Uit de pers
Het 'geval-Zwolle'
Wie meeleeft met wat er in onze samenleving te doen is, zal bij bovenstaand opschrift niet vreemd opkijken. Veel is er immers geschreven over het feit dat het bestuur van het christelijk Carolus Clusius College in Zwolle gemeend heeft de heer G. Los, godsdienstleraar aan deze school, niet langer als leraar te kunnen handhaven, omdat de heer Los lid is geworden van de Communistische Partij Nederland.
Het feit doet zich voor dat velen voor de heer Los partij kiezen. Ook in de christelijke pers en de christelijke onderwijswereld zijn er die het voor deze leraar en tegen het bestuur opnemen. Terecht wijst prof. Runia er in het Centraal Weekblad op, dat dit typerend is voor onze tijd.
Men kiest bij voorbaat partij voor de onderliggende partij, de 'underdog'. Daar zit iets sympathieks in. Maar een zakelijke discussie kan dan wel erg moeilijk worden.
Moeilijker wordt het echter als men op principiële gronden het besluit van het bestuur gaat aanvechten, door te poneren dat een lid van de CPN niet alles in zijn partij behoeft te onderschrijven om toch lid te zijn vanuit de overtuiging dat deze partij het meest voor de arbeiders doet.
Concreter gezegd: men is van mening dat men binnen de CPN rustig christen kan zijn, lang niet alles wat Moskou doet, behoeft goed te praten en toch lid van deze organisatie kan blijven. Er zijn, zo zegt men, bovendien ook leraren die zich weinig laten gelegen liggen aan de christelijke grondslag van hun school en die toch gehandhaafd blijven als leraar. En waarom dan niet iemand die wel christen wil zijn en die daarnaast meent dit te kunnen verenigen met een lidmaatschap van de CPN?
Nu ligt hier natuurlijk wel een probleem.
Dat raakt de crisis in het christelijk onderwijs als zodanig. Inderdaad komt het voor dat leraren verbonden zijn aan christelijke scholen, soms met een duidelijke grondslag, terwijl deze leraren er openlijk voor uitkomen dat de kerk en het geloof weinig relevantie voor hen hebben. Hier ligt m.i. ook een stuk schuld bij besturen, misschien in sommige gevallen ook overmacht, omdat een grote school met meer dan duizend leerlingen niet kan leven met vacatures; het onderwijs moet doorgaan en men kan geen klassen naar huis sturen enz.
Maar dat neemt niet weg dat we in het algemeen mogen stellen: laat men toch ernst maken met de grondslag van het christelijk onderwijs; dat geldt niet alleen onderwijskrachten en besturen, maar ook de leden van schoolverenigingen enz.
Overigens kan men zich niet op een foute praktijk beroepen om andere fouten goed te praten. En ik meen, dat men zich door de CPN zand in de ogen laat strooien, als men, afgaande op geruststellende verklaringen van die zijde, van oordeel is dat een leraar die instemt met de christelijke grondslag van een school tegelijk lid van de CPN kan zijn.
De grondslag van de CPN
In het Centraal Weekblad van 12 oktober gaat prof. Runia op die grondslag nader in. Hij schrijft in dit verband:
Het kernprobleem ligt in het feit dat ook de CPN een zeer duidelijke, uitgesproken levensbeschouwelijke grondslag heeft. Art. 2 van de statuten van de CPN luidt: 'Het doel dat de partij zich stelt is neergelegd in de beginselverklaring'. In deze beginselverklaring zelf wordt gesteld dat de partij zich baseert op het leninistisch marxisme. Wie de geschriften van Marx en Lenin ook maar oppervlakkig kent weet dat het hier niet maar gaat om een neutrale visie op de maatschappij, maar dat deze visie bewust gedragen wordt door een uitgesproken atheïstische levensbeschouwing. Het bestaan van God wordt niet alleen ontkend, maar als schadelijk en verwerpelijk beschouwd.
Nu kan men natuurlijk zeggen: dat kan wel waar zijn, maar de soep wordt in werkelijkheid niet zo heet gegeten als ze opgediend wordt. Want staat er in art. 4b van de statuten van de CPN niet: 'Godsdienstige overtuiging of lidmaatschap van een kerk zijn geen beletsel voor het lidmaatschap van de partij?' Inderdaad staat dit er. Maar men moet zich hier natuurlijk niet op verkijken, want er komt meteen in hetzelfde art. 4b nog wat achteraan: 'De partij staat de leden echter niet toe propaganda welke tegen haar ideologische grondslagen is gericht, te maken.'
