De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

15 minuten leestijd

De wetgeving en de abortus
De laatste weken is er in allerlei bladen veel geschreven over de houding die de overheid gaat innemen ten aanzien van de abortus provocatus. De brief van de nederlandse bisschoppen waarin zij krachtig stelling nemen tegen verruiming van de wettelijke bepalingen, en abortus expliciet afwijzen, omdat het de taak van de christenen is op te komen voor menselijk leven, vooral waar dit leven erg zwak en bedreigd is en niet in staat zichzelf te verdedigen is, volgens Elseviers weekblad van 26 oktober als een knuppel in het politieke hoenderhok terechtgekomen. Daarbij voegde zich het conflict binnen de regering over de sluiting en vervolging van de abortus kliniek in Heemstede. Met name minister Van Agt heeft rondom deze kwestie en op een conferentie van SSR een aantal duidelijke uitspraken gedaan, waarin hij onder meer gezegd heeft dat het een aan christenen gemeenschappelijke overtuiging is, dat het ontluikende zowel als het ontluisterde leven behoed moet worden.
Het dagblad Trouw van 28 oktober nam de tekst van de toespraak van de minister op het SSR-congres over. De staat, aldus minister Van Agt, is geen zedemeester. Maar daarmee kan men de vraag of afwijzing van abortus ook in de wet gestalte moet krijgen, niet afdoen.

Die stelling betekent immers, dat de staat buiten zijn taak treedt, wanneer hij wetten stelt met de pretentie daarmee leiding te geven aan het zedelijk handelen van de burgers, door hun het besef van zedelijke normen bij te brengen of in te scherpen dan wel door hen op te stuwen naar daadwerkelijke naleving van door die burgers reeds als waardevol onderkende normen.
Daargelaten welke waarde deze stelling op zichzelf heeft, zij bestrijkt de situatie niet waarin de wetgever zekere gedragingen verbiedt ter bescherming van een ander dan hem tot wie het verbod zich richt. Ook wie van geen zedenmeesterlijke staat wil weten zal het billijken, misschien zelfs noodzakelijk achten, dat de wet vergrijpen verbiedt tegen de physieke en psychische integriteit van anderen. Maar, zo kan men vragen, doet zich hier niet juist de moeilijkheid voor, dat aan het nog ongeboren leven (evenals aan het reeds ernstig door ziekte of ouderdom aangetaste leven) door sommigen de hoedanigheid wordt ontzegd (reeds of nog) een ander (menselijk wezen) te zijn? En wie die hoedanigheid betwist zal zijn anders oordelende medeburgers, die wettelijke bescherming van ongeboren leven bepleiten, voor de voeten werpen, dat de wetgever, aldus handelend, levensbeschouwelijke inzichten van een deel van de bevolking zou vertalen in gedragsregels voor allen. Aldus ontstaat een pijnlijk dilemma.
Betekent dit nu dat de wetgever zich van regelgeving ter wille van het ongeboren leven dient te onthouden? Velen maken er aanspraak op verschoond te blijven van bemoeiing door de wetgever met handelingen, die naar hun zedelijk oordeel volstrekt ontoelaatbaar zijn. Reikt deze aanspraak zover, dat zij ook dan gehonoreerd moet worden, wanneer het gaat om het verrichten van een onherstelbare ingreep in een organisme, dat straks een geboren mens zal zijn? Pleegt een wetgever misbruik van macht, wanneer hij die ingreep verbiedt, althans slechts onder zekere voorwaarden toelaat? Hoewel menigeen aan dit organisme geen menselijke identiteit toekent en de verwijdering ervan dan ook beschouwt als een medische verrichting gelijk aan het doet er niet toe welk andere?
Het is bijzonder hachelijk bij de bespreking van dit probleem erop te wijzen, dat de grondgedachte waaruit de aanspraak voortkomt van wettelijke bemoeiing hiermee gevrijwaard te blijven, zeer bedenkelijke consequenties kan hebben bij toepassing op geboren leven. Wanneer men daarop de aandacht vestigt, maakt men immers allicht de indruk de voorstanders van vrijheid tot zwangerschapsverbreking in staat te achten ook geboren leven te termineren. Die verdachtmaking is mij geheel vreemd. Maar het postulaat (vrij vertaald: uitgangspunt — red.) dat de staat slechts wettelijke bescherming mag verlenen aan die vormen van leven, die een ieder als gestalte van de mens ervaart, is niet voor inwilliging vatbaar. Uit de absurde gevolgtrekkingen ervan wordt men gewaar, dat dit postulaat niet deugt.

