De deelneming aan het avondmaal
Synodaal stuk over de Kindercommunie
Te gestileerd
Gegeven wat in het vorige artikel aan de orde kwam moet ik zeggen dat het synodale rapport over 'de Kindecommunie' te gestileerd is. Ook te algemeen. Het rekent te weinig met de veelvormige realiteit van het leven. De Gereformeerde Kerk heeft altijd beleden, dat een geloof, dat later teloor gaat, nimmer een waarachtig geloof is geweest. Ook binnen de kring des Verbonds is het geloof een wonder van Gods genade, onuitdelgbaar, omdat God in Zijn verkiezende liefde Zelf volhardt en daarom door alle struikelingen en nederlagen heen, doet volharden. En om dat geloof gaat het in de betrekking tussen de levende en belovende God der Verbonds in het hart, dat, al is het stamelend, 'amen' zegt op dat Verbond en daarom thuis behoort aan de Dis des Verbonds.
Ik neem aan, dat de opstellers van het rapport behoorlijk zullen willen onderscheiden tussen Avondmaal en Zijn liefdemaaltijd. Men zal toch altijd de spanning moeten verdisconteren tussen het huisgezin Gods en het huisgezin van ons en onze kinderen. Ze zijn niet van elkander afgescheiden. Integendeel. Maar wel onderscheiden door het 'neen' dat van nature in ons hart leeft tegenover Gods waarheid en genade.
Over ongedoopten kunnen we kort zijn. Het is mij ook wel overkomen, dat een niet-gedoopte volwassene aan het Avondmaal deelnam. Dat is dan in de regel een zaak van een momentele diepe belevenis. Maar die wel vraagt om de daarbij nu ook passende inbedding in het leven ener belijdende en gedoopte gemeente.
Kruis en Opstanding
In de derde stelling wordt betoogd, dat de maaltijd des Heeren meer is dan een herinneringsmaaltijd. Er zijn immers vele aspecten en belevingsmogelijkheden. Het rapport wil de viering van het Avondmaal uit een eenzijdige Goede Vrijdag-sfeer halen. Het is immers de opgestane Gekruisigde, Die Zichzelf als spijze aanbiedt. Maar die spijze is dan toch Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed, evenals Hij als de Opgestane onderwijst in het 'moeten' van Zijn lijden en sterven. De overdenking van het kruis is niet minder waard 'gevierd' te worden, dan die van Zijn opstanding. Want nergens openbaart zich de liefde Gods zo heerlijk als juist in het kruis. Dat kruis is het uitgesproken thema van de apostolische prediking. Alleen door het bloed des eeuwigen Testaments heeft de God des vredes de grote Herder der schapen uit de doden wedergebracht (Hebr. 13: 20). Juist de centraalstelling van het kruis geeft aan de christelijke blijdschap een diep en eigen karakter. Zij is 'singeneris', eigensoortig, en heeft haar eigen openbaringsvorm, die de wereld er niet aan afziet, maar die er toch is.
Het lijkt me, dat het rapport meer het accent legt op de heiligmaking dan op de rechtvaardiging. Vandaar het spreken over verzoende vijanden, die het genadebrood delen, over de verbintenis van vogels van diverse pluimage, de broederschap, de bevrijding van de machten, de houding tegenover de medemens, de ruimte, die er komt voor het verzoenende recht van God (een uitdrukking, die mij niet helemaal duidelijk is) en de openingen naar de toekomst.
Nu zijn hierin allerlei dingen, die herinneren aan de apostolische vermaningen en uitzichten, al klinken ze mij daar toch anders in de oren. Maar de grondslag blijft toch in de ontfermingen Gods, in het 'alzo lief heeft God de wereld gehad ...' En daarmede moet alles als één levend geheel verbonden blijven. Anders sterven de aspekten af tot humanistische surrogaten. Overigens vraag ik mij af, of onze kinderen met al deze dingen uit de voeten kunnen.
Aard van het gedenken
In de vierde stelling wordt de aard van het 'gedenken' op een bepaalde manier gepreciseerd, door het wat los te maken van de 'herinnering', die onze Avondmaalsviering tot dusver te zeer zou kenmerken, en het geheel te trekken naar het heden, omdat het verleden aktueel is, door de Geest present in brood en wijn. Deze aktualisering zou dan teweegbrengen, dat we meer de vrucht er van ontvangen.
