De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dionysius Denyssen en zijn  ’Heerlyckheyt der Heyligen’ (slot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dionysius Denyssen en zijn ’Heerlyckheyt der Heyligen’ (slot)

Minder bekende oude schrijvers

9 minuten leestijd

Gods beminden
Tot de heerlijkheid der heiligen op aarde behoort in de eerste plaats, dat zij door God bemind worden. Zij heten in de Schrift Gods gunstgenoten, Gods geliefden, Zijn vrienden. Het woord 'gewenst' in Dan. 10: 11, een tekst die door Denyssen wordt behandeld, heeft dezelfde betekenis; het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt kan vertaald worden door 'bemind'.
Wat ook Gods kinderen in zichzelf zijn of in het oog der wereld, in Gods oog zijn zij gewenst, d.w.z. bemind, kostbaar en dierbaar. Er is een eeuwige verkiezing, daarin ligt de oorsprong van dit bemind zijn. God ziet ze aan in Christus, in wie zij door de H. Geest zijn overgeplant. Hij heeft hen in Christus lief.
Bovendien zijn zij door de genade Gods innerlijk veranderd, vernieuwd. Een duidelijk voorbeeld daarvan hebben wij in Daniël, over wie het gaat in de tekst. In hem was, zo staat er ergens, een voortreffelijker geest dan in anderen, zelfs dan in zijn vrienden. Hoe trouw was hij in zijn ambt, hoe standvastig en onverzettelijk in de dienst van God. In alle opzichten heeft hij er blijk van gegeven dat hij een heilig en wijs man was.
Maar er zijn behalve Daniël nog vele andere kinderen Gods te noemen, van wie hetzelfde kan worden gezegd. Denyssen noemt o.a. Henoch, Noach, Abraham, Mozes, Job en David.
De schrijver legt tegenover roomse exegeten er nadruk op, dat de heiligen niet door God bemind worden op grond van hun goede werken, hun afkomst of eventueel hun ongehuwde staat. De eer mag niet aan de mens gegeven worden, zij komt alleen God toe.
God bemint dus Zijn heiligen. Hij doet dat ook als zij verkeren in heel ellendige omstandigheden, als zij delen in Zijn algemene straffen over een land en volk. Ook Daniël was weggevoerd naar Babel, ook hij vertoefde in de ballingschap, welke een oordeel Gods was, en tóch was hij door God bemind.
Heel dringend heeft Denyssen zijn lezers vermaand om er toch naar te staan een gunstgenoot van God te worden, een beminde des Heeren. Hij wijst daartoe op Christus, die door het geloof moet worden aangegrepen; alleen in Hem kunnen zondaren God behagen. Dat zal echter niet gaan zonder schuldbelijdenis en verootmoediging. Vervolgens, men spiegele zich aan iemand als Daniël; men overdenke de deugden van deze man. Zijn standvastigheid in het geloof, zijn trouw inzake de religie, zijn stiptheid in het gebedsleven. Hoe diep heeft hij zich voor God vernederd, hoe verslagen van hart was hij. Wat was hij wijs, wat was hij moedig, wat was hij trouw, ook in het waarnemen van zijn burgerlijke plichten. Welk een goed raadsman was hij, zelfs voor de grootste vorsten van die tijd. Hoe nederig bleef hij onder dit alles. Een waar toonbeeld van een heilige! De heerlijkheid der heiligen was in hem, is zij ook in ons?