Wij mogen dankbaar zijn voor dit positieve geluid. De vraag is wel wat nu uiteindelijk regering en volksvertegenwoordiging zullen doen. De vraag is ook, wat het door een commissie uit de confessionele regeringspartijen in te dienen wetsvoorstel zal gaan behelzen. Duidelijk is inmiddels dat de abortuskwestie in de politieke sfeer is terecht gekomen en dat met name de voorstanders van verruiming van de wetgeving in regering en volksvertegenwoordiging al hun invloed zullen aanwenden om hun standpunt inzake liberalisering van de vruchtafdrijving er door te krijgen. Wat dit alles voor politieke gevolgen heeft laten we hier rusten. In het genoemde Elseviernummer van 26 oktober komt een interessant gesprek voor van de heer W. F. Klein met kamerlid mr. dr. Van Schaik, lid van de KVP-AR commissie die een initiatiefontwerp over abortus voorbereidt. Onder meer lezen we hier:

Is de bestaande, verwarrende, situatie te wijten aan een zwak beleid van Van Agt?
De verwarring dateert al uit de jaren '69-70, het kabinet-Biesheuvel. Van Agt heeft de zaak via de Wetgevende kant willen oplossen. Hij heeft gedacht dat zijn wetgeving de problematiek zou voorblijven. Maar dat is mislukt. Aan alle kanten en in versneld tempo begon men te frommelen en te morrelen. Aan de beïnvloeding daarvan ontkomt niemand, geen politicus, geen officier, geen rechter. Dan ontstaat er een soort communis opinio. Het is een problematiek waarvoor de minister van justitie niet verantwoordelijk is.'

Terug naar mijn rekensommetje. Wat zijn de politieke implicaties als de zienswijze van de confessionele regeringspartners verworpen wordt?
Dus: stel dat wij met een voorstel komen en het verliezen. Stel dat de liberalisering wordt aangenomen en zonder kleerscheuren de Eerste Kamer passeert. Moeten we dan contrasigneren? (het ondertekenen van een wetsontwerp, red.) Van Agt wil zich hierover niet uitspreken. Wil afwachten. Ik wil niet over zijn consciëntie heengaan, maar — wie ben ik dat ik hem zou zeggen wat ie wel of niet moet doen? — ik vind dat Van Agt het dan niet moet doen.'

Dus ... 
'... dan stapt de minister van justitie op. Maar dan stapt in dezelfde persoon de vice-premier op. Confessionele collega's kunnen niet achterblijven. Dus kabinetscrisis. Wie wil het zover laten komen? Dat is de reden waarom ik denk dat menigeen in de Kamer zich nogal voorzichtig opstelt. Vul maar geen namen in.'

