De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wat is de  'Gereformeerde Gezindte'? (slot)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat is de 'Gereformeerde Gezindte'? (slot)

7 minuten leestijd

'Concreet belijden' (2)
In wat Groen met zoveel droefheid en zorg in het zendelinggenootschap signaleert ontdekt hij de grote zonde — tegelijk ook de grote verzoeking! — van de gelovigen, van de kerk van zijn dagen.
Het is namelijk zó dat in iedere periode van de geschiedenis der kerk het Evangelie op één bepaald punt wordt bestreden. Of, anders gezegd, dat een bepaald aspect van de waarheid Gods wordt geloochend en de geloofsstrijd der kerk zich daarom op dat punt concentreert, althans zich daarop concentreren moet. Dat was in vroeger eeuw b.v. het goddelijk Zoonschap van Jezus Christus; de radicaliteit van de verdorvenheid van de mens; de souvereiniteit en exclusiviteit van Gods genade; de rechtvaardigheid des geloofs. In Groens dagen was dat nu naar zijn overtuiging valse verdraagzaamheid ten gevolge waarvan men in de kerk en andere gemeenschappen hen, die de waarheid van het Evangelie in enigerlei opzicht loochenden, als gelijkberechtigden accepteerde en met hen samenwerkte.
O zeker, er waren nog vele die de waarheid van het Evangelie, alle waarheden van de kerk aller eeuwen van harte aanvaardden, en predikten. Maar, zo schreef Groen, 'die handhaving zelf wordt ongenoegzaam en bijkans overtollig, indien men niet vooraf een dwaling te keer gaat welke thans veld wint, welke thans heerschappij voert, waarin thans voor alle dwalingen een steunsel gezocht wordt.'
Het is deze dodelijke dwaling 'dat de Kerk generlei overeenstemming behoeft in het geloof; dat de eenheid der Gemeente op de menigvuldigheid der individuele meningen berust; dat elke mening, ook die de heiligheid der Schrift in het aanzien van de Christus wegredeneert, in de Christelijke Kerk gelijk recht heeft.'
Let erop, aldus Groen, 'wat men u verbiedt en wat u vergund wordt. Gij moogt de ganse Kerkleer bekend maken en aanprijzen, tot in de fijnste uitpluizingen der meest geprezene dogmatiek. Gij moogt de predestinatie met den aankleve van dien, betogen van de kansel en in geschrift. Niets hebt gij te duchten, zolang gij aan anderen de bevoegdheid niet betwist om aan de Gemeente de leugen voor te dragen die hun waar, en het kwaad dat hun goed dunkt.'
O, neen, men wil de waarheid niet verbannen — 'mits de goede verstandhouding met de leugen worde bewaard. Het blijven bij de kudde, o ja! staat de herders vrij; — mits aan de wolf verdraagzaamheid worde betoond. Men ontzegt u niet het prediken van de Christus die gij voor de Enige Waarachtige houdt — mits gij aan het prediken van een andere Christus, van de verheven hemeling, van de Wijsgeer, van de niet meer zondeloze, van de niet meer historische Christus geen ergernis noemt.' 1)

De situatie van de christenen van zijn dagen vertoont, volgens Groen, in dit opzicht grote gelijkenis met die van de eerste christenen ... Ook aan die werd de verering van de Christus toegestaan op conditie dat zij ook de keizer hun hulde betoonden. Een dergelijke verering van de Christus gunden de keizers aan de jonge christenen graag. Ook de keizers 'wilden de Christus wel tot een voorwerp van verering stellen; op één voorwaarde, namelijk dat Hij niet in de plaats, maar in de rij van de afgoden zou staan, en de Christenen zijn verbrand en in de schouwspelen verscheurd, alleen omdat zij, voor die verdraagzaamheid, te bekrompen en uitsluitend zijn geweest.'
In de negentiende eeuw wordt nu in Nederland, door de openbare mening, 'dezelfde ruimte van beschouwing ten aanzien van de godsdienstbegrippen verlangd'.
Men kent de voorwaarde voor de algemene vrede, een voorwaarde die men ook in de kerk laat gelden. Geloof en belijd de Christus als de Zoon van God en Zijn lijden en sterven als schulddelgend offer voor de zonde der wereld, maar — sta tegelijk toe dat in de kerk anderen dat ontkennen en Jezus eren op allerlei manier, alleen niét als de Zoon Gods die de zonde der wereld droeg en verzoende! Als men aan deze voorwaarde voldoet 'is het wel: onttrek u eraan, en, zo men tegen uw machteloosheid geen strenge maatregelen van terechtwijzing of uitbanning behoeft, spoedig zult gij, al is het slechts door minachting en hoon, ondervinden dat gij, in de schatting der toongevers, een liefdeloos en onverdragelijk mens zijt.'
Maar, en Groen legt daar alle nadruk op, dat wat men in dit opzicht van de christenen, van de leden der kerk, vraagt, is hun niet toegestaan! 'Verdraagzaamheid moogt ge niet bewijzen aan hetgeen in uw oog Godslasterlijk is. Ge moogt niet vergeten dat vereniging van water en vuur, alleen wanneer het vuur uitgedoofd is, mogelijk wordt. 2)

