Enkele momenten uit het Oude Testament
Belijden en Belijdenis
Na in de vorige artikelen vooral in de geschiedenis te hebben rondgekeken, om goed zicht te krijgen op de vragen en spanningen, die er rondom ons onderwerp aangetroffen worden, willen wij nu met elkaar nagaan, wat de Schrift ons hierover te zeggen heeft. Het mag duidelijk zijn, dat uiteindelijk voor ons hier de beslissingen vallen, omdat ook in het kader van dit onderwerp de Schrift voor ons dé Bron én dé Norm is.
Wanneer wij het Oude Testament opslaan, komen wij daarin op meerdere momenten tegen, dat er sprake is van een belijden en een belijdenis. Op meerdere momenten en in verschillende situaties. Wanneer Abraham b.v. wegtrekt uit Ur der Chaldeën naar het beloofde land, is het eerste, wat hij, daar aangekomen, doet: en altaar oprichten en de Naam des Heeren aanroepen (Gen. 12: 7, 8). Dat is een belijdenis van de Naam van God temidden in het vreemde land en temidden van de vreemde, heidense volken. Het is een acte van belijden in de concrete situatie van dat ogenblik, een belijden van de Naam in de wereld van toen. Maar het is opmerkelijk, dat deze acte van belijden onmiddellijk gevolgd wordt door, nee, zelfs er direct gepaard gaat met het oprichten van een altaar, die deze belijdenis draagt en siert. M.a.w. de acte van het belijden is verbonden met het document van het belijden in de vorm van dit sprekende altaar. Ten diepste zouden wij hier kunnen spreken van een levende, functionele verbondenheid tussen belijden en belijdenis. Daar zit geen spanning tussen, geen afstand. Zij horen bij elkaar. Zij zijn op elkaar aangewezen en zij hebben elkaar nodig. Het altaar kan ook niet beschouwd worden als een abstractie van het belijdend aanroepen van de Naam des Heeren, maar zij is er veeleer het levend bewijs van, en tegelijk ook het levend instrunient. Het aanroepen van de Naam voltrekt zich via het altaar. Het altaar staat geheel in dienst van het actuele belijden van de Naam. Een dergelijke situatie vinden wij terug in later tijd, wanneer Jozua het volk Israël oproept om het verbond te vernieuwen. Er is dan al heel wat achter de rug. Hoogtepunten en dieptepunten. Er is al sprake van een verleden, en van een afvallen van God in dit verleden. Het opmerkelijke is, dat Jozua het volk herinnert aan dit verleden, waarin het verbond gesloten is en waarin het volk uit dit verbond leefde. Terwijl hij tegelijkertijd het volk oproept om in het heden opnieuw voor de Heere te kiezen. 'Kiest u heden wien gij dienen zult'. (Jozua 24: 15). De nadruk valt hier op het woord 'heden'. Maar tegelijkertijd is het duidelijk dat er toch geen spanning bestaat met het verleden. Integendeel. Wat er in het heden geschied is is een vernieuwing van het verbond, dat in het verleden door God met Israël is gesloten. Het kiezen voor de Heere in het heden is geen correctie op dit oude verbond, zelfs geen verandering of vernieuwing van het verbond zelf, maar een vernieuwing van het hart des volks om zich opnieuw geheel aan God en zijn dienst te wijden.
Ook hier is er dus geen sprake van een spanning, dit keer tussen het verleden en heden. Het gaat wel om een nieuwe keuze en om een nieuwe belijdenis. Maar deze nieuwe keuze en nieuwe belijdenis is een vernieuwing van het reeds bestaande verbond Gods. Zo grijpen heden en verleden op elkaar in. Zij staan niet vijandig tegenover elkaar, zij staan ook niet in een spanningsverhouding tot elkaar, maar zij staan in een wisselwerking tot elkaar, waarbij het oude verbond het fundament vormt van actuele vernieuwing van de belijdenis in het heden. Als er sprake van spanning is, dan niet in die zin, dat het oude verbond verouderd is en dus vernieuwd moet worden, maar dat het volk van de hoogte waarop het door dit verbond geplaatst was is afgevallen en nu weer tot bekering moet komen, moet terugkeren tot deze hoogte. Daarom is deze vernieuwde belijdenis nodig. In deze vernieuwing van het verbond, gaat het niet zozeer om het verbond, dat vernieuwd moet worden als wel, dat het volk des verbonds vernieuwd (bekeerd) moet worden opdat het weer echt volk van God zou mogen zijn.