Meer dan politieke kwestie
We leven snel in Nederland. Na alles wat er de laatste weken gepasseerd is en na de uitspraken van de minister blijkt een rede van prof. dr. G. A. Lindeboom waarin deze met name de bewindsman van justitie verantwoordelijk stelt en hem een falend beleid verwijt, toch niet helemaal meer op te gaan. Lindeboom sprak deze rede uit 4 mei 1974. De tekst is afgedrukt in het orgaan 'Laat leven' (juni 1974).
Zonder het beleid van de regering in deze goed te keuren — er is m.i. reden voor de vraag of men van overheidswege het niet veel te ver heeft laten komen en ondanks de huidige wetsbepalingen teveel oogluikend heeft toegestaan — moet men toch zeggen dat met name de laatste weken de minister van justitie aan allerlei practijken paal en perk wil stellen. Al moeten we toegeven dat er ten aanzien van het overheidsingrijpen reden tot zorg blijft. Het compromis waarin men inzake de kwestie rondom de kliniek in Heemstede gekomen is binnen het kabinet, wordt door velen toch ook als een stap-terug ervaren na de uitspraken van minister Van Agt. De vraag is: welke politieke krachten zijn hier in het spel en welke belangen zullen gaan overheersen? Zal men de eenheid binnen het kabinet het kost wat het kost willen handhaven, of zal men voet bij stuk houden tegenover de linkse politici?
In de hierboven genoemde rede van prof. Lindeboom heeft deze er overigens op gewezen dat ontduiking van wetsbepalingen mede veroorzaakt wordt door 't feit dat ze wortelen in het volksbewustzijn. Ontduiking van wetsbepalingen is een gevolg van een stuk verwereldlijking van ons volksleven. Daarom is de abortuskwestie meer dan een justitiële of politieke kwestie.

Het kenmerkt ook de politieke noodsituatie, waarin we ons bevinden. Het lijkt een uiterst hachelijk, om niet te zeggen uitzichtloos ondernemen om nu nog te trachten een dam op te werpen tegen de hoge, nog steeds wassende vloedgolf van moreel verontreinigd water dat reeds ongetelde menselijke vruchten onwaardig heeft weggespoeld. Nog onlangs (1 april) werd op een landelijke bijeenkomst van Soroptimisten, niet zonder bijval, de mening verdedigd dat de belangrijkste hulpmiddelen om de bevolkingsgroei tegen te gaan zijn: sterilisatie, abortus en euthanasie — de abortus dan zo nodig verplicht bij het zoveelste kind.
In de politiek streeft men naar het haalbare, en leeft men bij het compromis, dat van twee kwaden het minste kiest en redden wil wat nog te redden valt.
Het is een afschuwelijk dilemma, waarvoor onze christelijke politici zich gesteld zien; weinig benijdenswaardig is hun positie, en loodzwaar hun verantwoordelijkheid. In een door de Stichting 'Stirezo' (van pater Koopman, postbus 275 te Nijmegen) ook in ons land verspreide, uitnemende brochure van de hand van een Belgische dokter (F. Deckmijn) lees ik de volgende slotsom: 'Het komt ons voor dat er voor de gelovige politicus slechts één mogelijkheid in dit verband is weggelegd: zowel door zijn persoonlijk evangelisch getuigenis als door het uitputten van elke vorm van dialoog zijn gesprekspartners trachten te overtuigen dat vruchtafdrijving niet alleen in strijd is met de gelovige visie op het menselijk bestaan, doch ook op zuiver-maatschappelijk vlak een onrechtvaardige en inhumane praktijk is. Hij kan slechts hopen dat ook de ongelovige humanist die oprecht bekommerd is om het welzijn van de mens en om gezonde rechtsstructuren, uiteindelijk zal inzien dat de rechtszekerheid niet het voorrecht mag worden van de sterkeren die staffeloos over het levensrecht van de zwakkeren kunnen beslissen. Het mag de ongelovige niet ontgaan dat hij onmogelijk kan meewerken aan een wetgeving die het doden van onschuldigen — onder welke restrictieve voorwaarden ook — moet legitimeren'.
Hoe men ook over dit principiële en achtenswaardige standpunt en over de implicaties daarvan denkt, de taak de voorstanders en propagandisten van de vrije abortus te trachten te overtuigen van het verwerpelijk van die praktijk, rust in elk geval ook op onze Vereniging.
Velen onzer zullen er oog voor hebben, dat de liberalisering der vruchtafdrijving slechts één facet is van een veel omvattender gebeuren: de ontkerstening van onze samenleving, de afrekening met de overgeleverde moraal, en de fundamentele wijziging van de schaal van waarde en normen. De humanisten in onze gelederen zien, terecht, het 'humanum' bedreigd, als het doden van de menselijke foetus in de baarmoeder een legale handeling zou worden.

