De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wat voor een vertrouwen?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat voor een vertrouwen?

7 minuten leestijd

Wat vertrouwen is dit, waarmee gij vertrouwt? 2 Koningen 18 vers 19b

Hoe goed werkte de inlichtingendienst van Rabsaké, hij is op de hoogte van de stemming in de stad. Hij heeft onder andere vernomen, dat er beweerd wordt: Wij vertrouwen op de Heere onze God. Wij. Dat zijn vooral uw koning Hiskia en de man Gods Jesaja. Zij zijn de mannen van het vertrouwen en daarom van de weerstand.
Wat moet u daarvan denken; de woordvoerder van Assur weet er niet goed raad mee. Het is óf een fraai woord voor zelfvertrouwen, of het is pure dwaasheid. Het heeft geen enkele zin. Deze militair is hoogst modern. Hij rafelt het geloof meedogenloos uit elkaar, er blijft niet van over!
De Heere redt niet, dat kan ik u verzekeren. Hij wil niet redden. Hij is immers met de sterken, en de sterken zijn wij. Hij — het is als hoort u Hitler schermen met de voorzienigheid — zei tot ons: Trek op tegen dat land om het te veroveren en te verderven. Als de Heere uw God over deze oorlogsvoering gaat, dan hebt gij niets van Hem te verwachten. Hij kiest kennelijk onze partij; ben ik soms zonder Hem op pad gegaan?
Dan, ineens schiet zijn stem uit, boos en bars: Hij kan niet! Hiskia kan niet redden, Egypte kan niet helpen, de Heere kan helpen noch redden. Hij is in deze zaak volkomen machteloos. Ja, dat mogen alle mannen van Jeruzalem horen, dat moeten ze horen. De mooie, vrome, vage woorden van de koning: De Heere zal ons redden, zullen hén de das omdoen. Straks zullen ze, ontnuchterd en ontgoocheld de macht van Assyrië, dat is van Assur, de grote god, moeten erkennen. Dan is het te laat. Hiskia misleidt u; de Heere, die ze naar voren schuiven, misleidt u. Maar ik behandel u eerlijk. Een vertrouwen op de Heere, is een misplaatst vertrouwen.
Zo hebben andere volken op hun goden vertrouwd, maar de een na de ander is van het toneel verdwenen. Met hun volk werden zij overwonnen door mijn macht, mijn onweerstaanbare macht. De Heere is een van de vele goden, en niet eens zo belangrijk. De grootheid van een god hangt samen met de grootheid van een volk, staat en valt met zijn vereerders. Zou de Heere kunnen redden waar andere goden in gebreke blijven. En zo voort en zo voort. U merkt wel hoe stelselmatig deze veldheer het vertrouwen van zijn tegenstander ondermijnt. Hoe hij het van alle kanten be­ strijdt, hoe hij met hem speelt het wrede spel van kat en muis.
Wat is dit voor een vertrouwen? Het is terdege de moeite waard om deze vraag te stellen. Om er zich rekenschap van te geven. Wie dit vertrouwen de gewoonste zaak van de wereld vindt zit er lelijk naast. Want het is wonderlijk, vreemd, dwaas. Wie doet dat nu, als hij zijn verstand gebruikt. Laat hij de argumenten van de Rabsaké maar eens weerleggen. Weet u wat de aard van dit vertrouwen is? De naam des Heeren wordt er in beleden! En belijden is iets anders dan beweren en ook wat anders dan bewijzen.
De Heere, dat is geen macht, geen onbegrensde en onbestemde macht aan wie we eerst al het gebeuren toeschrijven, om Hem dan van machteloosheid te betichten, en af te schrijven. De Heere draagt een naam! De naam is een roepnaam. De Heere wil genoemd worden, aangeroepen worden. Die naam wordt uitgeschreven in Zijn woorden en Zijn daden. Hij wordt in Israël, en in de gemeente gekend als de God, Die wonderen werkt. Die Zijn volk uit Egypte leidde, die hem Kanaan deed beerven. Dat ging dwars door de onmogelijkheden heen. Die ... En dan komen de verhalen, zij worden als verhalen geregen tot de ketting van de Naam. De Heere deed zich zó kennen. Hij is de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die Hem opwekte uit de doden. Die, zegt Paulus, ons uit zo grote dood verlost heeft en nog verlost; op Wien wij hopen dat Hij ons nog verlossen zal. Verlosser is zijn Naam! Wisten we niet van die Naam, dan zou dit vertrouwen een slag in de lucht zijn. Het zou er mee zijn als met een ballon, die u opblaast, maar zodra er in geprikt wordt, loopt hij leeg.
Het geloof is kennen en vertrouwen. Die Uw Naam kennen zullen op U vertrouwen.
Dat geloof is een vreemde vogel. Hij vliegt een eigen koers, hij zingt een eigen lied. Gods Heilige Geest leert ons die naam kennen. Hij werkt ook het vertrouwen en wekt dat telkens weer. Wij weten niet wie God is en we rekenen niets voor Hem, omdat de zonde vervreemding van God betekent. Godsverduistering. Een Godsverduistering die als een dichte mist, als een donkere wolk over deze wereld en deze eeuw hangt. Vandaar de vraag: Wat is dat voor een vertrouwen. Men mag de wedervraag stellen: Kent u dan de Naam des Heeren niet? Wij worden in dit vertrouwen immers uitsluitend op die Naam geworpen.
Het vertrouwen wordt aangevochten door allen die de naam niet kennen, wien het geheel enige van deze God ten enenmale ontgaat. En, laten wij het toegeven, het ontgaat ons mensen. Ons verstand gaat er niet over, en wij willen er ook niet aan geloven. Daarom hebben wij God, de Heere, uit Zijn schepping geschrapt en maken wetenschap en techniek zich daar breed.
Daarom hebben wij Hem uit de geschiedenis geschrapt; daar zijn wij alleen maar in de weer. Daarom mogen wij niet meer van wonderen spreken; op wiens naam zouden die dan staan? En ondertussen vertrouwen wij op mensen en machten, op kennen en kunnen. Ondertussen vallen wij op onze eigen mogelijkheden terug en vallen er telkens mee om. Want ook dat vertrouwen wordt toch aangevreten: zijn onze mogelijkheden wel reddende mogelijkheden?
Het lijkt wel, als is het uit de tijd om aan Gods daden te denken en Hem er voor te danken. Dit vertrouwen hebben we al lang de laan uitgestuurd. Maar het wordt toch nog gekoesterd, stil en vast. De Naam raakt nooit in vergetelheid. Die Naam verhogen wij, voor mensen die stikken in het wantrouwen en voor mensen voor wie het vertrouwen de enige verademing is.
Dit vertrouwen doet leven. Jeruzalem was ten dode opgeschreven. Leiden — want ook tot Leiden drong het bericht van de Naam door — kon het niet meer bolwerken. Hoopt op God. Hij is een hoog vertrek! Wanneer, als beloning voor de dappere weerstand die de Spanjaarden werd geboden, de Leidse universiteit gesticht wordt, dan wordt het onderricht in de rechte kennis van God daarbij allereerst genoemd. Dan gaat het er om 'de heerlijkheid van de Naam grotelijks te verbreiden'. De Heere is Dezelfde. Het verleden is geen dood verleden. Hij gaat mee het heden en de toekomst in. We halen de zaak niet op; we roepen de Naam uit.
Ons is meer dan ooit nodig dat wij ons 'van ganser harte tot God begeven'. Van alle overschatting van eigen naam en onderschatting van Gods naam ons bekeren tot Hem, Die redt. De wat argwanende en kwaadwillige vraag: Wat vertrouwen is dit, waarmee gij vertrouwt mag in argeloosheid beantwoord worden: Onze hulp is in de naam des Heeren.