Ik dacht, dat we hier moeten oppassen, dat het unieke karakter van het grote heilsfeit uit de volheid des tijds niet vervlucht. Het is volkomen waar, dat de verhoogde Christus, de Gastheer is, Die de Zijnen bezoekt met Zijn heil. Ik zou liever dan van de presentie van het verleden spreken van de tegenwoordigheid van de Heere Jezus Zelf. Onze belijdenis en ons kostelijke Avondmaalsformulier zijn daar in duidelijk genoeg. Ze zijn beslist niet Zwingliaans. Zwingli ziet hier alleen een commemoratie, een herinnering. De Calvinistische Reformatie heeft dit gedenken vrij wat dieper verstaan. Het 'gedenken' heeft te maken met het geloofsdenken, waarvoor de afstanden wegvallen, en met 'danken'. In de dood Zijns Zoon heeft God alle beloften verankerd, ook van het heden en tot de voleinding toe. Het ligt er allemaal in. Daar is de Fontein geopend tegen de zonde en tegen de onreinheid, die haar wateren stuwt door de hele historie der eeuwen heen. Ik kan niet in zien, dat de onderwijzing van b.v. ons klassieke Avondmaalsformulier hier tekort geschoten zou zijn ook wat betreft de gemeenschap der heiligen en we van een nieuwe beleving van het Avondmaal zulk een bijzondere opbloei van de Avondmaalspractijk zouden mogen verwachten.
Woord — sacrament — lofprijzing
Wat de verhouding Woord en Sacrament betreft, heeft het rapport de neiging ze op één lijn te stellen. Toch bedenke men, dat een ongezegelde, betrouwbare verklaring, volwaardig is. Daartegenover heeft een onbeschreven gezegeld papier geen waarde. Het gaat ook hier om de belofte des Evangelies.
Tenslotte is er nog een vijfde stelling over het belijdend en lofprijzend karakter van de eredienst. Ik lees daarin, dat 'in het verleden — en hier en daar misschien nog (cursivering van mij, v. d. W.) — de eredienst vooral een leerstellig en appellerend karakter had'. Daarvoor is dan in de laatste decennia vooral het lofprijzend karakter van de eredienst naar voren gekomen. Verwezen wordt naar de vernieuwing van de liturgie, het dienstboek en het nieuwe liedboek. Ik dacht toch, dat de uitlegging van het vierde gebod in Zondag 38 van onze Heidelberger, nog altijd actueel is nl. dat we tot de Gemeente Gods komen om Gods Woord te horen. Dat staat m.i. terecht voorop. Het is niet onze dienst. Maar Zijn dienst aan ons. Het rapport spreekt ook zelf trouwens telkens van de luisterende en vierende gemeente. Maar het gaat dan wel om het rechte verband tussen die beide aspecten. Het rapport zegt: 'bijbels belijden is daarom niet alleen een zaak van weten en kennen, maar ook en vooral van leven en zingen'. Zouden we het niet zó moeten zeggen: Bijbels belijden is een zaak van zulk weten en kennen, dat het leven en zingen wordt. Maar dat is geen vrucht van een bepaalde methodiek, maar van de Heilige Geest, Die alleen het Woord opent voor ons hart en ons hart opent voor het Woord des Heeren. Die Geest, waarom we ook als gemeente smeken, leert bidden: neem weg alle ongerechtigheid en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen' (Hozea 14: 3). Dan verstaan we dat onze Psalmbundel niet met Psalm 150 begint, maar eindigt.
Er volgt uit alles wat voorafgegaan is een pleidooi om de belijdenis des geloofs los te maken van de Avondmaalsviering. Bij het belijden gaat het immers om meer dan weten en kennen. Aldus het rapport. Over dat 'meer' zullen we het wel eens zijn, al hangt hier toch veel af van de kwalificatie van dat weten en kennen.
Ik zou ook hier willen pleiten voor een handhaven van het geheel. Van het 'beamen' van zijn Doop, het toetreden tot het Avondmaal, het bewust aanvaarden van zijn plaats in het geheel der verbondsgemeente (waarbij zelfs 'kiezen' en 'gekozen worden' geestelijke grootheden behoren te zijn) en — als laatste maar niet het minste — het belijdend leven met woord en wandel in onze tegenwoordige wereld. Daartoe is ook het gebed een integrerend bestanddeel van de dienst des Heeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's