'De deelneming aan het Avondmaal'
Synodaal stuk over de Kindercommunie
Voor mij ligt een rapport van bovengenoemde naam met als ondertitel: de plaats van jongeren in een luisterende en vierende gemeente. Het moderamen van de Synode verwijst in een voorwoord naar een vroeger rapport over dit onderwerp, dat reeds in 1971 besproken werd; naar een onderzoek dat de raad der eredienst ingesteld heeft in gemeenten, waar reeds tot de zgn. kindercommunie werd overgegaan, en stelt de commissie voor, die het huidige rapport heeft opgesteld waarbij de namen van dr. C. P. van Andel en drs. F. H. Kuiper onderstreept worden. Het moderamen komt m.i. terecht tot de conclusie, dat de vraag, wie tot het Avondmaal uitgenodigd dienen te worden, uiteindelijk op theologische gronden moet worden genomen.
In dit voorwoord wordt verder reeds gemeld, dat de commissie de mogelijkheid niet wil uitsluiten, dat op grond van theologische overwegingen kinderen kunnen worden toegelaten, al houdt zij rekening met bezwaren in sommige delen der kerk. In een daarop volgende inleiding zegt de commissie zelf niet een afgerond standpunt te willen aanbieden. De gehele kerk zal over deze zaak moeten meespreken.
Indeling
Het rapport zelf is in drie onderdelen verdeeld. De titels er van klinken enigszins enigmatisch (raadselachtig) nl. Onderweg, Ter plaatse en Ruimbaan. Maar Onderweg leidt alleen in zoverre naar Ter plaatse, dat daarin alleen onjuiste oplossingen worden besproken. In Ter plaatse komen dan de theologische gezichtspunten aan de orde, die de beslissing moeten brengen. In Ruimbaan wordt betoogd, dat ook al leiden de theologische gezichtspunten tot een principieel 'ja' t.a.v. de kindercommunie, dit nog niet insluit, dat overal en altijd daardoor het licht op groen gezet kan worden.
De inhoud
Ieder onderdeel is dan de uitwerking van 4 of 5 stellingen, die aan het einde van het rapport nog eens tesamen worden afgedrukt.
In de eerste stelling van deel één wordt gesteld, dat de zaak van de kindercommunie niet opgelost kan worden door de leeftijdsgrens voor de belijdenis (18 jaar volgens art XVIII 2 van de Kerkorde) soepel toe te passen. Het gaat om meer dan een verschuiving aan de rand. Het gaat om de jongeren van 12—18 jaar, maar ook om de kinderen van 6—12 jaar. Voor de commissie zijn er bijzondere redenen om hierbij ook de geestelijk gehandicapten te betrekken, al gaat de vergelijking met de kinderleeftijd, die immers vol beloften zit van verdere ontplooiing, niet helemaal op. De geestelijk gehandicapte leeft op zijn bepaalde niveau en we staan soms verrast over de plaats, die het evangelie in zijn denk- en gevoelswereld inneemt. Maar het normale kind gaat op een geheel andere wijze in het leven staan.
Volgens de commissie zijn sedert het rapport van 1971 'de probleemvelden' enigszins verschoven. Er blijkt dus ook in de probleemstelling zelf nog altijd beweging te zitten. Die verschuivingen mogen dan eerst wel tot rust gekomen te zijn, eer men op bijbelse gronden zeer verstrekkende beslissingen neemt.
Als centrale vraag wordt genoemd: wat betekent de viering van het Avondmaal voor de gemeente. Deze vraagstelling lijkt juist, maar is m.i. toch te subjectief gekleurd. Beter lijkt mij te vragen: Waartoe heeft de Heere Jezus Zijn Avondmaal ingesteld. Daarbij zouden we m.i. ook moeten luisteren naar wat onze belijdenis en niet te vergeten het prachtige Avondmaalsformulier over de aard en het gebruik van het Sacrament hebben gezegd.
Ik meen, dat daar toch altijd het Avondmaal direct betrokken blijft bij het hart van het Evangelie.
'Belevingsaspekten'
Ik zeg dit, omdat in het rapport in dit verband gesproken wordt over verschillende 'belevingsaspekten', waarvoor een bijbelse bezinning op de maaltijd des Heeren ruimte zou geven.