P.S. De lezers uit mijn Leidse gemeente zullen in deze meditatie veel terug vinden van de preek, op 3 oktober 1967 in de Pieterskerk gehouden.
Volgt hier nog de tekst van de oorspronkelijke oproep.

OPROEP — 3 OKTOBER Alzoo den almogende, barmhartige God ende goedertieren Vader, Wiens hand nimmer gesloten en is, om de zijnen barmhartigheid te bewijzen niettegenstaande Hij dezelve dikwijls beproeft ende tot het uiterste laat komen, eindelijk belieft ons met Zijn genadige oogen aan te zien en na zooveel calamiteit — rampspoed — te verlossen ende met proviand ende victualiën te verzorgen, daarvoor wij nimmermeer Zijn goddelijke majesteit ten volle kunnen danken.
Zoo vermanen mijn heer de commissaris en gerechten ende uit haar macht en autoriteit, gebieden, lasten en bevelen een ieder zich van ganscher harte tot God te begeven en Hem voor Zijn oneindige goedheid en onvoorziene barmhartigheid hartgrondig te danken, prijzen en loven ende de victualiën — levensmiddelen — die binnen gekomen zijn, met dankbaarheid en sober en matig te nuttigen.
Ende zal een iegelijk tot dien einde terstond in de Pieterskerk gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Wat voor een vertrouwen?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's