De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dionysius Denyssen en zijn  'Heerlyckheyt der Heyligen'

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dionysius Denyssen en zijn 'Heerlyckheyt der Heyligen'

Minder bekende oude schrijvers

9 minuten leestijd

De volledige titel van Denyssens boek, waaruit wij het een en ander willen gaan citeren, luidt als volgt: De Heerlyckheyt der Heyligen op aarde, Vertoont in haere Gewenschtheydt voor Godt; Ondersteuningh van een Staet; en Kloekmoedigheydt in allerley voorvallen, in tegenstellingh van de Vreesachtigheydt der Godloosen. Het boek verscheen te Amsterdam in 1682.

De titel
Gaan wij deze titel ontleden dan kunnen wij nu al zeggen dat Denyssens boek dus gaat over de heerlijkheid die Gods kinderen, die hij heiligen noemt, van Godswege ontvangen hebben en die hierin bestaat dat zij God behagen, dat zij de steunpilaren zijn waarop het staatkundig leven van het volk waartoe zij behoren rust, en dat zij zeer moedig zijn in alle tegenspoed, droevige voorvallen in het leven, op welk punt Denyssen tussen hen en de goddelozen een tegenstelling constateert, aangezien die goddelozen zodra het in hun leven begint te nijpen zich zeer vreesachtig tonen.
Door heel het boek heen loopt deze draad: christenen zijn zeer bevoorrechte mensen; zij hebben van God een bijzondere eer en waardigheid ontvangen; geen leven is uitnemender dan het hunne; zij delen in Gods gunst, zij kennen de vrede met God; zij worden door de H. Geest geleid; die H. Geest heeft hen herschapen, geheiligd; in tegenspoed en kruis ontvangen zij van God bijzondere kracht; zij zijn kerk en staat tot een zegen; zij zijn moedig als jonge leeuwen; zij verdienen alle lof.
In 4 verhandelingen, die te zamen ruim 20 preken uitmaken, heeft Denyssen dit thema uiteengezet. De eerste verhandeling gaat over Daniël 10: 11, waar een engel de profeet Daniël aanspreekt met de woorden: Daniel, gij zeer gewenste man'. De tweede verhandeling gaat over Jes. 6: 13, de laatste woorden daarvan: alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn'. De laatste twee verhandelingen gaan over Spreuken 28: 1: De goddelozen vlieden waar geen vervolger is, maar elk rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw'.

