende mode, ook in de kerken.
Iets van die moed bespeuren we bij Ad den Besten, die in de Vredeskrant één van zijn gedichten bespreekt. Hij zegt dan onder meer: 'Wij belijden een Koning, wiens Koninkrijk niet van deze wereld is, d.w.z. dat de structuren van deze wereld, die altijd en overal machtsstructuren zijn, er vreemd aan zijn. Altijd en overal, zeg ik. Ik bedoel, dat we vooral niet moeten vervallen in het vlotte bijgeloof, dat omgeturnde structuren ons dat Koninkrijk nader zullen brengen. Daarmee wil niet gezegd zijn, dat we alles maar bij het oude moeten laten.'
Voorts zegt Den Besten onder meer: 'Waar het m.i. allereerst om gaat is, dat wij christenen een andere manier van zijn, een andere manier van leven leren, en dit terwille van de samenleving, waarin wij geplaatst zijn. Dat impliceert ook een andere manier van denken, zeker, maar laten we wel bedenken, dat het christen-zijn aan het christelijk filosoferen voorafgaat. Anders zouden we ons vertrouwen stellen op een christelijke ideologie, die al naar gelang van een wat linkser of rechtser snit kan zijn, maar in haar uitwerking alleen maar heilloos de vrede in de weg zal blijken te staan.' En hij vervolgt even verder: 'Dit betekent, dat ik nogal wat vraagtekens zet bij het interkerkelijk vredeswerk, zoals het reilt en zeilt. Zo vraag ik me voortdurend af, of we met onze vredesfilosofie niet ongemerkt toch in het spoor van het machtsdenken zijn geraakt. Concreter: of we niet, net als Johannes de Doper en Petrus en Judas, het Koninkrijk van God met geweld willen forceren. We kunnen onszelf en elkaar niet genoeg te binnen brengen, dat Jezus dat een-en-andermaal afgewezen heeft.'
En hij besluit zijn artikel aldus: 'De grote vraag is: passen in de christelijke gemeente eigenlijk wel woorden van kritiek, die niet óók woorden van zelfkritiek zijn? En dan het woord zelfkritiek te verstaan in de zin van: zelfonderzoek. Zouden we niet als geëngageerde christenen ons nu juist daarin van andere geëngageerde mensen moeten onderscheiden, dat we ons ieder moment afvragen, of wij niet, al kritiserende en veroordelende, van degenen die het voorwerp zijn van onze verontwaardiging verwachten, dat zij morele lasten dragen, waaraan wij ook zelf niet zouden willen of kunnen tillen? Waar dat accent ontbreekt, komt wat zich voordoet als engagement mij meer en meer als volstrekt vrijblijvend voor - om niet te zeggen - als farizeïstisch. Hoe zouden wij daarmee de vrede dienen?'
Het wil ons voorkomen, dat Den Besten de vinger op een wonde plek in het denken en doen van de IKV-mensen heeft gelegd. Het gehele pakket documentatie mag dan de indruk wekken, dat het IKV zo langzamerhand wat water bij de wijn begint te doen, de door Den Besten gesignaleerde bezwaren blijven recht overeind staan. We mogen vooropstellen, dat het IKV het allemaal goed bedoelt. Maar men behoeft waarlijk de theocratische visie van prof. dr. A. A. van Ruler, neergelegd in diens altijd nog zeer lezenswaardige boek 'Religie en Politiek' niet geheel te volgen om vele van zijn in genoemd werk neergelegde beschouwingen ter harte te nemen. De kerk is er niet om zich op sleeptouw te laten nemen door de politiek, noch in de ene, noch in de andere richting. Het IKV verwijt vele christenen, dat zij een soort slaafse volgelingen zijn van het kapitalisme, van de grootmachten op industrieel gebied. Terecht signaleert Den Besten het gevaar, dat het IKV vervalt in het euvel, dat het bij anderen meent te moeten vaststellen.
Dit betekent geenszins een klakkeloos goedkeuren van fouten, die in het verleden gemaakt zijn en mogelijk nu nog gemaakt worden. Maar als de veronderstelde dwaling door een andere zou worden vervangen gelijkt het erop of men de duivel met Beëlzebul wil uitdrijven. Gesteld dan al, dat die duivel in genoemde zin ook wezenlijk bestaat. De denktrant van het IKV sluit aan bij die van velen binnen de kerken. Een denktrant, die af en toe de vormen aanneemt van een Marcion in de Oude Kerk.
Immers: ondanks het feit, dat vele 'geëngageerde' predikers hun beschouwingen ophangen aan oudtestamentische teksten zijn de volle conseguenties van hun woorden alleen maar te plaatsen, indien men zowel uit Oud als Nieuw Testament een flink gedeelte zou schrappen. Zij doen dat niet in letterlijke zin, maar laten die gedeelten praktisch gewoon ter zijde. Ze kunnen immers — al dan niet terecht — vele oudtestamentische gegevens (men denke onder meer aan vele psalmen) verklaren als een verouderd idee over primitieve wraakgedachten, met figuren als de anti-christ en vele andere gegevens uit het Nieuwe Testament kunnen zij evenmin uit de weg. Begrippen als hel, oordeel, zonde als wortel van het kwaad, het past niet in hun kraam. Het is — zoals Den Besten zegt — inderdaad vrijblijvend om de staf te breken over alles en nog wat in de wereld. Maar de Kerk dient de moed op te brengen om de vinger te leggen op de werkelijke wonde. Het IKV gaat mij niet te ver, het gaat mij juist lang niet ver genoeg!'
Graag ter lezing en overweging aanbevolen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's