De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De deelneming aan het  avondmaal

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De deelneming aan het avondmaal

Synodaal stuk over de Kindercommunie

7 minuten leestijd

Hët tweede deel van het synodale rapport over de kindercomnnuiie draagt de titel: ter plaatse. Het bedoelt ons te brengen op de plaats, waar de theologische beslissingen vallen die vóór alle andere, godsdienstpedagogische, katechetische of liturgische, gezichtspunten gaan.
De eerste stelling legt een zwaar accent op de doop als inlijving in de gemeente. Van Calvijn wordt geciteerd: De Doop is een teken der inwijding, waardoor wij tot de gemeenschap der kerk worden aangenomen, opdat wij, in Christus ingeplant, onder Gods kinderen worden gerekend (Inst. IV, 15, 1, 2). Het rapport interpreteert dit behoren tot het Verbond, dat ook de kinderen omvat, met te zeggen: 'Krachtens Gods beloften zijn zij deelgenoten van de nieuwe werkelijkheid, die in kruis en opstanding van de Heer openbaar is geworden'.
Nu is het helemaal niet onze bedoeling tegen te spreken, dat de beloften van het Verbond der genade rijk zijn en dat ze het gehele Evangelie omvatten. Ons oude Doopsformulier is daarin ook zeer duidelijk. En wie hier toch bang mocht zijn voor een zekere ontsporing en wat meer vertrouwen mocht hebben in Calvijn, die leze in diens Institutie zijn zeer klare uitdrukkingen niet betreffende eventueel uitverkoren of wedergeboren kinderen, maar voor 'onze kinderen'.
Mijn bezwaar tegen dit rapport is niet, dat dit alles wordt onderstreept, maar dat daarmede zonder meer de toegang tot het Avondmaal geopend zou zijn.

Passief en actief
Dezelfde Calvijn laat er geen twijfel over bestaan, dat hij een groot verschil maakt tussen het passieve gedoopt worden en het actieve deelnemen aan het Avondmaal. In Inst. IV, 16, 30 zegt hij, dat het Avondmaal toegewezen is aan hen, die vrij wat ouder zijn, de tedere kinderleeftijd te boven zijn en reeds geschikt zijn tot vaste spijs. 'Want de Heere maakt in de Schrift, wat de Doop betreft, geen onderscheid in ouderdom. Maar het Avondmaal biedt Hij aan niet opdat allen gelijkelijk daar deel aan zouden hebben, maar alleen zij, die in staat zijn het lichaam en bloed des Heeren te onderscheiden, hun eigen consiëntie te onderzoeken, de dood des Heeren te verkondigen, en de kracht daarvan te overwegen'. Calvijn spreekt in dit verband zelfs van het uitreiken van vergif aan onze kinderen voor levenmakend voedsel. 'Welke gedachtenis, vraag ik u, zullen wij van de kinderen eisen, van die zaak, waarvan ze nooit besef gehad hebben'.
Trouwens ook uit IV, 15, 17 blijkt, dat volgens Calvijn er een lange weg kan liggen tussen het ontvangen van de Doop en het gelovig verstaan daarvan. Dat neemt de vastheid, de kracht en de waarachtigheid van de belofte Gods niet weg. 'Ook al waren alle mensen leugenachtig en trouweloos, zo houdt God toch niet op waarachtig te zijn; ook al waren alle mensen verloren, Christus blijft toch de zaligheid'. Maar dat neemt niet weg, dat, toen hij (Calvijn) door zijn blindheid en ongelovigheid de belofte niet kende, die Doop hem van niet 't minste voordeel geweest is.

Belofte verwaarloosd
Dat is hetzelfde, wat in de Bijbel telkens blijkt. Israël heeft zovele beloften Gods wel ontvangen, maar ze verwaarloosd. 'De prediking van het Evangelie deed hun geen nut, omdat zij met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben' (Hebr. 4: 2). Een cheque, die ons wordt geschonken en die een bedrag vertegenwoordigt, voldoende om levenslang in al onze behoeften te voorzien, doet geen nut, wanneer wij die verfrommelen, laten liggen, hem niet aan het betaalkantoor aanbieden. Het bedrag is ons gegeven. Het staat er op. En het wordt toch niet ons eigendom.
Wie zegt, dat niemand zo dwaas zal zijn zich al die rijkdommen te laten ontgaan, kent het menselijk hart niet. De Ezau's, die voor één spijze hun eerstgeboorterecht verkopen, zijn nog niet uitgestorven. Er zijn tweeërlei kinderen des Verbonds. Van nature heeft de Man van Smarten ook voor ons geen heerlijkheid en hebben wij geen oog voor dit Koninkrijk, dat niet van deze wereld is en komt zonder uiterlijk vertoon.