Exegetische beginselen
In zijn exegese (uitleg) van de H. Schrift laat Denyssen zich gewoonlijk leiden door Calvijn, de kanttekenaren en andere gereformeerde theologen. Steeds geeft hij aan wat er staat in de grondtekst, in dit geval dus wat er staat in het Hebreeuws, immers alle verhandelingen gaan over oudtestamentische teksten.
Steeds bepleit hij de voor de hand liggende betekenis van een bepaalde tekst, wat getuigt van nuchterheid. Hij heeft niets willen weten van gewrongen uitleggingen die de schijn hebben van het nieuwe, het pikante. Het was hem er niet om te doen opvallende dingen te beweren, hij achtte het voldoende wanneer de eenvoudige waarheid van de Schrift was vertolkt. Zelfs laakt hij het openlijk, dat er vaak lieden zijn geweest die iets bijzonders wilden wezen in de kerk en daartoe voorwendden nieuwe dingen gevonden te hebben. Opvallend is dat door Denyssen over het algemeen Coccejus' exegetische beginselen zijn afgewezen. Reeds hoorden wij dat hij theologie had gestudeerd in Leiden; en daar doceerde vanaf 1650 Coccejus, zodat Denyssen zijn leerling is geweest. Toch is hij daardoor niet een volgeling van Coccejus geworden, in elk geval niet wat diens hermeneutiek (uitlegkunde) betreft.
Een duidelijk bewijs hiervoor hebben wij in zijn verhandeling over Jes. 6: 13. Het betreft hier een profetische stof en vooral daarmee hebben Coccejus en de zijnen zich bezig gehouden. Coccejus zelf heeft een lijvig commentaar op Jesaja geschreven.
Een kenmerk van de Coccejaanse exegese is geweest dat alle uitspraken van de profeten van het Oude Testament betrokken werden op de eeuwen der kerkgeschiedenis en ook op het joodse volk in diezelfde eeuwen. Coccejus en zijn leer­ lingen hebben gemeend precies te kunnen aangeven wanneer en hoe een bepaald woord van een profeet in de tijd van het Nieuwe Testament is vervuld, en zij bleven daarbij nogal eens in het aardse en tijdelijke steken. De theologen uit de school van Voetius deden anders, zij hadden veel meer oog voor de verschillende dimensies die er zijn in de woorden der profeten. Zij zochten daarin eerst naar de letterlijke en historische zin, en vonden dat die betrekking heeft op eigen tijd van de profeet en op hetgeen in die tijd als het ware voor de deur stond. Zo hebben zij b.v. vele woorden van Jesaja laten slaan op de tijd van de ballingschap en het herstel van Israël dat daarop volgen zou. Toch lieten zij het daar niet bij; zij trokken de lijn steeds door naar Christus en de tijd van het Nieuwe Testament, waardoor zij recht deden aan de geestelijke substantie van de tekst. Zij speculeerden ook niet, gelijk de coccejanen deden, ten aanzien van de beloften die zouden zien op het vleselijk Israël, het Joodse volk na de komst van Christus. Een punt als een algemene bekering der Joden aan het einde der tijden lieten zij gewoonlijk in het midden.
Wat nu Denyssen betreft, hij heeft zich niet alleen niet door Coccejus laten leiden maar zelfs zich duidelijk van diens exegese gedistantieerd. Hij was dus geen coccejaan, zal meer met Voetius gesympathiseerd hebben. Doch vooral heeft hij zich laten leiden door Calvijn, wiens exegese tegelijk nuchter en geestelijk is.