Steunpilaren van de staat
Gelovigen zijn een steun voor stad en staat, zij zijn uitermate nuttig voor land en volk. Om wie anders dan om zijn heiligen heeft God het Joodse volk gespaard toen het in Babel in ballingschap vertoefde? Wegens het heilig zaad dat daarin gevonden werd heeft God de Joodse natie niet geheel en al verdorven. Om Zijn volk matigt Hij de straffen, tempert Hij de oordelen. Dit is heden niet minder van kracht dan het vroeger was. Om enkele goeden spaart God vele slechten. Om de éne Noach is het hele menselijke geslacht gespaard gebleven. Om 10 rechtvaardigen zou God Sodom gespaard hebben. Vandaar dat God als Hij een land of volk wil straffen Zijn volk verbiedt er nog langer voor te bidden; en dat Hij in andere gevallen pas dan een volk zwaar begint te straffen als de heiligen weg zijn. Als de zwaluwen vertrekken moet men maar denken dat de zomer voorbij is. Toen Lot uit Sodom weg was begon het vuur van de hemel te regenen. Toen de oude christenen uit Jeruzalem waren weggetrokken werd de stad verwoest. Na de dood van Ambrosius kwamen de Goten, na de dood van Augustinus kwamen de Vandalen, na de dood van Luther kwamen er verwoestingen over Duitsland. God heeft om Jacob Laban gezegend en om Paulus degenen die met hem in het schip waren gespaard.
Vraagt men naar de motieven die God daarin bewegen, Denyssen noemt er acht. Ten eerste. God waardeert en schat de Zijnen zo hoog dat Hij omwille van hen anderen, die het niet verdienen, behoudt en redt. Hij weet wat schatten van genade Hij in hen gelegd heeft. Hij ziet en kent hun geloof en heiligheid. Ten tweede, de heiligen stellen zich voor hun land en volk in de bres. Dat doen zij door de zonden van hun volk te belijden, en in die schuldbelijdenis ook zichzelf te betrekken; door te bidden en te smeken voor hun volk bij God, gelijk Mozes, Aaron, Jeremia, Nehemia en Daniël hebben gedaan; door zichzelf ervoor te vervloeken, gelijk Mozes (Exod. 32), David (2 Sam. 24: 17) en Paulus (Rom. 9) gedaan hebben. Ten derde, zij vermanen het volk, soms met tranen en gebeden. Ten vierde, zij geven wijze raad. Ten vijfde, zij zijn Gods gunstgenoten. Zou de Heere naar hen dan niet horen? Ten zesde. God voelt zich er als het ware toe gedrongen hun begeerte in te willigen; dat leert ons Abrahams pleidooi voor Sodom. Ten zevende, zij hebben Christus op hun hand, in wie het welbehagen Gods is. Ten achtste, God wil tonen aan de wereld hoezeer de ware godsvrucht Hern behaagt, en Hij wil ook aan de wereld tonen dat Hij ze liefheeft.
Om het met een paar beelden te zeggen: de gelovigen zijn als de balken in een huis, als de pilaren in een kerk, als het garnizoen in een stad; zij zijn schilden die beschermen, zij zijn het zout dat de wereld voor verderf bewaart. Om hen spaart God nog de wereld. Het schip van staat en kerk zou zinken als zij er niet waren. Gelukkig is een staat, een stad, een gezin, waarin het heilig zaad wordt gevonden. Wat moed geeft voor het lieve vaderland is dat er nog kinderen Gods zijn. Laat toch ieder Gods kinderen liefhebben, hoogachten; laat toch ieder hun dood betreuren. En gij heiligen zelf weest er niet trots op de steunpilaren van het land te zijn; verheugt u in ootmoed; gedraagt u ook als 's landsheiligen; steunt het land en doet dat zoveel als in uw vermogen is.