Een andere confessie of een andere religie
In het Hervormd Weekblad van 26 september gaat dr. G. de Ru in op een pleidooi van de duitse filosofe Dorothee Sölle waarin ze zegt dat er naast de bestaande protestantse en katholieke ambtskerken ruimte moet zijn voor een derde confessie, n.l. een politiek getint geloof dat christenen van allerlei richting moet verenigen. Dr. De Ru is echter van oordeel dat wat mevr. Sölle voorstaat veeleer een andere religie is. Hij meent zijn stelling te kunnen staven door een publicatie van Dorothee Sölle over het lijden. De Ru's bezwaar tegen dit geschrift is dat Sölle allerlei filosofische noties in een theologisch gewaad hult en anderzijds een onbijbelse vulling geeft aan bijbelse kernwoorden.
Het gevolg is dat men bijbelse klanken hoort, maar dat de inhoud van haar betoog volkomen vreemd is aan het Evangelie van Jezus Christus.

Ten aanzien van het lijden is dat wel bijzonder duidelijk. Ondanks vele bijbelse beelden en verhalen ontbreekt ten enenmale de bijbelse visie op het lijden, zijn mysterieuze herkomst, zijn essentie, zijn doel, zijn verband met de zonde ... Tevergeefs zoekt de lezer een peiling e mente auctoris (in de geest van de bijbelschrijver) van belangrijke woorden als (met het oog op de dood van hen, op wie de toren van Siloam viel, en van hen, die door Pilatus' soldaten op het tempelplein werden afgeslacht): Als gij u niet bekeert zult gij allen evenzo omkomen' (Lucas 13: 1—5); of: Wien Hij liefheeft, tuchtigt de Heer, Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt' (Hebr. 12: 6); of (gesproken tot Ananias met het oog op de gevaarlijke vervolger der Gemeente Saulus van Tarsen): Ik zal hem tonen hoeveel hij lijden moet terwille van mijn Naam' (Hand. 9: 16); of (over Jezus Christus en diens lijden): Zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden en is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden' (Hebr. 5: 8—9). Een passage als de laatste ligt trouwens geheel buiten de gezichtskring van de schrijfster, daar zij sinds lang de bijbelse gehoorzaamheid heeft ingeruild tegen spontane, creatieve fantasie (zie haar Fantasie en Gehoorzaamheid, Baarn 1970). Mevrouw Sölle geeft in haar boek aangrijpende beschrijvingen van menselijk onmenselijk lijden. Terecht wijst zij gemakkelijke oplossingen, goedkope verklaringen en berustende apathie af. Maar losgemaakt van het bijbels kerygma (verkondiging) van Gods heilshandelen in kruis en opstanding van Jezus Christus loopt haar bewogen betoog uit in het meest troosteloze, onvruchtbare pessimisme. Dorothee Sölle hekelt de bijbelse visie op het lijden als 'christelijk masochisme' en spreekt van 'zelfkwelling' als het gaat om onderwerping en eenswillendheid met de hemelse Vader (een persoonlijk God bestaat volgens haar trouwens niet!). Zij wil niet weten van de God van de bijbel, 'die het leed brengt en groot wordt door ons klein te maken' (waar staat deze caricatuur in de bijbel?), 'de sadistische God, die elke overtreding buiten proportie zwaar straft' (wie heeft hier de maatstaf, zowel ten aanzien van de overtreding als van de straf?). De majesteitelijke God, die de opstandige Job antwoordt uit het onweer (Job 38 e.v.), is voor mevrouw Sölle 'een natuurdaemon'! Als Jezus lijdt in Gethsemane en aan het kruis is dat niets bijzonders, niets unieks. Zo lijdt iedere martelaar, die wordt gefolterd en afgemaakt en in hem lijdt en sterft God. Zie hier slechts een enkel voorbeeld uit vele van de theologische opvattingen van de schrijfster.
Men heeft haar geschrift een 'verrassend en bemoedigend boek' genoemd, dat 'vergezichten opent op de toekomst van de mens op aarde', die zijn lijden productief maakt, die net als Job 'sterker is dan God' (waar staat dat?), die in prometheische*) overmoed protesteert tegen het lijden en de hem gestelde grenzen meent te kunnen overschrijden door 'de pijn van hen, die lijden, met hen te delen, hen niet alleen te laten en hun schreeuw te versterken'. Hoe? Met daden van geweld? Lijdensmystiek en revolutionair pathos gaan hier samen, maar lopen dood in vruchteloosheid, omdat men wél wil weten van een intreden voor hen, die lijden, maar niet van het plaatsvervangend lijden van Hem, die voor ons als het Lam Gods in het gericht heeft gestaan, de straf heeft gedragen; de verzoening voor ons en in onze plaats heeft tot stand gebracht en alle dingen waarlijk nieuw maakt in zijn Toekomst! Met alle respect voor het mededogen van de schrijfster voor de duizenden en nog eens duizenden onschuldige slachtoffers ter wereld kan ik hier toch niet anders horen dan een andere religie, waarin voor God als een Persoon, die verlossend en bevrijdend ingrijpt, geen plaats is, waarin God hoogstens een symbool is, een omweg om bij de mens te komen. Ook al zal men de critiek van mevrouw Sölle op een apatisch christendom ten volle ernstig en ter harte nemen, wijst haar boek nochtans een weg, die niet die van het Evangelie is. In plaats van vergezichten te openen op de toekomst van de mens op aarde sluit het de mens op in de gevangenis van zijn eigen autonome, titanische denken. Misschien dan wel wakker, maar gevangen en dus machteloos. De tragiek van een boek als dit is, dat het op krachtdadige wijze ons oproept tot mee-lijden met de lijdenden, tot helpen van de hulpelozen, tot veranderen van een onrechtvaardige en wrede samenleving, met de mens Jezus (niets unieks!) als voorbeeld en inspirator — maar het gaat alleen om déze aarde en we moeten het allemaal zélf doen! De 'boodschap' van dit boek komt vaak wel hard aan (dat is niet erg — christenen kunnen zich nooit genoeg onder de critiek buigen!), maar het is noch verrassend noch bemoedigend voor hem, die weet 'quantum ponderis sit peccatum' (d.i.: hoe groot het gewicht is van de zonde), maar ook hoe machtig de liefde van Christus is, die alle donkere dingen — ook onze Kaïnsinstincten, ook onze schuld, ook ons lijden, ook onze dood — overwint.