Uit deze toevoeging blijkt hoe de CPN tegenover godsdienstige overtuiging en kerklid-zijn aankijkt.
Je mag best in de privé-sfeer zo'n 'hobby' erop nahouden. Maar in het kader van de partij mag het niet functioneren. Daar zijn de ideologische grondslagen (die atheïstisch zijn!) beslissend. Wie daar vanuit zijn christelijk geloof tegen opponeert, gaat buiten het boekje van de partij. M.a.w. wie lid wordt van de CPN mag in de partij Jezus Christus niet als zijn enige Heer belijden.
Dit alles wordt nog aangescherpt door de artt. 8c en 14a. Art. 8c luidt: 'Nadat door de betrokken instanties de discussie is gesloten en de besluiten zijn genomen, moeten zij onvoorwaardelijk door de gehele partij worden uitgevoerd, ook door hen die het er niet mee eens zijn.' Art. 14a luidt: 'De politieke eenheid en strenge discipline zijn de voorwaarden tot strijdbaarheid van de partij ... De besluiten van het partijcongres, de districtsconferentie en het partijbestuur moeten door alle partijleden zo vlug mogelijk worden uitgevoerd.'
Men kan proberen dit alles te relativeren door te zeggen: dit moet je niet te serieus nemen. Het bedoelt eigenlijk niets anders te zeggen dan dat er partijdiscipline moet zijn. Zo wordt het gesteld in het artikel van de onderwijsredactie van Trouw/ Kwartet. Je zou deze onvoorwaardelijke gehoorzaamheid kunnen opvatten 'als een wat botte formulering van de partijdiscipline die elke partij min of meer kent'.
Hier sta je toch wel even met je ogen te knipperen. Weet men zo weinig van de geschiedenis van het communisme, ook van de CPN in Nederland? In het licht van deze geschiedenis zijn dit toch echt geen loze woorden. Hoeveel mensen zijn in het verleden niet uit de CPN gewipt (om maar niet te spreken over wat in landen met een communistische meerderheid gebeurt!), omdat ze niet 'gehoorzaam' waren aan de partij? Is men nu werkelijk zo argeloos?
Er zit trouwens ook nog een andere kant van de zaak. Wie lid van de CPN wordt, spreekt daarmee ook uit dat hij achter de politiek-maatschappelijke visie van deze partij staat, een visie die nog steeds beheerst wordt door de gedachte van de klassestrijd. Kan een leraar, en met name een godsdienstleraar, die in de regel ook het vak 'maatschappijleer' voor zijn rekening neemt, hierover zwijgen in zijn lessen? Moet de man dan helemaal als schizofreen leven? Zijn politieke partij verbiedt hem om in de partij te getuigen van Jezus Christus als de enige Heer, ook van het maatschappelijk gebeuren.
Moet hij in zijn lessen dan ook nog zwijgen over zijn visie op de maatschappij, wat voor hem toch ook een existentiële zaak is?
Runia is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat het bestuur in deze zaak juist gehandeld heeft. Men kan zich niet beroepen op het feit dat er toch de laatste jaren tussen christenen en marxisten een dialoog op gang gekomen is, dat er marxisten zijn zoals Gardavsky en Machovec die heel anders over Jezus schrijven dan in het verleden door marxisten gedaan is. Maar laten we bedenken dat ondanks alle vriendelijke woorden en sympathiebetuigingen aan het adres van Jezus de grondslag ook van dit neo-marxisme atheïstisch is.
Te argeloos
Het is verbijsterend hoe argeloos ook een dagblad als Trouw een verklaring van de CPN interpreteert. Prof. Ridderbos verzet zich tegen deze argeloosheid als hij in het Geref. Weekblad van 4 oktober schrijft:
Als ik dit alles echter lees, weet ik niet, waarover ik mij meer moet verwonderen: over de argeloosheid, waarmee de onderwijs-redactie van Trouw al wat het secretariaat van de CPN haar als zoete koek aanbiedt ten gunste van het standpunt van de heer Los accepteert, óf over de voor mijn besef beginselloze conclusies, die zij blijkbaar bereid is uit deze uitlegging van de statuten te trekken.
