Het beeld
'De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel'. Daniël 3 : 1
Geen gebrek aan praters als het gaat om het beeld, dat de wereld laat zien. Stof genoeg om te klagen. Gods gemeente heeft een eigen Zender, Wiens Woord anders is en wie door de Geest Gods geleid wordt, leert het Woord van zijn Vader spreken. Klagen zij dan nooit? Zeker. Bitter en smartelijk, omdat ze de oorzaak van alle nood in zichzelf vinden. Meest in het bidvertrek, soms ook ten aanhore van land en volk. Maar zij ervaren ook de levende kracht van het Woord, waardoor ze worden opgericht en overeind gezet. Dan wordt er veel gezien, omhoog, in het verleden en naar de toekomst van Christus. Als we met de Bijbel bezig zijn, zijn we niet alleen met het verleden bezig, want het Woord Gods is eeuwig. Daarom is het bemoedigend en opwekkend om de wonderen gade te slaan, die God heeft vanouds gedaan.
We vinden in Daniël 3 de macht en de kracht van Babel, het allesoverwinnende wereldrijk, groots en glanzend gemanifesteerd in het gouden beeld. De koning Nebukadnezar heeft het laten oprichten om de overwinningen te vieren. Dankdag voor god Bel, de grimmige tussen de goden, die naar Babylonisch geloof koningen kroont en speelt met het lot der mensen. Ruim dertig meter hoog staat het daar, glanzend en fonkelend en alles is gereed om het feestelijk in te wijden. Dat ziet er nu niet bepaald bemoedigend uit, zegt u. Nee, dat niet. U ziet daar de talrijke vertegenwoordigers van de overwonnen volken tussen het feestrumoer — voor hén geen reden om te juichen. U ziet daar Nebukadnezar en zijn rijksgroten — voor hén alle reden om met trotse voldoening toe te zien. U tuurt langs het beeld in de verte. Niet ver weg ligt de grote stad Babel, maar daarachter weet u de lange, lange karavaanweg naar Jeruzalem. Wat een herinneringen! Langs die weg zijn duizenden naar Babel gesleept en geslagen. Duizenden van Gods volk! Naar Zijn Naam genoemd. Uitgeteerd door de belegering van Jeruzalem gedeporteerd naar het verre vreemde land.
Het volk van het verbond uiteengerukt; de vrouwen en meisjes verkocht naar het verre Griekenland en de mannen als slaven tewerkgesteld op de staatsboerderijen of langs de irrigatiekanalen. Aan de rivieren van Babel, daar kunt u ze vinden. Daar hoort u de klacht: Jeruzalem, uw tempel, uw altaren, 't is al verwoest door die geweldenaren. Ezechiël, de profeet, is er ook. Die andere profeet, Jeremia, niet; die klaagt zijn smart uit op de puinhopen van de Godsstad.
Nebukadnezar is overwinnaar. Nebukadnezar? Ik las zojuist dat hij bekeerd was, zelfs een belijdenis heeft afgelegd. Is hij niet na de droomuitleg door Daniël op de knieën gevallen? Heeft hij niet erkend: het is de waarheid, dat uw God een god der goden is? Ach wat, een gemoedsbeweging is nog geen bekering en een belijdenis van de waarheid kan vlot gedaan worden. Trouwens, van die droomuitleg is hij niet meer zo onder de indruk. Alleen van één ding wél: Daniël heeft gezegd: gij zijt dat gouden hoofd! Kijk, dat wilde er wel in. Zulke woorden zijn een knieval en een lovend woord waard. Nebukadnezars brein heeft die opmerkelijke woorden gewikt en gewogen. Ziedaar het resultaat: het gouden beeld. Opgetrokken van geroofde schatten.