Die 'belevingsaspekten' klinken mij rijkelijk subjectief. Ik meen, dat in de Catechismus als uitgangspunt gekozen wordt de veraanschouwelijking en bezegeling van de belofte des Evangelies, waarbij de vergeving vanwege de offerande van Christus aan het kruis als het voornaamste element wordt genoemd. Als doel wordt daarbij aangegeven de versterking van het geloof. Nu wil ik gaarne erkennen, dat niet elke weldaad, die door het Avondmaal bezegeld wordt, bij elke viering en bij ieder der deelnemenden, in gelijke mate voor de geest staat, omdat niet alles tegelijk beleefd kan worden. Maar er moet toch wel een zekere éénheid zijn in die 'aspekten'.
Prof. Berkhof heeft wel eens het beeld gebruikt van een cirkel, waarvan men door een lijn, die de omtrek snijdt een deel, een segment kan afsnijden. Maar men kan ook twee lijnen van de omtrek naar het middelpunt trekken. Dan wordt het een sector. Hij heeft naar ik meen, gelijk, wanneer hij zegt, dat de delen in elk geval het middelpunt, het hart van het Evangelie moeten raken. Ik meen, dat deze innerlijke samenhang der aspekten met het hart van de heilsboodschap, nl. de vergeving door het verzoeningswerk van de Heere Jezus Christus (daar wijzen toch ook de tekenen op) te weinig in dit rapport uit de verf komt.
Deelneming en toelating
Aan het einde van de eerste stelling wordt dan nog aangeduid waarom niet meer als in 1971 van toelating wordt gesproken, maar van deelneming. Het accent ligt nl. volgens het rapport op de nodiging. Wie worden genodigd? Toch blijft het element van de toelating altijd aanwezig. In een volgende stelling wordt geconstateerd, dat de vraag naar de kindercommunie geen voorbijgaand modeverschijnsel is, maar vrucht van een veelvuldig vieren van de maaltijd des Heeren en van hernieuwde aandacht voor de liturgische vormgeving. Dit wordt dan op zichzelf een verheugende ontwikkeling genoemd.
Dat kan zo zijn, wanneer dit een symptoom van een in z'n geheel dieper, rijker, bloeiender geloofsleven zou blijken te zijn. Ik weet niet, of we daarin zonder meer optimistisch mogen zijn.
Er wordt wel gesproken over een 'diep geworteld zijn' van de kindercommunie in het gemeenteleven ter plaatse, over het uitvoerig voorafgegaan beraad en over de resultaten van een onderzoek van de Raad voor de Eredienst naar de wijze, waarop de kinderen de viering als een geestelijk gebeuren beleefden. Maar ik meen, dat hier toch wel met voorzichtigheid gesproken moet worden, omdat aan dat beraad soms maar door weinigen werd deelgenomen en het moeilijk is na te gaan of de kinderen op de rechte wijze dit zichtbaar Evangelie hebben ontvangen.
Belijdenis en Avondmaal
Een volgende stelling gaat in de richting van de ontkoppeling van belijdenis en Avondmaal. Daarbij wordt een aanmerkelijk hogere graad van volwassenheid nodig geoordeeld voor het doen van belijdenis dan van de deelneming aan het Avondmaal.
Belijdenis doen vraagt, volgens het rapport, aanvaarding van medeverantwoordelijkheid voor het leveen der gemeente. Dat impliceert zelfs een accepteren van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ik wil daar niet tegen strijden. Maar het deelnemen aan het Avondmaal is toch ook nooit vrijblijvend, noch t.o.v. de omgang met God (Hem aanhangen met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde) noch wat betreft de verhouding tot de naaste (in waarachtige liefde en enigheid). Ik meen zelfs, dat het gemakkelijker is een kind er van te overtuigen, dat de noden en rechten van onze naaste ons ter harte moeten gaan, ons om bewogenheid vragen (te beginnen bij de kring van huisgenoten, medescholieren en in het algemeen de medemens) dan dat het hart zich gewonnen geeft in oprechte schuldbelijdenis en verwondering over Gods genade voor zondaren.
Het eerste ligt meer in het vlak van de verhoudingen en gebeurtenissen rondom ons heen. Het andere veronderstelt een blik in de wereld van geestelijke waarden, die op de wereldmarkt weinig in tel zijn, omdat ons hart van nature de parel van grote waarde lager taxeert dan de dingen, die we in handen en voor ogen hebben. Dat is ook zo bij degenen, die op het erf van het verbond geboren worden. Wij en onze kinderen brengen geen ander hart mede. Als dan ook het rapport spreekt van de 'groeimogelijkheid', waarmede we rekening moeten houden wat betreft het besef van het eigenlijke gebeuren en van het belijdend karakter van de Avondmaalsviering, dan wil ik toch graag opmerken, dat groei leven veronderstelt. En dat leven kan hier niet anders zijn dan geloofsleven. En dan bedoelen we in dit verband niet een geloof, dat gebaseerd is op parate kennis van de kerkleer of op een vluchtig getroffen zijn door het fluitspel van het Evangelie. Want wat terstond met blijdschap ontvangen wordt, draagt niet altijd blijvende vrucht, blijkens de gelijkenis van de zaaier.