Tot zover dit lange citaat. Boeken als van mevr. Sölle vragen enerzijds om een duidelijk nee. Maar daarnaast rust op ons de taak een positief antwoord te geven vanuit het Evangelie. Want alleen een christelijke kerk die waarachtig leeft uit het verzoenend lijden en sterven en de opstanding van de Heere Jezus Christus zal een woord weten te spreken en zal — in alle gebrokenheid — ook tekenen kunnen stellen in een wereld waar nameloos geleden wordt. De echte solidariteit kan nooit gevonden worden bij hen die de weg van de revolutie kiezen, maar alleen daar waar de Heilige Geest ogen en harten opent voor de verzoening in Christus.


*) Prometheus een figuur uit de griekse mythologie: voor velen het model van de moderne mens. Vader van het mensenras heeft hij, als vrije onafhankelijke Titaan, aan zijn kinderen het vuur gegeven, omdat zij naakt en onbeschermd ter wereld komen. Tot straf daarvoor wordt hij aan een rots vastgeklonken, waar overdag een gier aan zijn 's nachts weer aangroeiende lever knaagde. Maar Prometheus, zelf een halfgod, buigt niet voor de goden (Zeus), doch in eeuwige révolte draagt hij als eeuwige martelaar zijn lijden als een eeuwig onrecht, verstoken van de vergeving, die hij weigert te vragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's