De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vervulling en verwachting

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vervulling en verwachting

De verwachting van het rijk

11 minuten leestijd

We zagen de vorige keer dat er in het Nieuwe Testament enerzijds sprake is van het Koninkrijk dat midden onder ons is, en anderzijds dat er gebeden wordt om de komst van het Rijk. Zijn dit twee lijnen die elkaar nergens raken? We roeren hier een probleem aan dat al jarenlang de gemoederen der nieuwtestamentici heeft beziggehouden dat het niet voor niets wel genoemd is: 'het grote twistpunt der moderne exegeten' (M. H. Bolkestein).

Schweitzer en Dodd
Men kan in deze discussie twee extreme posities onderscheiden. Aan de ene stroming is de naam van de grote geleerde, medicus, filosoof en musicus Albert Schweitzer verbonden. Schweitzer, bij velen bekend als de man van Lambarene, is nl. een bekend nieuwtestamenticus geweest die onder meer een beroemd boek geschreven heeft over de geschiedenis naar het onderzoek van het leven van Jezus. In dit boek, en in andere werken, rekende Schweitzer af met het optimistische levensbesef van de negentiende eeuw, die weinig begreep van het bijbelse spreken over het Koninkrijk. Dat Rijk werd op moralistische wijze gelijkgesteld met de doorwerking van een aantal zedelijke beginselen. Naarmate die beginselen doorwerkten, naar die mate verwezenlijkte zich volgens velen in die eeuw de komst van het Godsrijk. Oudere lezers herinneren zich misschien nog wel de woorden van één van de belijdenisvragen die jarenlang in de Hervormde Kerk gebruikt zijn: Belooft gij tot de bloei van het Godsrijk ... mee te werken. Deze woorden, afkomstig uit een reglement uit 1862, verraden de typisch 19de-eeuwse visie op het Koninkrijk. Van het komen van dit Rijk door Gods wonderbare, verrassende ingrijpen verstond men niets. We voegen er tussen haakjes aan toe, dat allerlei beschouwingen over het Rijk in onze tijd, die als progressief worden aangeduid (waarin wij het Rijk moeten bouwen) dus in feite hyper ouderwets, want 19de-eeuws zijn.
Wat stelde Schweitzer daar nu tegenover? In navolging van een andere geleerde, Johannes Weiss, heeft Schweitzer geponeerd, dat Jezus evenals velen van Zijn joodse tijdgenoten bezield was door een vurig verlangen naar het komende Koninkrijk. Jezus verwachtte dat Rijk als zeer aanstaande, en als gevolg van een geweldige, kosmische catastrofe. Toen Hij Zijn discipelen uitzond, verwachtte Hij hen, aldus Schweitzer niet meer terug. Want nog voordat zij de steden van Israël ten einde waren, zou het Rijk komen en zou Jezus zelf in de Zoon des mensen, de Wereldrechter veranderd worden. Dit leidde Schweitzer af uit Mattheüs 10: 23. Maar deze verwachting ging niet in vervulling. Toen heeft Jezus getracht door Zijn lijden het Rijk te doen komen. Tegelijk met Zijn dood zou de komst van de Zoon des mensen zich voltrekken. Hij werd echter ter dood gebracht. En het Rijk bleef uit. Jezus' verwachting bleek een illusie te zijn, aldus Schweitzer.
***
Lijnrecht tegenover deze visie, die bekend staat als de consequent-eschatologische, staat de mening van de Engelse geleerde C. H. Dodd. Dodd wil het Rijk niet als een toekomstige gave verstaan, maar als een realiteit in het heden. Een verwezenlijkte werkelijkheid. Vandaar dat Dodd Marcus 1: 15 ook exegetiseert als: het Rijk is gekomen. Met Jezus' geboorte is het begonnen. In Zijn dood en opstanding is de nieuwe eeuw definitief verschenen. Een wederkomst op de wolken des hemels is niet te verwachten. En de bijbelwoorden die daarover spreken, worden door Dodd ten dele symbolisch verklaard, ten dele toegeschreven aan een latere generatie van christenen die terugvielen in het joodse denken.