Wat het eerste betreft: wat had de redactie dan anders van het secretariaat van de CPN verwacht dan dit antwoord? Soms dat het alle zich christelijk noemende aspirant-leden of leden zou aanmanen zo gauw mogelijk uit de CPN te verdwijnen? En dat het dus het bestuur van de Zwolse scholen groot gelijk zou hebben gegeven door hier van een kiezen-of-delen-situatie te spreken? Heeft de redactie er nooit van gehoord, hoezeer het communisme er op uit is om juist via allerlei socialistisch gerichte idealisten, priesters en theologen, te infiltreren? Denkt zij, dat de CPN van een jonge godsdienstleraar, die onder de aankomende intelligentsia op een christelijke school zijn linkse ideeën kwijt kan en kwijt wil, zal eisen dat hij om lid van de partij te worden eerst zijn christelijk geloof moet afzweren? Om aldus aan een ieder te demonstreren, wat haar eigenlijke doelstellingen zijn? Zou de redacteur, die zo trouw de boodschap van het secretariaat van de CPN aan de lezers van Trouw overbrengt als voorpagina-nieuws — je ziet de heren van het secretariaat al gnuiven! — er ooit aan gedacht hebben, dat iedere dictatoriale partij, die in een democratie wil opereren, altijd zo is opgetreden en moet optreden? Is Hitler soms anders begonnen of de NSB in Nederland? Moeten wij opnieuw beleven dat de argelozen, die toen ook meenden dat je toch wel 'het goede' in de NSB kon waarderen, zonder het nu in alles met de beginselen ervan eens te zijn, ongewild opnieuw de beste handlangers blijken te zijn om de zoet-fluitende vogelaar de vogels in het net te jagen?
Nu begrijp ik intussen wel, dat de onderwijsredactie van Trouw in dit verband niet méér bedoelt te zeggen of te suggereren, dan dat de heer Los — wanneer men zich op een formeel-juridisch standpunt stelt — zich dan toch op deze — 'officiële' — interpretatie van de statuten. kan beroepen tegen het onverenigbaar! — verdicht van het schoolbestuur. Maar is dat ook zo? Voor mijn besef kun je slechts ten koste van de meest ingrijpende beginselen van geloof en leven zulk een vraag bevestigend beantwoorden. Want wat is er nu met deze zg. interpretatie in feite veranderd? Is het nu soms niet meer waar, dat de CPN, goed communistisch, heel haar politiek en maatschappelijk streven baseert op een uitgesproken a-theïstische en dus antichristelijke ideologie? Kan dan iemand, die geacht wordt de christelijke levensovertuiging als inzet van zijn onderwijs en optreden te aanvaarden en uit te dragen tegelijkertijd het aldus en niet anders bedoelde en gefundeerde politieke streven van de CPN aanhangen en als lid van de partij openlijk bevorderen, ook al zou hij dan voor zich persoonlijk deze ideologie (in alle opzichten) niet voor zijn rekening behoeven te nemen? Indien de CPN, uit welbegrepen opportunisme, zulk een geestelijke boedelscheiding al voor de eigen rekening laat van haar christelijke leden — zolang deze wel te verstaan zich van iedere bestrijding van haar atheïstische en historisch-materialistische grondslag beloven te onthouden! — moet een christenmens van zijn kant daar dan intrappen en zich zulk een door het CPN hem toegestae beginselloosheid laten aanleunen? En moet een onderwijs-redactie als van het Trouw/Kwartet, wanneer zij voorlichting gaat geven terzake van al hetgeen wat niet verenigbaar is met het karakter van een christelijke positiebepaling, er — natuurlijk: vragenderwijs — aan mee helpen om ons dit zand in de ogen te laten strooien, in plaats van haar lezers op te wekken zich nu toch eindelijk de ogen eens uit te wrijven? Ik erken, dat ik mij bij het lezen van dergelijke artikelen voor raadselen gesteld zie. Want Trouw weet bij andere gelegenheden wel anders en ook beter. Hoe dit alles moge zijn, concluderend ben ik van mening, dat men in ieder geval dankbaar moet zijn, dat er nog schoolbesturen zijn die beter doorzien wat zich al dan niet binnen het kader van het door hen voorgestane christelijke onderwijs laat verenigen, met name ook op het zo gewichtige punt van het godsdienstonderwijs en die daaruit ook de conclusies durven te trekken. Deze besturen verdienen naar mijn overtuiging eerder de steun dan de ondermijning van hun beleid van de zijde dergenen, die het — ongetwijfeld niet eenvoudig te handhaven, maar niettemin niet gemakkelijk in zijn belang te overschatten — christelijk karakter van het Onderwijs nog ter harte gaat.