Goddelozen tegenover rechtvaardigen
Elk bijbellezer kan het bekend zijn dat allerwege in de H. Schrift zowel de rechtvaardigen als de goddelozen voorkomen, soms in een en dezelfde tekst en niet zelden als tegenstelling. Een bijbelboek als de Spreuken van Salomo is er vol van, maar ook in de psalmen vindt men vaak beide.
Denyssen heeft zich moeite gegeven om in zijn derde verhandeling een vrij uitvoerige beschrijving te geven van de goddelozen. Op geen betere wijze kon hij immers de heerlijkheid van de rechtvaardigen ofwel heiligen in het licht stellen dan door in donkere kleuren het beeld van de goddelozen te schetsen.
Goddelozen, zegt hij, zijn in de H. Schrift niet alleen maar de mensen die slecht van leven zijn. Er zijn ook zeer godsdienstige goddelozen: de huichelaars. Andere goddelozen zijn diegenen die wel christelijk en zelfs kerks zijn maar louter uit sleur en gewoonte. Ook zij leven zonder God in de wereld. Doch ook ketters rekent Denyssen tot de goddelozen; zij doen zich soms wel vroom voor maar behoren toch niet tot de ware kinderen Gods. Trouwens, gewoonlijk hangen zij een leven aan dat in strijd is met Gods geboden.
Zo voor het oog is het leven der goddelozen vaak hoogst aantrekkelijk; zij genieten niet zelden voorspoed in deze wereld. Maar dat is dan ook alleen maar de buitenkant; innerlijk is het bij hen heel anders gesteld. Geen mens is er of hij heeft van God een geweten ontvangen, een geweten dat spreekt. Vandaar dat er in het hart van de goddeloze veel onrust is, veel vrees. Hun leven is in feite een gedurig op de vlucht zijn, nl. voor hun eigen geweten. Eigenlijke vervolgers zijn er niet, en toch doen zij niets dan vluchten. Een gevolg hiervan is dat de goddelozen zeer ongelukkige en ellendige mensen zijn. Een geweten dat ons aanklaagt is erger dan duizend mensen die ons van het een of ander kwaad beschuldigen. Het is hen alsof er een molensteen op hun hart ligt, in feite is het het pak der zonden. Komt het er eens een keertje van dat zij naar omhoog zien, dan zien zij niet anders dan een vertoornd Rechter, en zien zij naar omlaag, dan blikken zij in de afgrond van de hel. Het komt voor dat zij in wanhoop vallen, vooral aan het einde van hun leven. Zij missen dan alle houvast, alle hoop, alle geloof, alle troost. In de nood van het leven is er voor hen geen toevlucht tot God. Zij missen het schild des geloofs, kunnen zich dus niet verweren tegen de boze. Zij missen ook de helm van de hoop der zaligheid en wat blijft dan anders over dan wanhoop? Als roofvogels azen de duivelen op de zielen der goddelozen en soms lijkt het erop dat zij daar iets van gevoelen, maar zij kunnen er niets tegenover stellen.
Nu valt echter niet te ontkennen, en Denyssen geeft dat ook toe, dat van deze vrees bij de goddelozen niet altijd zoveel te bemerken valt. Hij schenkt aandacht aan het feit dat er goddelozen zijn die zeer manhaftig optreden, met een grote mond en veel bravour. Zij lijken, zegt hij, op honden die hard blaffen, maar dat wil nog niet zeggen dat zij niet ook bang zijn. Treffend is de vergelijking die hij maakt tussen enerzijds de goddelozen en anderzijds de vensters in de tempel van Salomo: die vensters waren van buiten groter dan van binnen. En verder moet ook niet worden vergeten dat ons geweten soms tijdenlang zich rustig kan houden om dan ineens wakker te worden en ons te benauwen. Een hond kan een tijdlang rustig liggen slapen, maar als hij onraad hoort ontwaakt hij, stuift hij op en laat hij zijn tanden zien, en zo is het nu ook met ons geweten.
Het is Denyssen niet moeilijk gevallen voor dit alles teksten en voorbeelden te vinden in de H. Schrift. Hij herinnert aan Adam, die zich voor God verborgen hield nadat hij gevallen was; aan Kaïn, die achtervolgd werd door zijn geweten en een rusteloze zwerver werd; aan koning Saul, die ten einde raad zijn toevlucht nam tot een tovenares en waarzegster; aan Nabal, die van schrik dood bleef; aan koning Belsazar, wiens knieën knikten toen de hand aan de wand verscheen; aan Judas, die zich verhing uit wroeging; en aan nog meer andere bijbelse figuren. Voorbeelden van schrik en ontzetting, die het gevolg geweest zijn van zware gewetensaanklachten en straffen van God, vond Denyssen ook bij hele legers, als dat van de Farao van Egypte, die omkwam in de Dode Zee, en dat van de Midianieten in de dagen van Gideon, en dat van de Chaldeeën in de dagen van Hizkia. Maar ook uit later tijd haalt Denyssen voorbeelden aan, onder andere uit de geschiedenis van eigen land en volk. Hij denkt daarbij vooral aan de oorlog met Spanje en later, in 1672, met Frankrijk. Tal van merkwaardige gebeurtenissen haalt hij op uit de grote historiewerken, die alle bewijzen wat een verschrikt geweten kan uitwerken.
Laten atheïsten en libertijnen zeggen: er is geen God en religie is maar een uitvinding van mensen, Denyssen verwijst hen naar hun eigen geweten. O goddelozen, roept hij uit, waarom zijt gij toch zo dwaas? Ach, konden wij u toch afkerig maken van uw goddeloosheid! Hoe blinken de heiligen uit wanneer wij hen vergelijken met de goddelozen. Hun heerlijkheid is groot! Wij zullen er nog meer over horen.
K. Exalto

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Dionysius Denyssen en zijn  'Heerlyckheyt der Heyligen'

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's