Wanneer een bepaald stadium van volwassenheid nodig geacht wordt voor het doen van belijdenis des geloofs vanwege de verantwoordelijkheid, die daaraan verbonden is, dan meen ik, dat er niet minder een stuk leven geleefd moet zijn, waarin de dingen, waar het in het Evangelie om gaat, een plaats gekregen hebben in het hart en daarmede in het leven van onze kinderen. Ze moeten een plaats krijgen in dat hart. We mogen er niet van uitgaan, dat die plaats er vanzelfsprekend wel is. De geschiedenis van de kerk onder Israël en onder de volken laat dat maar al te duidelijk zien.
Er kan iets groeien. Maar dan moet er toch eerst iets geplant zijn. Bovendien in het geloof zit altijd een beslissingselement. Indertijd heeft ds. B. J. Aalbers zijn bekende boekje: Kinderen aan het Avondmaal? uitgegeven. Daar werden verschillende stemmen aan het woord gelaten. Van voor- en tegenstanders. Ik denk b.v. aan de opmerking van ds. Groenenberg: 'Avondmaal vieren is de meest existentiële vorm van openbare geloofsbelijdenis.' In Jozua 24 waarschuwt de oude leidsman tegen een onrijp enthousiasme, zoals Jezus Zelf dat ook doet in Lucas 9: 57—62. Van RuIer waarschuwt tegen een tendenz naar 'verkinderlijking' in de verkeerde zin van het woord. Ik meen, dat in dit rapport met dergelijke bedenkingen te weinig rekening is gehouden.
Luther en Calvijn
Vanzelf worden we naar Luther en Calvijn verwezen. Dat Luther die leeftijd van 7 jaar aanhield hangt samen met zijn neiging om zoveel mogelijk te behouden wat hij vond. Dat was de leeftijd van confirmatie en communie. Maar de ervaring heeft de Lutherse kerk naar hogere leeftijden geleid. En als ik goed ben ingelicht, gaat het bij de Luthersen eer naar verhoging dan verlaging van de leeftijdsgrens.
Wat Calvijn betreft, het spreekt vanzelf, dat men gaarne verwijst naar de plaats in de Institutie, waar hij de leeftijd van 10 jaar noemt als die, waarop een kind zich kan aanbieden om belijdenis des geloofs te doen. Nu — wat betreft die belijdenis wil men zich niet aan deze regel houden vanwege onze late volwassenheid en vanwege de problemen, waarvoor een belijdend christen in het volle leven komt te staan.
Maar wanneer men zich wel op Calvijn wil beroepen t.a.v. de leeftijd, die hij voor het Avondmaal geschikt acht, dan zullen we toch evengoed moeten luisteren naar datgene, wat voor Calvijn de doorslag geeft. Er is nl. een leeftijd, waarop Calvijn de kinderen niet in staat acht om zichzelf te onderzoeken en het lichaam des Heeren te onderscheiden. Als wij zijn argumenten nagaan, komen we voor de vraag of onze kinderen en jongeren in het algemeen wel beantwoorden aan de door hem genoemde criteria.
Ik zeg: in het algemeen. Want ik wil zeker niet ontkennen, dat er kinderen zijn, die zeer jong de Heere vrezen. Maar bij de toelating gaat het om een algemene maatregel. En dan ben ik bang, dat men te vroeg vruchten wil plukken en onze jongens en meisjes overvraagt. Niet, dat er geen bloesems zijn. Maar er is zoveel bloesem, die niet zet. Laat de lente maar lente blijven. Om nog een keer Calvijn aan te halen: 'de tijdelijke onthouding van het Avondmaal verhindert niet, dat ze tot het lichaam der kerk behoren' (Inst. IV, 16, 31).
Bekend is een opmerking van W. a Brakel, dat de meeste beslissingen vallen tussen 14 en 25 jaar.
Het eerste deel van het rapport Onderweg eindigt met de stelling, dat beslissende bijbelse gegevens ontbreken. De sedermaaltijd naar joodse traditie was een gezinsmaaltijd. Daarom gaat het bij het Avondmaal juist niet. Aldus de opstellers.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's