Het tweede wat ons in deze geschiedenis van Jozua 24 opvalt, is dat ook hier weer, net als bij Abraham, van dit vernieuwde belijden een document wordt opgericht. We lezen in Joz. 24: 26: 'En Jozua schreef deze woorden in het Wetboek Gods; en hij nam een grote steen, en hij richtte die daar op onder de eik, die bij het heiligdom des HEEREN was'. Hier wordt dus opnieuw een tastbaar teken opgericht van de acte van het belijden. We zouden kunnen zeggen: ook hier zijn het belijden en de belijdenis met elkaar verbonden. Zij vormen een functionele eenheid. Want dit monument van belijden is geen museumstuk uit het verleden maar een actuele herinnering aan de verbondsvemieuwing.
Het is mogelijk, dat later dit teken wel tot een museumstuk is geworden. Dan ging men het uitwendig vereren en er zich op beroemen zonder het in practijk te brengen. Maar dat is dan wel een kwestie van misbruik, van caricatuur. Daartoe werd aan Israël dit teken niet gegeven. Het werd gegeven, omdat het juist het actuele belijden in het heden zou stimuleren en voeden en dragen. En als het zo functioneert, dan is er geen spanning tussen dit belijden en deze belijdenis. Die spanning komt er wel zodra er sprake is van ontaarding van het gebruiken van het teken. We zouden uit het Oude Testament nog meer voorbeelden kunnen noemen. Maar laat dit voldoende zijn. Wij menen, dat wij hier vanuit de Schrift inzicht krijgen in de ware verhouding tussen het belijden en de belijdenis. Want zoals het bij Abraham en Jozua ons wordt meegedeeld, zo moet het toch ook zijn, als wij nu het belijden en de belijdenis nauw op elkaar betrokken laten zijn. Dan is het duidelijk, dat wat het wezen van het belijden betreft er geen spanning bestaat tussen het actuele belijden en het teken daarvan, het monument, de belijdenis. Dan is het een op het ander betrokken. En dat is een functionele, wij zouden ook kunnen zeggen een instrumentele, betrokkenheid. De belijdenis als document is instrument van het belijden. Zij helpt dit belijden, zij voedt het, zij geeft er concrete gestalte aan, zij draagt het ook in de voortgang van de tijd. We zouden zelfs kunnen zeggen: het actuele belijden kan niet zonder deze belijdenis. Want anders vervluchtigt zij in een vormloze handeling, waar én de belijder zelf én het adres waartegenover beleden wordt geen zicht op krijgt. Dan mist het belijden bestand en gehalte, dan verwordt het tot individuele expressie, tot gevoelsuitingen van het moment, dan heeft het geen voet in de geschiedenis van God met zijn kerk. De volgende keer willen wij nagaan, hoe wij in het Nieuwe Testament deze verhoudingen zien liggen.
Maar voordat ik afsluit nog deze opmerking. De twee genoemde momenten uit het Oude Testament leren ons ook, dat het actuele belijden zich voltrekt in verschillende situaties. Bij Abraham was dat op het moment, dat hij ging wonen weliswaar in het beloofde land, maar toch in een voorshands door het heidendom beheerste wereld. De Kanaanieten woonden toen in het land (Gen. 12: 6). Wij zouden, in onze woorden, spreken van een duidelijk apostolair karakter van deze belijdenis; tenoverstaan van de wereld, die God (nog) niet kent.
Bij Jozua gaat het om een andere situatie. Hier is sprake van een afval van het volk van God en zijn geboden en een vernieuwing door terugkeer tot God. Ook dat kan een moment zijn, waarop het gebeden is om de Naam des Heeren te belijden. Wij zouden in onze taal zeggen: de belijdenis heeft hier veel meer een binnenkerkelijke oriëntatie. Het gaat om de terugkeer van het volk des Heeren, weg uit de kronkelwegen van dwaling en ongehoorzaamheid. Ik denk, dat beide situaties nog voorkomen. En dat wil ook zeggen, dat wij het belijdend spreken van de kerk niet moeten binden aan slechts één situatie, maar dat er een openheid moet blijven om te weten te komen, wanneer wij tot dit vernieuwde belijden worden geroepen. M.a.w. een belijdenis valt niet te maken, op ons moment. Maar een belijdenis wordt geboren, als God het wil en ons daartoe roept. Daarom dienen wij voor die roeping open te staan, wij persoonlijk, als gemeente, en als kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's