De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Koning der eeuwen zij ere!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Koning der eeuwen zij ere!

11 minuten leestijd

Den Koning nu der eeuwen, den onverderf elijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen. (1 Timotheüs 1: 17)

De tekst voor ons afscheidswoord is gekozen uit de eerste Timotheüsbrief, die niet lang voor de tweede Timotheüsbrief is geschreven, in welke Paulus afscheid neemt van het leven, waarin hij afscheid neemt van zijn levenswerk, waarin hij dit werk overdraagt aan zijn jonge opvolger Timotheüs. Deze beide brieven behoren naar aard en inhoud geheel bij elkaar. Neemt Paulus in het laatste hoofdstuk van de tweede brief afscheid van het leven, in het eerste hoofdstuk van de eerste brief doet hij verslag van zijn bekering en roeping met een ootmoedige belijdenis van zijn zonde en eertijds met de diepe verwondering over het feit, dat de Heere hem de bediening van het Evangelie van de heerlijkheid van de zalige God heeft toebetrouwd. Hij dankt er de Heere Christus voor, die hem daartoe bekrachtigd heeft. Hij looft zeer de genade van onze Heere, die zeer overvloedig geweest is, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus, onze Heere.
En dan middenin zijn betoog breekt hij uit in een lofzegging, om dan daarna nog wat verder te gaan. Deze intermezzo-lofzegging wilden wij overnemen als het sluitstuk van onze officiële bediening, om "dan daarna officieus nog wat verder te gaan. En ziet daar dan onze tekst: 'Den Koning nu der eeuwen, den onverderfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.'
Parallel met deze tekst lopen de doxologieën (de lof verheffingen) uit Romeinen 16: 27, Judas: 25 en Openbaringen 5: 12.
Het feit, dat Romeinen 16: 27 God de eer geeft 'door Christus Jezus' wil niet zeggen een weglating in ons tekstvers, zoals de uitdrukking 'den al wijzen God' daar niet is een inschuiving door latere hand uit Rom. 16 naar ons tekstvers. Paulus' bekering door Christus zal zeker aan de apostel aanleiding geven tot de lof aan God de Vader, en als Paulus God de Vader den alleen wijzen God noemt, dan zal daarmee niet gezegd zijn, dat ook de Zoon niet aanspraak zou maken op de titel 'den alleen wijzen God' en Zaligmaker. Laten wij Paulus maar vrij laten om nu eens deze gedachte te benadrukken, dan weer die, en laat ons hem maar niet opvorderen om bij elke gelegenheid alle dingen tegelijk te zeggen.
De Heere dan nu is Koning, één koning, dé Koning. Hij is de al-koning, die het al regeert met Zijn almachtige kracht en naar Zijn alwetende wijsheid. Daar doet de anti-goddelijke macht van satan niets aan af. Daar doet het feit, dat zovelen Hem niet dienen, niets aan af. Het sterk bewijs van Zijn koningschap is wel gelegen in de onderwerping, waarmee Hij de Zijnen onderwerpt, is ook gelegen in de eerbiedige en gewillige dienst van Zijn onderdanen door de eeuwen heen. Zijn koninklijke macht is ook gelegen in de onderwerping, waarin eenmaal, zij het geveinsdelijk, Gods vijanden aan Hem onderworpen zullen worden. Bijzonder is Zijn koningschap, dat Hij in Christus, de Koning, die Hij Zich gezalfd heeft, in Zijn genade uitoefent over het volk, dat Hij zich eerst uit Israël en daarna uit alle volkeren der aarde ten eigendom verkoren heeft. Het volk, dat Hij zich ook van geslacht tot geslacht tot een eigendom maakt. Dat kocht Hij tot de prijs van het bloed Zijns Zoons vrij van alle geweld des duivels, dat kocht Hij tot die prijs uit de zonde. Het is het volk, dat Hij door Zijn Geest zich onderwierp tot een gewillige en altijddurende, tot een eeuwige dienstbaarheid. Omdat