Gelijk en ongelijk
Nu mogen we stellig zeggen dat beide geleerden ons met de neus op allerlei aspecten van het Nieuwe Testament drukken. Om maar één ding te noemen: dat we het Koninkrijk van God niet moeten opvatten in de zin van de 19de-eeuwse filosofie maar tegen de achtergrond van het Oude Testament en de joodse uitspraken moeten plaatsen, is nl. iets waar Schweitzer terecht de vinger bij heeft gelegd. Maar het is opvallend dat beide geleerden en hun aanhang hun meningen alleen maar kunnen staven als zij een deel van de Schriftgegevens onder de tafel laten vallen, met behulp van de historische kritiek onecht verklaren enz. Bij Dodd zijn dat allerlei uitspraken over de toekomst in de gelijkenissen bijvoorbeeld. Bij Schweitzer de woorden die handelen over het gekomen-zijn van het Koninkrijk. Maar ook al die uitspraken uit het Evangelie die spreken over de tijd na Jezus' dood en opstanding, de periode tussen Pasen en de wederkomst. Vele geleerden verklaren deze woorden als een verlegenheidsconstructie van de eerste gemeente die na de crisis vanwege het uitblijven van de komst van de Zoon des mensen zich in de wereld ging inrichten voor een verblijf van eeuwen. Op deze wijze laat men de Schrift echter zeggen wat men zelf wil.
En Schweitzer én Dodd hebben onze ogen geopend voor waarheidselementen die we niet mogen verwaarlozen. Maar zonder dat we een pleidooi willen voeren voor de vlakke kreet, dat de waarheid in het midden ligt, menen we toch, dat we midden tussen de twee scholen van Schweitzer en Dodd door moeten gaan. Willen we aan alle bijbelse gegevens recht doen.

Tegenwoordig en toekomstig
Als u alle woorden van Jezus over het Rijk van God zoudt verzamelen en bestuderen, dan moet het u opvallen dat de Heere inderdaad in vele gevallen gesproken heeft over een Koninkrijk dat komt. Door heel de Schrift klinkt de melodie van de verwachting. Jezus heeft onder de belofte van Gods toekomst een dikke streep gezet. Dat is het gelijk van Schweitzer. Maar — en daar heeft Dodd terecht op gewezen — die toekomst is begonnen. Jezus heeft meer gezegd en gedaan dan als een joods prediker de mensen te verwijzen naar een schone toekomst van heil en vrede. Het Koninkrijk is nabijgekomen. Het is toch niet niets wanneer Jezus tot Zijn leerlingen zegt: Zalig de ogen die zien wat gij ziet. Want Ik zeg u: vele profeten en koningen hebben willen zien wat gij ziet en zij hebben het niet gezien, en horen wat gij hoort en zij hebben het niet gehoord (Luc. 10: 23 v.). Deze zaligspreking spreekt boekdelen.

Het heil van het Koninkrijk
Wat valt er dan te zien en te horen? Hoe breekt het Koninkrijk zich baan? Ik zou op het volgende willen wijzen:
a) Als Jezus genezend en helend het land rondgaat, dan komen de krachten van het Koninkrijk openbaar. Als Jezus zieken geneest, hongerigen voedt, blinden het gezicht geeft, doden opwekt, wordt de profeie vervuld (vgl. b.v. Jes. 35 en Matth. 9: 1—8). Dan flitst iets van het Rijk op. Dan zijn die wonderen tekenen, signalen, vingerwijzingen naar Gods nieuwe wereld waar geen ziekte en dood, geen rouw en tranen meer zijn (Openb. 21: 4 v.). Om et te zeggen met de woorden van de dichter Nijhoff:
Dit is geen einde nog, maar
een voorgoed begonnen begin.
b) Waar Jezus Christus demonen uitwerpt, daar vestigt Hij Gods Koninkrijk. Daar wordt de satan uit zijn eigen huis gezet. Dan breekt Gods Rijk zich baan. En er worden mensen gelukkig gesproken omdat zij het zien en horen mogen. We treffen dit niet alleen in de evangeliën aan. In de brieven die terugzien op het gebeuren van kruis en opstanding vinden we hetzelfde. Paulus kan in woorden vol verrukking gewagen van machten die ontwapend zijn, aan Christus' zegewagen gebonden (Col. 2: 15). En de ziener op Patmos hoort een luide stem in de hemel, nadat de duivel op aarde geworpen is: 'Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God' ... (Op. 12: 10). Nu is verschenen ... dat is meer dan toekomstmuziek.
c) Maar niet alleen in de wonderen en de uitdrijving van de duivel breekt het Rijk zich baan. Jezus zegt in Matth. 11 tot Johannes de Doper: Armen wordt het evangelie verkondigd. Het evangelie van de schuldvergeving, van het: Ga heen en zondig niet meer ... (Marc. 2: 5; Joh. 8: 11). Jezus schenkt Zacheüs heil en opent hem de poort naar een nieuw leven (Luc. 19: 9). Daarin breekt Gods reddende heerschappij zich baan.
Het is niet enkel toekomst. Er zijn flitsen en fragmenten te zien. Vandaar dat over dit Koninkrijk ook gesproken kan worden als een overgave waarin zij die haar ontvangen zich verheugen mogen. Het Koninkrijk is de parel van grote waarde, de schat die vreugde verschaft. Een heilsgoed in het heden dat een belofte inluidt.