Een moedig volk
De rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw, zegt de Schrift. Dat geldt zelfs van élk rechtvaardige. Het Hebreeuwse woord dat in de tekst (Spr. 28: 1) door 'moedig' vertaald wordt, betekent eigenlijk: ergens zich op verlaten, ergens op steunen, en daardoor gerust zijn. Zie de jonge leeuw, hij is sterk en vertrouwt daarop, hij is moedig. Hebt ge wel eens een leeuw zien liggen en zien lopen? Welk een rust is er over hem; als hij loopt is er in hem geen zweem van angst. Er is in hem een ingeschapen kracht, waardoor hij onbevreesd is. Hij is de koning der dieren, hij boezemt veel ontzag in. Iets van deze rust, deze moed is er nu ook in de rechtvaardigen. God de Heilige Geest heeft deze deugd gewerkt in hun harten. Zij komt vooral in gevaarvolle tijden aan het licht.
Nu moet men echter wel beseffen dat deze moed heel wat anders is dan onverschilligheid, of hardheid, of ongevoeligheid. Zij is ook niet te vergelijken met het snoeven van een Goliath, die vanuit de hoogte neerzag op al wie hem naderde. Zij is ook geen stoute onbeschaamdheid of roekeloosheid, waarmee men God verzoekt. Al deze soorten van moed komt men nl. ook tegen bij de goddelozen. Als zij in wanhoop zijn geraakt, of uit eerzucht, of als zij in toorn zijn ontstoken. Neen, de moed of kloekmoedigheid van de rechtvaardigen bestaat in een heilige gerustheid, want zij verlaten zich op God; in een stille verdraagzaamheid in alle lotgevallen des levens; in een onbeschroomd weerstaan van Gods vijanden, gelijk de apostelen en Stefanus de Joodse Raad hebben weerstaan; in een standvastige onverzettelijkheid, een gegronde onbewegelijkheid, ondanks alle beloften en dreigingen van vijanden.
Deze kloekmoedigheid van de rechtvaardigen blijkt vooral wanneer de goddelozen zeer te keer gaan. En nu herinnert Denyssen aan wat Luther heeft moeten verdragen van kardinaal Cajetanus. Zij toont zich in nood en gevaar; ook wanneer men zijn goederen verliest of ervan beroofd wordt; in tijden van ziekte en oorlog; in tijden van vervolgingen; in gevangenissen en boeien; en niet het minst in de dood.
Natuurlijk hebben ook de rechtvaardigen hun natuurlijke vreesachtigheid; ook hun vlees is zwak; maar zij hebben God tot hun hulp en hun heil; zij hebben God bij zich, met zich, voor zich; zij hebben Christus en de H. Geest. Een rechtvaardige verlaat zich geheel op de Heere, steunt op Hem, zet zijn betrouwen op Hem.
Voor dit alles voert Denyssen een hele reeks van getuigen aan, uit de Schrift, maar ook uit de historie. Hij wijst op Polycarpus, Wiclif, Hus, Luther, John Knox. Bijzonder hebben hem geïmponeerd de brieven die Luther geschreven heeft vanaf de Coburg, waar hij verblijf hield tij­dens de Rijksdag te Augsburg waar hij niet komen mocht wegens zijn verbanning, aan zijn vriend Melanchton. In Luther heeft Denyssen bewonderd diens grote geloofsmoed.
Heiligen kunnen er zeker van zijn dat geen kwaad ter wereld hen kan schaden. Al waait er nog zo'n sterke tegenwind, zij overwinnen. Op de duur komen zij alle tegenstand te boven.
Evenwel, zij moeten ertoe aangespoord worden. Laten zij toch moedig zijn. Weest helden! Vreesachtigheid is een kwaad. Zoekt te verkrijgen en te behouden een goed geweten, dat zal u moed geven. Vreest God, dan behoeft ge mensen niet te vrezen. Wilt ge vrezen, vreest dan de zonde. Laat uw hart los zijn van het tijdelijke. Leeft uit het geloof, grijpt Gods Woord aan. Bedenkt tot welk een hoge staat en waardigheid God u verkoren heeft. Doorziet de ware aard van alle ellendigheden die u overkomen; zij lijken erger dan zij in werkelijkheid zijn. Zij dragen menigmaal een lelijk masker, wat erachter zit valt gewoonlijk erg mee. Verloochent uw eigen kracht, zoekt uw kracht bij de Heere. Bidt dat Hij u moedig maakt.
Zo besluit Denyssen zijn boek. De heerlijkheid der heiligen is waarlijk geen fantasiebeeld; doch in deze aardse bedeling is zij nog maar een gebroken heerlijkheid. En toch: nu al zal zij er moeten zijn, wil zij eens ten volle openbaar komen.
Gereformeerde predikanten als Denyssen waren geen verheerlijkers van mensen, als zij de christen voorstelden als een heilige, eerden zij God in hem, God alleen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Dionysius Denyssen en zijn  ’Heerlyckheyt der Heyligen’ (slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's