dit Koninkrijk vanuit Israël onder de volken zich verspreid heeft en verspreidt door alle eeuwen heen, daarom wordt Hij genoemd 'de Koning der eeuwen'. Dat was er in vroeger eeuwen, dat is er in deze eeuw, het zal er zijn en het zal zich voortzetten en uitbreiden ook in de komende eeuwen. God is een koning, Christus is een koning die nooit zonder onderdanen zijn zal. Daar kunt ge — wat ook de toekomst brengen moge — hoe groot ook de afval in het eind zijn zal — gerust op zijn. Ere en heerlijkheid zij dan ook die Koning der eeuwen! En gezegend zij Zijn gewillige volk!
Deze Koning is een onverderfelijke koning. Aan Hem, in Hem is geen zonde, is geen kwaad, is geen onrecht. Ook niet het minste, ook niet de minste schaduw daarvan, ook niet de minste schijn daarvan. Men dicht Gode veel kwaad toe. Men dichtte ook Jezus, Gods gezalfde Koning toe, dat Hij een vraat en wijnzuiper was, dat Hij een vriend van hoeren en tollenaars was. Hoe heilig is God, hoe heilig Zijn gezegende Zoon! Zo volledig waar, zo volledig rein, zo volledig rechtvaardig. Daarvan zijn zelfs Zijn onderdanen het bewijs, die door Christus' genade geheiligd werden, die door Zijn Geest vernieuwd werden naar Zijn evenbeeld. God zegt van de Zijnen: 'Het zijn kinderen die niet liegen zullen'. God noemt ze Zijn' heiligen, de kerk noemt ze de geheiligden en zelfs de wereld weet wel dat het mensen van 'die wég' zijn, een volk verstrooid over de landschappen der aarde en zij achten geen geboden dan Zijn geboden. Waarlijk de Koning der eeuwen is heilig en daarom onverderfelijk. Daar is van de glans van Adams God niets verminderd totdat Hij zich openbaarde aan Mozes bij de braambos, als 'Ik zal zijn, die Ik zijn zal'. Daar is aan de glans van Mozes' God niets veranderd tot Hij zich heerlijk openbaarde in Christus, het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid, het afschijnsel Zijner heerlijkheid. In Christus heeft Gods onveranderlijke heerlijkheid geschitterd, schittert Hij en zal hij schitteren. In Zijn geboorte, in Zijn lijden, in Zijn opstanding. En Hij schittert aan elk, in wie Hij zich openbaart als aan Paulus. En Hij schitterde in onze ogen, als wij Hem door het geloof zagen, erkenden als onze Heere en dienst namen bij Hem.
Hij heeft ons niet tot iets kwaads aangezet, integendeel ons herschapen in Christus tot goede werken. Ere en heerlijkheid zij onze Koning, onze onverderfelijke koning! Onze eeuwige Koning!
De Koning nu der eeuwen is de onzienlijke God! Hij is een Geest, Hij woont in de duisternis, waarin Hij zich hult. Hij woont in het ontoegankelijk licht. Zijn Zoon verborg Zijn Godheid in de knechtsgestalte. Voorwaar onze God is de God, die zich verborgen houdt, en die zich toch openbaart, want de verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem vrezen. Zij horen Zijn stem, zij zien Zijn voetstappen in hun leven, in het leven van Israël, in het leven der kerk, in het leven der volkeren. Zij ontmoeten Hem in Zijn dienst, en buiten Zijn dienst ontmoet men God nooit en nergens. Zij ontmoeten Hem in Zijn Woord, in hun gebeden, in Zijn huis; zij ontmoeten Hem in Christus, zij ontmoeten Hem in de Heilige Geest, zij ontmoeten Hem in de gangen en' wegen, die Hij met Zijn volk houdt en gaat. En daarin is Hij zeer nabij hen, Hij is hun voortocht, hun achtertocht, Hij is aan hun rechter- en aan hun linkerhand als een schaduw. Hij spreekt tot hen, Hij vermaant hen, Hij troost hen, Hij leidt hen. Ook kastijdt Hij hen, gelijk een vader doet. En toch blijft Hij de onzienlijke God, om hen te leren door geloof alleen te wandelen met Hem. En zij houden aan Hem vast, als ziende de Onzienlijke.