Laat men zich toch geen zand in de ogen laten strooien door het zoet gefluit van Moskou-sympathisanten. Veenhof herinnert in Opbouw van 11 oktober aan inlichtingen over de situatie in Rusland, verstrekt door Amnesty International, een organisatie die zich het lot van gevangenen aantrekt, waar ook ter wereld (in Zuid-Afrika even goed als in Rusland). Dan blijkt hoe b.v. in Rusland godsdienstonderwijs verboden is en het gehele onderwijs doordrongen is van atheïstische propaganda. Wou men werkelijk beweren dat de CPN in ons land dit beleid zou afkeuren. Is er werkelijk zoveel fantasie voor nodig om te veronderstellen wat er gebeuren zou als de CPN de macht in handen kreeg?
De open brief
Een aantal studenten (en niet een aantal organisaties, zoals beweerd is) heeft het in een open brief opgenomen voor de heer Los. Zij schrijven in deze brief:
— Genoemd besluit van uw bestuur te beschouwen als zijnde in strijd met de grondwettelijk vastgelegde rechten van vereniging en vrije meningsuiting en dus ook in strijd met de internationale vastgelegde rechten van de mens. Wij betreuren dat hierdoor de term 'christelijk' die toch al op vele wijzen bezoedeld is en wordt, nog verder wordt uitgehold, namelijk door haar te verbinden met antidemocratische uitspraken.
— Haar solidariteit te betuigen met de heer Los en hem alle mogelijke sterkte toe te wensen voor de komende weken, die voor hem ten gevolge van een begrijpelijke vertwijfeling en teleurstelling zeker moeilijk zullen zijn.
— Haar angst voor de toekomst uit te spreken, met name vanwege diegenen onder ons, die in de toekomst als leraar in het godsdienstonderwijs hopen werkzaam te zijn. Wij vrezen, dat wanneer een dergelijk precedent eenmaal geschapen is, het in de toekomst mogelijk zal zijn, een ieder die politiek niet denkt in de lijn die door de bestaande christelijke partijen wordt voorgestaan, op een soortgelijke wijze te excommuniceren. Wij beschouwen de indoctrinatie die hieruit voort zou kunnen vloeien, als zeker niet minder gevaarlijk dan die waarvoor uw bestuur zo bang schijnt te zijn.'
Je vraagt je natuurlijk wel af, welke visie op het christelijk geloof bij deze theologische studenten voorhanden is. Door wie wordt nu eigenlijk het woord 'christelijk' uitgehold? Ridderbos heeft ook deze brief scherp aangevallen. In het Geref. Weekblad van 11 oktober noemt hij deze brief on-intelligent, on-kritisch en onnozel.
Het on-intelligente schuilt m.i. hierin, dat deze studenten zich voor hun bezwaar tegen het Zwolse bestuur menen te kunnen beroepen op de grondwettig vastgelegde rechten van vereniging en vrije meningsuiting, ja zelfs op de internationale rechten van de mens. Alsof door het bestuur van de Zwolse scholen op die rechten van de betreffende leraar ook maar het allerminste zou worden afgedaan!
Wie zou ook maar in de verste verte willen ontkennen, dat deze leraar, als hij dat wenst, lid mag zijn van de CPN of welke niet-verboden organisatie ook, of dat hij het recht heeft op volkomen vrije meningsuiting. Wat door het Zwolse bestuur ontkend wordt is dat iedere vrije Nederlander óók het recht heeft om als godsdienstleraar op te treden aan een op een bepaalde grondslag gestichte school. Dat dit heel wat anders is kan zelfs door niet-academisch gevormde personen gemakkelijk worden ingezien en ik vind het wat beschamend voor de theologenstand, dat besturen van theologen-verenigingen dit elementaire onderscheid niet hebben kunnen ontdekken.
Ten tweede: het onkritische. De studenten zeggen, dat vanwege deze schending van burgerrechten etc. de term 'christelijk' (toch al zo bezoedeld) nog verder wordt uitgehold. Behalve dat dit echter, zoals wij zagen op een misverstand berust, laten de studenten het eigenlijke punt in kwestie, nl. de door het bestuur gestelde onverenigbaarheid van christendom en communisme (en van het lidmaatschap van de op expliciet atheïstische beginselen gefundeerde CPN) gehéél onbesproken. En dat is toch eigenlijk het punt in kwestie en daarover loopt dus het geding. Als de theologen over hetgeen in dit opzicht al dan niet christelijk is iets wezenlijks hadden bij te dragen — en wie zou daarop, nu deze 'term' (nu ja, term!) inderdaad toch al zo bezoedeld wordt, geen prijs stellen? — dan hadden ze daarop uiteraard moeten ingaan. Dat ze dit óf niet begrepen of voor het gemak maar onbesproken gelaten hebben, acht ik voor academisch gevormde woordvoerders een te weinig kritische benadering van de zaken, waarin zij zich mengen; hetgeen ook al weer niet tot aanbeveling strekt van het toch reeds zo dikwijls als onkritisch verguisde christendom.