Hoor de koninklijke heraut met kracht roepen: 'Men zegt u aan, gij volken, natieën en tongen! Wanneer ge zult horen het geluid van hoorn, pijp, cither, vedel, psalter en akkoordgezang en allerlei soorten van muziek, zo zult gij neervallen en aanbidden het gouden beeld, dat de koning Nebukadnezar heeft opgericht. En ... wie niét neervalt en aanbidt, die zal meteen en zonder pardon in het midden van de oven des brandenden vuurs geworpen worden'. Duidelijke taal: knielen en aanbidden of ... levend verbrand worden! Daar staat de roerloos wachtende menigte en daar staat het gouden beeld, flonkerend, imponerend, dreigend.
Kom, ik stap maar weer eens op, mij te benauwd hier. Als dat bemoedigend moet zijn! Wacht toch even. Als u het begin niet weet, hoe kunt u dan weten wat verlossing is? Trouwens, u kunt niet weg; u bent er bij betrokken. Kijkt u dat beeld eens goed aan. Ziet u er geen bekende trekken in? Denk eens aan uw afkomst. Geschapen naar 't Beeld Gods! Dat is wat! Wat is er van overgebleven! Let op de afmetingen van het gouden beeld van Nebukadnezar. Zou het ons niet wat te zeggen hebben, dat het getal zés overheerst? In Babylonië werd op heidense wijze betekenis toegekend aan bepaalde getallen, vooral aan de zeven en de drie. In de Bijbel hebben die getallen een geheiligde betekenis. Zeven bijvoorbeeld is onder meer het teken van Gods machtige werk in de schepping en regering der wereld. Het getal zes reikt hoog maar is minder dan zeven. Denk aan 't getal 666 uit Openbaringen: het getal eens mensen. Het toppunt van menselijk kunnen. De mens in zijn hoogste eigenwaan; de mens die als God wil zijn. De gevallen mens. U ziet hem daar voor u, saamgeklonterd tot wereldmacht; een gouden beeld. Daar moeten de volken voor vallen. Dat moeten ze aanbidden. Dan moet satan er de hand in hebben. Reken maar! Juist in het boek Daniël wordt dat duidelijk. De overste der wereld aan de spits der wereldmachten. Erop uit om Gods schepping in zijn macht te krijgen en Zijn volk te vernietigen. Knielen en aanbidden of anders zonder pardon uit de weg geruimd. Vreselijk! Maar is deze wereld niet een dal van Dura? Wordt er niet hard gewerkt aan het beeld? Wat een waarschuwingen! 'Ik ben de Heere, uw God, Die u uit het diensthuis uitgeleid heb. Gij zult geen andere goden voor Mijn Aangezicht hebben'. Israël en Juda luisterden niet, bekeerden zich niet. Toen gaf de Heere ze weer over in het diensthuis van Babel. Zou dat ook geen waarschuwing zijn voor Nederland? Voor óns? Behoort alles wat gloednieuw en glanzend wordt aangeboden wel op het erf van de kerk? Onderzoeken we de afkomst wel; het zou toch uit Babel kunnen komen. Juda rekende op Egypte. Ik herinner er nog maar even aan. Overspoelen Babels rivieren ons land al niet? Wie zal de vloed kunnen keren? De Heere ... De Heere? Is Hij er nog wel?
Waarom grijpt Hij dan niet in? Zou daar veel om gesmeekt worden? Zeker is Hij er! Zo zeker als Hij God is. Zo zeker als Zijn Zoon het grote Babel heeft overwonnen. Zo zeker als Zijn Geest doet bidden: Uw Koninkrijk kome, en biddend doet belijden: Uwer IS het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid ! Is dat wel waar? En dat felle vuur dan? Te laat! Daar klinkt de muziek en daar vallen ze neer, de duizenden. Te laat? De Heere komt nooit te laat. Kijk toch! Drie zijn er die niét knielen, niét aanbidden! Wie zijn ze? Sadrach, Mesach en Abednego, Daniels vrienden. U zult nog meer van hen horen. Drie jonge mannen, door de Heere verkoren om Zijn volk te vertegenwoordigen. Wacht eens af, wat de Heere doen zal! En vergeet intussen niet, dat Hij de God van Zijn Woord is. Die gezegd heeft: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten.
Lunteren
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's