Maar waarom dan toch die onzichtbaarheid? En dat toch, waar zij Hem één keer zullen aanschouwen gelijk Hij is, namelijk in al Zijn heerlijkheid. Dan zullen zij ook Jezus zien met eer en heerlijkheid gekroond. Om twee redenen doet God dat. Ten eerste wil Hij afstand scheppen tussen zich en de in zonde gevallen mens. Daarom zegt Hij: 'Laat af en weet, dat gij mensen zijt en Ik God ben!' Denkt er goed om, dat God zich Zijn God-zijn niet laat ontwringen. Denkt er goed om, dat wij goed zullen moeten weten, dat wij mensen zijn, zondige mensen. Ten tweede doet Hij dat, opdat wij leren zouden door geloof te wandelen en niet door aanschouwen. In Christus alleen kunnen wij God aanschouwen door het geloof, todat eens geloof verwisseld wordt in aanschouwen. Ere zij dan nu en heerlijkheid de Koning der eeuwen, de onverderfelijke, de onzienlijke God!

God wordt hier ook genoemd de alleen wijze God. Theologen menen, dat bij de woorden alleen-wijzen-God, het woord alleen op God zou slaan en niet op wijs. Dat zou dan zijn: de enige God, die wijs is. Men meent Christus en de Heilige Geest zijn even wijs als de Vader. Dat laatste is waar. Dat neemt niet weg, dat én de Vader én de Zoon én de Heilige Geest alléén wijs zijn. De wijsheid van een engel, de wijsheid van een mens, de wijsheid van dieren soms, die is altijd maar schepselmatig, betrekkelijk en afgeleid. God is inderdaad alleen wijs. Christus is ons van God gegeven tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en tot volkomen verlossing. Hierin is de alleen-wijsheid Gods: in Zijn schepping, in Zijn onderhouding. Het geheim der schepping laat God zich nooit ontfutselen. Het geheim der voorzienigheid laat God zich ook nooit ontfutselen. Het geheim des heils, Zijn heilgeheimen, laat God zich ook nooit benemen. En toch, wat het geheim der voorzienigheid betreft: door het geloof leven wij dagelijks zo uit Gods trouwe Vaderhand, dat wij in voorspoed dankbaar en in tegenspoed geduldig mogen zijn. En toch, wat het geheim des heils betreft: de verborgenheid des Heeren, de verborgenheid van kruis en opstanding, is voor degenen die de Heere vrezen en ze is er om hun geopenbaard te worden. Zo vinden wij in Hem de onnaspeurlijke rijkdommen van Zijn Goddelijke wijsheid, die al ons denken en weten verre te boven gaat. Ere en heerlijkheid zij dan de alleen-wijze God, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Deze eer en heerlijkheid zij Hem gegeven in alle eeuwigheid. In de eeuwen der eeuwen, in de eeuwen der eeuwigheid, in eeuwigheden der eeuwigheden. Wat is de tijd, die achter ons ligt een onafzienbare geweest. Toen was God, toen wérkte God Zijn grote en alwijze werken. Wat is de tijd van het heden een bewogen tijd, een tijd van afval, van verval, een tijd van beweging en van onrust. De Koning der eeuwen is ook nu Koning: Hij regeert en bouwt ook nu als de alleen-wijze God Zijn kerk. Voor ons ligt een nog onbestemde tijd en ook daarin zal Hij het Rijk van Zijn Zoon doen komen. Hij en Zijn Zoon en Zijn gezegende Geest zullen eer en heerlijkheid ontvangen van het volk, dat tot Zijn lof geschapen is. En daarachter liggen dan de eeuwigheden der eeuwigheden — zoals de kanttekeningen die naar de Griekse tekst noemen — de oneindige heerlijkheid voor de kerk van Christus. Wat de eer en de heerlijkheid zal zijn, die God en Zijn gezalfde Koning, Christus, daar ontvangen zullen, dat meldt ons de lof zegging uit Openbaring 5, waar de ontelbare engelenscharen en de vier dieren — dat zijn de vier Evangeliën — en de ouderlingen en daarachter ook alle schepsel, dat in den hemel, dat op de aarde, dat onder de aarde en die in de zee zijn zingen: 'Hem die op de troon zit en het Lam zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid'.
Bij die lof der vorige en der toekomende tijden, en bij die lof der toekomende heerlijkheid legt Paulus de zijne, voor de genade aan hem onwaardige bewezen, dat God hem niet alleen aangenomen had maar ook in de bediening gesteld heeft. Dit en dit alleen, de ere Gods en die van Zijn Christus, is het bedoelen van Paulus' bediening geweest.
Wij vermogen van verre niet, ons met Paulus te vergelijken, maar als onze tekst eindigt met een Amen, midden in Paulus' betoog, als bij onderbreking, dan willen wij wel gaarne nederig en stil ons 'amen' plaatsen onder Paulus' genade, onder Paulus' evangeliedienst, onder Paulus' lof zegging, en wel allermeest onder de lof, die de Koning der eeuwen toekomt, nu en in der eeuwigheid.
Gezegend zij Zijn naam, gezegend zij de naam Zijns Zoons, gezegend zij de Heilige Geest, dat Hij ook ons heeft willen aanzien, schoon wij gans onwaardig waren, en dat Hij ook ons in de bediening van het Evangelie heeft willen stellen. Amen.


Afscheidspreek van ds. W. L. Tukker, gehouden te Groot-Ammers op 29 sept. 1974

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Koning der eeuwen zij ere!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's