Eindelijk het onnozele. Ik erken, dat dit, vooral als het op studenten wordt toegepast een nogal depreciërend iudicium is. Maar ook na ernstige overweging denk ik, dat ik hier tegenover mijn vakgenoten met niet minder toe kan. Dat zit bij mij vast op de in de open brief als 'ondemocratisch' gekwalificeerde uitspraken van het Zwolse schoolbestuur. Als ik dat lees denk ik: hoe kunnen de studenten in vredesnaam nu juist hier de democratie in geding brengen. Want wie is in dit geding nu eigenlijk de hoeder van de democratie: de leraar, die de communistische orde ingevoerd wil zien (want dat zal toch wel het minste zijn wat hij, door zich bij de communistische partij aan te sluiten, beoogt, óók al zou hij dan 'ideologisch' nog op een wat andere toer gaan) óf een bestuur dat juist met het communisme noch ideologisch, noch praktisch op zijn scholen te doen wil hebben? Hebben de theologen, die het zozeer voor de leraar opnemen en hem op een bijna hartroerende wijze moed inspreken voor zijn streven, wel eens ergens een op communistische grondslagen ingerichte samenleving en staatsorde gezien, waar men nog van democratische vrijheden en rechten kan spreken? Lezen zij wel eens wat niet onvermaarde schrijvers, die Rusland ontvlucht of uitgeworpen zijn, over die democratie vertellen? Nemen zij wel kennis van wat zich heden ten dage weer met toenemende ón-democratische intolerantie in bepaalde Oosteuropese landen voltrekt, b.v. tegen de kerk? Is hun het sabelgekletter van de communistische legers aan de grenzen van Joegoslavië ontgaan, dat toch ook bij hen — want zó lang is dit nog niet geleden — de herinnering zou moeten wakker roepen aan wat zich volgens dezelfde procedure in Tsjechoslowakije afgespeeld heeft, toen de Russische beer — natuurlijk uit louter liefde voor de democratie! — alles en allen wat hem niet naar de zin was aan de brede borst drukte, boeren, arbeiders, christenen en nietchristenen, zodat het bloed alle kanten uitliep?
Natuurlijk hoor ik de woedende tegenspraak al, dat dit niet in geding is, dat de CPN Rusland niet is en dat de heer Los en alle linkse theologen dit alles even erg vinden als ieder weldenkend mens etc. etc. Het zal allemaal wel waar zijn. Maar als een christelijk schoolbestuur zegt, dat christendom en communisme onverenigbaar zijn en daarom geen communistische leraars aan zijn school verbonden wil zien, dan is het allerlaatste waarmee men mij moet aankomen het argument dat daarmee de democratie geweld aangedaan wordt. Want de uitspraak van het schoolbestuur vond niet plaats — zoals de open brief weer zéér ten onrechte suggereert — uit partij-politieke overwegingen of om iemand het recht te ontzeggen in Nederland lid te zijn van een communistische partij, maar om principieel tegen het communistische beginsel en tegen de daarop gefundeerde staatsorde partij te kiezen. En wie deze positiekeuze een keuze tegen de democratie of on-democratisch durft te noemen, nu, die weet om het maar zacht te zeggen niet wat er in de wereld te koop is. En dan zeg ik tegen studenten — die houden immers van een harde discussie! — : het is onnozel!
Het gaat ons niet om een hetze tegen de persoon van de heer Los. Ook het bestuur van genoemd college maakt niet de indruk met de botte bijl te hakken. Het gaat wel om de wezenlijke inhoud van het christelijk onderwijs. Dat laat zich niet verenigen met de grondslagen van een atheïstische organisatie. Men zal hier moeten kiezen of delen. Niet het bestuur heeft de heer Los die keus opgedrongen. Door zijn lidmaatschap voor de CPN heeft deze zichzelf voor deze keus gezet. En het is te hopen dat allen die het christelijk onderwijs in ons land ter harte gaan, achter het bestuur gaan staan en duidelijk laten merken dat hier twee zaken in het geding zijn die onverenigbaar zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's