Het Rijk in eigen Persoon
Een ding blijkt in dit alles overduidelijk: alles wat we over de tegenwoordigheid van het Koninkrijk kunnen zeggen is onlosmakelijk verbonden met de Persoon en het werk van Christus. Legt u b.v. eens naast elkaar Lucas 18: 29 en Marcus 10: 29. In de eerstgenoemde tekst is sprake van het verlaten van huis en familieleden 'ter wille van het Koninkrijk van God', terwijl Jezus volgens Marcus spreekt over een prijsgeven van deze relaties 'terwille van Mij en het Evangelie'.
De prediking aangaande het komende Rijk is Christus' prediking. Want Jezus Christus zelf is naar een woord van de kerkvader Origenes het Rijk Gods in eigen persoon. En daar waar Hij als Koning van het Rijk wordt erkend en beleden, daar zien we iets opflitsen van de heilrijke werkelijkheid van Gods heerschappij.
De prediking van het Koninkrijk is dan ook verbonden met alles wat de Schrift zegt over kruis en opstanding. Want in de kruisdood om onzer zonden wil worden de fundamenten van dit Rijk gevestigd. En de opstanding van Christus betekent de grote doorbraak in het domein van de Godevijandige machten. In dat licht is het ook niet zo vreemd dat bij Paulus b.v. de term 'Rijk van God' terugtreedt. De apostel die terugziet op de opstanding, spreekt veel meer over Jezus, de Kurios, de Heere, aan wie de Naam boven alle naam gegeven is (Fil. 2: 11).

Bultmann
Nu heeft men tegen dit christocentrisch karakter van de prediking van de Evangeliën wel bezwaar gemaakt en geponeerd dat dit zou berusten op een latere constructie van de gemeente. Rudolf Bultmann heeft eens geschreven dat hij voor de vertolking van het Evangelie de vraag of Jezus zich al dan niet voor de Messias gehouden heeft, als bijzaak beschouwt. Jezus zou in de lijn van profeten en rabbi's de boodschap hebben gebracht aangaande het Rijk. De botsing met de gevestigde machten liep uit op de dood van de Boodschapper. Door het 'opstandingsgeloof' van zijn leerlingen zou Hij na Pasen tot inhoud van de prediking gemaakt zijn. De Verkondiger wordt dan de Verkondigde. Sommigen van Bultmanns volgelingen erkennen daarbij dan nog wel, dat deze ontwikkeling impliciet in Jezus' optreden besloten lag, maar zij ontkennen toch dat Jezus zichzelf als Zoon des mensen en Zoon van God gezien heeft. We moeten hier ernstig bezwaar tegen maken, omdat men deze constructie alleen maar kan handhaven als men het ontleedmes van de bijbelkritiek in het Nieuwe Testament gaat zetten, en allerlei woorden van Jezus op rekening van de latere gemeente zet. De ervaring bewijst dan dat elke onderzoeker zijn eigen criteria aanlegt en vanuit een vantevoren opgezet schema de Schrift benadert.
Maar in het getuigenis van de evangelisten komen we in aanraking met de zelfopenbaring van Hem, die als de Zoon des mensen en de Knecht des Heeren, als de vervulling van én Daniël 7 en Jesaja 53 in de wereld gekomen is om zondaren te redden en zo het Rijk te doen komen. Jezus heeft maar niet een nieuwe leer over het Koninkrijk gebracht. Jezus heeft maar niet wat radicaler dan Zijn tijdgenoten over de toekomst gesproken. Dan zou Hij nog op één lijn staan met rabbijnen en apocalyptici. Nee, het nieuwe in Zijn Rijksverkondiging, zegt Julius Schniewind, is Hijzelf, is Zijn Persoon.

De Koning en het Koninkrijk
Men lette op die samenhang tussen Christus en het Koninkrijk. In onze tijd is de figuur van Jezus 'in'. Maar dan de mens Jezus, de maatschappijvernieuwer, de man vol verzet tegen de gevestigde orde, de inspirator voor de vrede. De christologie wordt bij velen tot jesulogie. Met een variant op het bekende gezegde, kan men stellen: Zeg me wie volgens u Jezus is, en ik zal u zeggen wat ge denkt over het Rijk. Is Jezus niet meer dan de rabbi uit Nazareth, de partijganger der armen dan houden we een puur verwereldlijkte Rijk Gods-opvatting over. Het Rijk komt dan te liggen in het verlengde van onze politieke dromen.
Maar het Evangelie spreekt ons van Hem die gekomen is en die komt. Van het heil in Hem; vergeving, vernieuwing, eeuwig leven. Het Koninkrijk is present én het is toekomstig. Want het is nabijgekomen in Jezus Christus: het Koninkrijk in eigen Persoon.
Utrecht

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Vervulling en verwachting

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's