Luisteren en antwoorden
Nu spreekt het rapport wel van de tweezijdigheid van het Verbond, zodat het om een antwoord vraagt, zodat kennis van het Evangelie verondersteld wordt; zo dat in een bepaalde levenshouding iets van Christus' vernieuwingswerk doorbreekt en uit allerlei dingen (kerkgang en offervaardigheid) blijkt, dat men belijdend in de kerk van Christus staat. Maar dit wordt voor de kinderen dan toch weer gereduceerd tot b.v. 'het hanteren van het liedboek met kinderlijke blijdschap en overgave'. Daarmede zouden zij gerekend mogen worden tot de leden van de luisterende en vierende gemeente. Bovendien wordt dan nog een keer een beroep gedaan op de Doop, waardoor onze kinderen in de christelijke kerk 'ingelijfd' worden. Daarbij wordt die Doop gekenschetst als een volledige Doop, die geen aanvulling onzerzijds nodig heeft 'ook al wordt een belijdend antwoord van ons gevraagd'.
Nu, om dat belijdend antwoord gaat het toch inderdaad. Volkomen ben ik het met de opstellers van het rapport eens, dat geloof en geloofsbelijdenis, in welke vorm dan ook, geen aanvulling betekenen op de beloften van Gods Verbond. Evenmin als het licht aangevuld wordt door ons oog, het geluid door ons oor, de natuur door onze natuurkennis. Maar oog, oor en kennis zijn daarom nog geen onbelangrijke zaken.
Het is inderdaad een bekoorlijk gezicht, wanneer kinderen met overgave een geestelijk lied zingen. Maar, ouder geworden, beseffen we vaak, dat we als kinderen vele dingen in de mond namen, waarvan de klank ons misschien wel even trof, maar waarvan de diepte, de ernst en de rijkdom ons nog ten enenmale ontgingen. Wie beseft als schoolkind wat het inhoudt te zingen: zo Gij in 't recht wilt treden, o HEER, en gadeslaan onz' ongerechtigheden, ach wie zal dan bestaan. Of: 'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên?

Zwijgen?
Dat wil niet zeggen, dat de kinderen maar moeten zwijgen. Ook niet, dat er geen kinderen zijn, bij wie een innerlijk vermoeden van de diepten en hoogten, die hier liggen, mogelijk zou zijn. Maar het is m.i. irreëel er van uit te gaan, dat als regel de grote, ingrijpende tegenstellingen van zonde en genade, van Koninkrijk Gods en wereld, van schuld en vergeving, van kruis en opstanding, van wandel naar het vlees en naar de Geest, ingegrift zouden staan in het hart van onze kinderen.
Uit het grote getal van de kinderen der gemeente ontwikkelt zich een bonte reeks van mogelijkheden. Er zijn Timotheüssen, die evenals Samuel, Obadja, Jeremia en Johannes de Doper van jongsaf met hun hele hart God vrezen. Er zijn er echter ook, die lijken op de zoon in de gelijkenis, die begon met te zeggen: ik ga, heer. En die toch niet ging. Omgekeerd zijn er, die aanvankelijk 'neen' zeggen en later, tot inkeer gekomen, gaan. Er zijn er, die als kind de liefelijke klank van het Evangelie als een bekoring hebben ondergaan en die later als b.v. Allard Pierson ontdekken, dat het kruis de Griek in ons een ergernis is en zich van het hart van het Evangelie afwenden.
Het kind weet in de regel nog te weinig van de kruisende wegen, de tweesprongen van beslissingen over geloof en ongeloof, gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid, waarheid of leugen, vlees of geest, om zich uit een enigermate ingewortelde overtuiging te scharen bij degenen, die het H. Avondmaal begeren, tot versterking van hun geloof.
De puberteitsjaren zijn vaak een bewogen periode, waarin gestreden wordt voor een eigen identiteit, waarin men geplaatst wordt voor tot dusver vreemde vragen en verzoekingen, tengevolge waarvan de noties van zonde en genade eerst meer rapport krijgen met het leven, waarin zij gesteld zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De deelneming aan het  avondmaal

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1974

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's