Het punt waar, de wijze waarop het geloof der kerk wordt aangevallen en geloochend bepaalt nu de concrete inhoud, de spits van het belijden. En dat was in Groens dagen de valse verdraagzaamheid, de onverschilligheid waarmee gelovigen, ambtsdragers het aanzien, het toelaten dat in de kerk en in allerlei vereniging de loochenaars van het Evangelie naast hen en in samenwerking met hen, hun verwoestend werk verrichten.
Het is voor Groen een trieste en verontrustende zaak dat vele van zijn geloofsgenoten, zijn broeders wel 'hun geloof verkondigen', maar in de zaak waar het vóór alles op aankomt op fatale wijze te kort schieten. Zij laten namelijk 'als leden van Kerk of Genootschap, anderen in de verkondiging van hun wangeloof ongemoeid'. En zij zijn bij hun falen in hun allereerste roeping 'op de volkomenheid hunner trouwbetoning gerust; zien althans de uitgestrektheid niet van hun vergrijp. Evenwel zij verzaken de Heer, juist in het éne waarin belijden van de Heer te pas komt.' Deze mensen zijn gelijk aan de bewaker van een stad 'die overal bij de hand is, behalve waar de vijand zich bevindt.' Zal men de 'onversaagdheid' van deze wachter roemen? En zou men een 'hoge dunk' moeten hebben 'van de oprechtheid en ijver van hen die in elk gevaar der Kerk met de meeste vrijmoedigheid uitkomen voor alle waarheden, met uitzondering der éne welke bedreigd wordt'?
Groen vat zijn bewogen uiteenzetting van het ware, het actuele belijden — dat tegelijk een indringend appèl is! — in deze woorden samen:
'Het belijden, waarin de kracht van het Christelijke geloof zich openbaart, ligt niet altijd in het getrouwelijk opzeggen van al de Artikelen des geloofs: niet altijd in een onvoorwaardelijk onderschrijven van de Symbolische Schrift; zelfs niet in een prediking waarin geen enkel woord aangetroffen wordt dat de meest rechtzinnige keurmeester ergeren zou.' Neen, 'het belijden is het uitkomen voor de waarheid op het punt waar de verdediging bezwaar heeft, waar het belijden met lijden vergezeld is.'
Zoals 'de aanval het kritieke punt wijst, zo volgt, uit de aard der verloochening, de aard der belijdenis welke, naar de verschillende omstandigheden, in ieder tijdsgewricht de gelovigen voegt. Door zodanig belijden is het alleen dat de Kerk wordt behouden en dat de waarheid, in de strijd zelve telkens ontwikkeld en bevestigd, over de dwaling in de veelsoortigheid van haar vijandige vormen, triumfeert. Altijd één waarheid is er, wier belijdenis, terwijl men de ganse waarheid vasthoudt, speciaal belang heeft; tegen Arius de Godheid van de Heer; tegen Pelagius de vrije genade; tegen de Roomse Kerk de rechtvaardiging door het geloof alleen; tegen de Remonstranten de Souvereiniteit Gods. 3)
En nu is die éne dwaling, zoals boven reeds werd gezegd, 'de dwaling dat de Kerk generlei overeenstemming behoeft in het geloof; dat de eenheid der Gemeente op de menigvuldigheid der individuele meningen berust; dat elke mening, ook die de heiligheid der Schrift en het aanzijn van de Christen wegredeneert in de Christelijke Kerk gelijk recht heeft.' Ten aanzien van deze 'éne waarheid', was in Groens dagen — en is niet minder in de onze! — plichtsbetrachting en moedbetoon aan de orde van de dag. 4)
Dit was, kort samengevat. Groens opvatting omtrent de 'Gereformeerde Gezindte', van de taak die zij heeft, van het gevaar dat haar bedreigt. Wie zijn beschouwingen in deze overweegt zal beseffen dat zijn woorden ook ten aanzien hiervan beklemmend aktueel zijn.

1) Het Nederlandsche Zendelinggenootschap, 's-Gravenhage, 1848, 140/1.
2) Idem, 141/2.
3) Idem, 139/40.
4) Idem, 140/1.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Wat is de  'Gereformeerde Gezindte'? (slot)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's