Kenmerk van de kerk? 2
Tucht
Onder eigen vaandel?
Wel dreigt het gevaar dat de Kerk, zo zij weigert van een medische of technische ontwikkeling alleen het eindresultaat als probleem te aanvaarden, en daar een uitspraak over te doen en zo zij de gehele ontwikkeling en onderzoek onder curatele stelt, zichzelf opwerpt als een rechter over die wetenschappen, die bij zo'n ontwikkeling de helpende hand hebben geboden en aan het proces hebben meegewerkt. Ik behoef niet te herhalen wat velen reeds hebben opgemerkt: de Kerk heeft niet langer die plaats in wetenschap, politiek en maatschappij, waardoor zij de onaangevochten rechterlijke instantie over school, universiteit en samenleving zou zijn. Maar ook dat bedoelen wij niet met dat anders-zijn van de Kerk, en dus ook met dat anders-doen van de Kerk. Haar normen en principes hoe wel en hoe niet te handelen komen uit de geboden die voor haar gelden. Die bepalen haar taalgebruik, die bepalen haar normen, die bepalen haar christenzijn.
Dan is echter pas goed de beer los. Want wat is in de Kerk wet? Heeft de Wet der Tien geboden haar betekenis in morele zin behouden, dankzij of ondanks de vervulling der Wet in Christus? Coccejus en Witsius hebben erover gestreden: in hoeverre heeft de Wet der Tien Geboden afgedaan? Of houdt dat nu net het woord 'vervulling' niet in? Van Ruler heeft er veldslagen over geleverd in en buiten de synode, vanaf in zijn dissertatie over dit thema, en hij heeft juist gezien: met déze vragen was tevens de kerstening der maatschappij in het geding, en dus de ethiek en dus het christelijke of ontkerstenende, het christelijke of anarchistische, het christelijke of communistische leven en levensgevoel. Daarom lijkt het er eerder op, dat de Kerk aan haar eigen tweestrijd en halfslachtigheid te gronde gaat en niet daaraan dat zij geen woord zou hebben voor of antwoord op de vragen die aan haar van buitenaf gesteld worden, hoe groot die ook zijn. Of laat het me voorzichtiger uitdrukken: de Kerk wordt door innerlijke onenigheid over de vraag wat Wet en norm is voor het heden, van gereedschap beroofd om te werken aan de problematiek die haar van buitenaf wordt voorgezet.
Een voorbeeld moge wat ik bedoel concreet maken: in Heid. Cat. Zondag 36 en 37 wordt aandacht gewijd aan het belijden en het lasteren van Gods Naam en het zweren bij Gods Naam en het afleggen van een eed. De Catechismus zegt dan dat wij niet alleen met vloeken of met valse eed, maar ook met onnodig zweren de Naam van God lasteren noch misbruiken zullen, noch ons met ons stilzwijgen en toezien zulke verschrikkelijke zonden deelachtig maken. Ik meen dat het hier om een duidelijk stuk ethische nood, ook in onze samenleving gaat. Buitenlanders klagen over het schunnige lasteren en vloeken in Nederland. Is nu dit stuk van onze belijdenisgeschriften bindend of niet? Belijden wij in gemeenschap met deze ondubbelzinnige uitspraken toch inzake het derde gebod Gods heilige Naam op een andere wijze? Hoever strekt dan onze gemeenschap, ook in ethische zin, met de belijdenis der vaderen?
Velen hebben getracht, aan deze problematiek te ontkomen door de apostolische paraenese, d.w.z. de vermaningen der apostelen in de Brieven, vermeerderd met de huistafels (Efeziërs 5 en 6, 1 Petrus 2, 1 Kor. 7 en delen uit de Pastorale Brieven) en de geboden van de Bergrede op te vatten als de geboden van Christus voor de tijd tussen Zijn eerste en Zijn wederkomst. Doch ook dan bleven er problemen over. Zijn deze geboden werkelijk voor de hele christenheid bedoeld, en dan ook voor alle tijden? Zijn ze niet gegeven vanuit de christelijke verwachting dat de wederkomst maar kort op zich zou laten wachten? Brengen andere tijden niet andere eisen met zich mee om leefregels geldigheid te verschaffen en is niet veel wat gebod is in de 'vroeg-christelijke geschriften' tijdgebonden? En als nu al deze vragen recht van bestaan zouden hebben, waar blijft dan het eigene en normatieve van de christelijke ethiek en van de christelijke tucht?
Een zaak van Kerk-zijn
De theologische ethiek wijst met haar vragen en antwoorden dus terug naar het wezen der Kerk zelf. Naar haar verstaan van zichzelf voor het aangezicht van God, en naar haar verstaan van zichzelf vanuit de Schrift. Daarom is de tucht ook in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, in de Schotse van 1560 en in de eerste Zwitserse belijdenis van 1536 een van de kenmerken der Kerk, waaraan men haar van de valse Kerk kan onderscheiden. En ook in die belijdenissen, waarin de tucht niet apart als derde kenmerk naast dat van het Woord en dat van de rechte bediening der sacramenten genoemd wordt, is de tucht toch gegeven in de manier waarop over de Wet en over de bediening der sacramenten gesproken wordt. Dat wil zeggen: wanneer er geen tucht zou zijn, dan staat te vrezen dat er van het wezen en van het welwezen der Kerk in de practijk weinig terecht komt. En wanneer de Kerk met het Woord, met de apostolische vermaningen en de geboden uit de Bergrede, met de Wet der Tien geboden zoals die functioneert in onze belijdenisgeschriften en vooral in het Nieuwe Testament, niets beginnen kan, dan heeft de Kerk geen identiteit, dan heeft de theologische ethiek geen recht van bestaan, dan is het gesprek over zaken als abortus provocatus een detailkwestie geworden, en elke uitspraak erover mist achtergrond en ondergrond, hangt dan in de lucht. Er ontbreekt de eenheid van het geloof aan, waardoor elk onderdeel van de theologische ethiek samenhangt met de hele ethiek die van de Godsleer uit behandeld wordt, en daarmee samenhangt met de hele geloofsleer. Onderscheidingen tussen leer- en levenstucht zijn hier niet langer op hun plaats. Beide zijn immers in het geding.
Conclusies
Het anders-zijn van de Kerk in de practische vragen maakt haar niet eigenwijs, niet geborneerd, niet betweterig, niet cultuurschuw. Het anders-zijn van de kerk doet haar haar wezen beleven op de grens met de wereld en het christendom, dat zich tenonrechte en valselijk met die naam siert (N.G.B. art. 29). Wanneer het waar is dat de ethiek samenhangt met het apostolaat, dat het gedrag van christen en Kerk ten nauwste verbonden is met de zending van de Kerk in de wereld, dan zal die gezonden Kerk een eigen leven, een eigen geheim, een eigen gemeenschap moeten hebben met God en elkander in de apostoliciteit der Kerk. Tot haar wezen behoort immers dat zij apostolisch is, dat zij wortelt in de leer van de apostelen aangaande God en Zijn Christus en de Heilige Geest. Altijd heeft de Kerk ernaar gestreefd om haar tucht en ethiek te onderscheiden van die van de overheid, van die van de rechtspraak. Waarom zoeken wij niet veelmeer haar apostolische eigenheid in het practisch handelen en de normen die daarvoor dienen te gelden onder het volk van God en hen die het teken van Zijn verbond dragen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's