Gedreigd door 't vuur
'Toen werden die mannen gebonden in hun mantels, hun broeken en hun hoeden en hun andere klederen, en zij wierpen hen in het midden van de oven des brandenden vuurs'. Daniël 3: 21
Nu moet het wel gedaan zijn met die drie jonge mannen. Als helden hebben ze zich gedragen. Vlakbij de grimmige vuuroven hebben ze het bevel van Nebukadnezar weerstaan. U zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden. Wat een helden! Wacht even. Die laatste woorden moet u maar nooit zeggen tegen een kind van God. U zou er hem mee krenken en hij zou trachten u uit te leggen dat u het belangrijkste vergat: dat de Heere Zélf het is, Die zo doet handelen en zo doet spreken. Dat het de Heilige Geest is, Die overeind houdt en openbaar doet komen. Opdat de Naam des Heeren verheerlijkt zal worden.
Als het eigen werk geweest was, zou alle verzet tot as verbrand zijn. Er klinken zovéél moedige woorden in deze wereld, terwijl van geloofsbeproeving zo goed als geen sprake is. Wat heeft de Heere gezegd van hen, die het Woord terstond met vreugde ontvangen maar geen wortel in zichzelf hebben? Als verdrukking of vervolging komt, worden ze terstond geërgerd. Wie zal stand kunnen houden als het er werkelijk op aan zal komen? Beter gezegd: wat zal stand houden? Daar is een duidelijk antwoord op in de Bijbel. De apostel Johannes heeft het in een van zijn brieven geschreven: wat uit Gód geboren is, brengt vruchten voort: geloof, hoop en liefde. Al zou ik mijn lichaam overgeven, opdat ik verbrand zou worden en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.
En dus zwijgt Nebukadnezar, laat hij die drie berouwvol gaan, loopt het allemaal met een sisser af. Nee, dat niet. De bedreiging mét vuur zal een dreiging dóór het vuur worden. Wat hebben ze zelf gezegd, die Sadrach, Mesach en Abed-nego? Onze God is machtig om ons te verlossen, maar zo niet ... Hij kan verlossen, dat is zeker. Het kan ook zijn dat Zijn Raad anders is. Dat is geloof. Vertrouwen dat de Heere wel weet wat Hij doet, hoe dan ook. Intussen is het waar: wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen, ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.
Is dat wel waar? Wat zien we ervan? Een van woede bijkans barstende tyran; een oven, die op zijn blaffende bevel nog zevenmaal heter gestookt wordt; de sterkste mannen van kracht die in zijn heir waren en die ruw en hard grijpen naar die drie jongens, die daar weerloos staan, hen stevig vastbinden en ... Zijn dat Gods weldadigheden, spot de duivel. Mensen, wees toch wijzer, zegt de wereld. Probeer het alsnog op een andere manier, zegt de valse godsdienst. De overheid onderdanig zijn, roept iemand er nog een tekst achteraan. Maar die drie, ze kunnen niet anders. Het gebod van hun God achten ze te hoog en hebben ze te lief. Dan moeten ze het zelf maar weten!
Maar nu vergist u zich toch. Niet zij behoeven het te weten. Geloof is juist het in Gods hand leggen. In ons is geen kracht tegen deze grote menigte, maar onze ogen zijn op U! Voortgeduwd, voortgestompt worden ze naar de vlammen uitbrakende vuuroven. Het wordt wel heel nadrukkelijk beschreven hoe heet die oven wel is. Als het woord van de doldriftige Nebukadnezar aandrijft tot snel handelen, doet een plotseling uitschietende steekvlam die 'sterke mannen van kracht' verzengd neervallen. Dood door één vreselijk moment van de gloeiende loeiende vuurzee. Maar in die brullende oven, in dat vlammengeweld, daar tuimelen de drie gebonden jongelingen, met al hun kleren nog aan, opdat het vuur maar zo snel mogelijk voedsel vinden zal. Uitgebraakt door de koning, uitgebraakt door de duivel, uitgebraakt door Babel. Weg!
Een vóór-beeld van wat met de Heere Jezus, de Gezondene des Vaders, gebeurd is. Een klein en ontoereikend voorbeeld, maar toch, wie moet hier niet aan Hém denken. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad! Denk toch veel aan Hem! Hij kwam om te redden, om zalig te maken. Hij kwam in het dodendal van deze wereld, maar werd niet aangenomen. Uitgeworpen werd Hij onder schrille, woeste kreten: kruis Hem! kruis Hem! Uitgeworpen, omdat Hij de wet van Zijn Vader droeg in Zijn binnenste. Uitgeworpen, omdat Hij niet veinzen kon, want er is geen bedrog in Zijn mond gevonden. Uitgeworpen in het brandende vuur van Gods rechtvaardige toorn over de zonde. Niet alleen met touwen gebonden, maar genageld aan het kruis. 'Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten'. Gods eigen Kind in het vuur. Maar zie, Hij stond op ten derden dage en heerlijk vertoont Hij zich met al Zijn namen: Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst!
Heeft dat kracht om tot in Dura te komen? Hier drie jonge mannen, Gods uitverkoren gemeente, in het vuur. Horen we alleen het knetterend loeien van het vlammengeweld? Of ... is er toch al wat anders, van heel ver en toch zo dichtbij: Vrees niet, gij klein kuddeke! Wanneer gij zult gaan door het water. Ik zal bij u zijn.
Wanneer gij zult gaan door het vuur ... gij zult niet verbranden en de vlam zal u niet aansteken. Nebukadnezar kijkt, tuurt, probeert tussen de bewegende gloed te zien. En zijn gezicht verandert weer, maar nu in totale verbijstering. Het vuur leeft maar ... die drie leven óók! Midden in die moordende oven. Hij kan zijn eigen ogen niet geloven. Haastig roept hij zijn mannen erbij: Hebben wij niet drie mannen, gebonden en wel in het midden des vuurs geworpen? Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs en er is geen verderf aan hen; en de gedaante van de vierde is gelijk een zoon der goden! Ja, we horen het nu toch duidelijk: wat vree heeft elk, die Uwe Wet bemint, zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten ... Het klinkt ergens op in de zang der gemeente. Er wordt om geglimlacht. Kom dan hier en zie! Niet angstig, niet wanhopig rennen die drie daar door het vuur. Nee, ze wandelen! Los van hun boeien, rustig en vredig. Hoe is dat mogelijk? Omdat die Vierde bij hen is. Zijn komst brengt redding, vrede, volmaakt het heil. Uw komst is 't die mijn heil volmaakt. Daar God mijn Schild en Hulp wil wezen, wat zal een nietig mens mij doen?
Nebukadnezar zal dat nooit verstaan. Het is ook ongehoord. Geen vertering, geen verderf. En die drie zijn vier geworden. De Kerk is altijd meer als de wereld denkt. De Heer is bij hen en zo Hij voor hen is, wie zal dan tegen hen zijn! Nebukadnezar en zijn trawanten staren en stamelen. Ongehoord! Ongehoord? Toch niet. Want Christus' Kerk weet het, ervaart het, beleeft het. Zij heeft het zelf uit Zijn mond gehoord: Voorwaar zeg Ik u, waar twee of drie in Mijn Naam vergaderd zijn, daar ben Ik in het midden van hen! Hoe dan ook en waar dan ook. En zie, Ik ben met u, al de dagen, tot aan de voleinding der wereld.
Lunteren
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's