Een oproep tot vasten
De Raad van Kerken heeft haar lid-kerken verzocht een oproep te doen uitgaan tot het houden van een wekelijkse vastendag. We zullen — aldus de toelichting — moeten komen tot een nieuwe levensstijl, gericht op een samenleving, waarin 'het recht van de armen' voorop zal staan. Een derde deel van de wereldbevolking verwerkt het grootste deel van het beschikbare voedsel en tweederde deel lijdt honger. Per jaar sterven er dertig miljoen mensen tengevolge van het graantekort, dat geeft drie maal meer doden dan in de tweede wereldoorlog. En dr. Marga Klompé sprak in dat verband over het 'schandaal' van de jaarlijkse uitgaven voor bewapening in de wereld: zeven honderd en vijftig miljard gulden. Bij de vastendag zou nu met name beperking ten aanzien van het gebruik van vlees voorop moeten staan omdat er een geweldige bres wordt geslagen in de wereldgraanvoorraden voor het voederen van vee terwille van de vleesproductie. Ook de voedselverspilling moet krachtig worden tegengegaan (miljoenen kilo's brood verdwijnen in de vuilnisbakken).
Geen schouderophalen
Het zal duidelijk zijn, dat zaken als deze niet als een bagatel kunnen worden afgedaan. Wél stel ik voorop, dat het instituut Raad van Kerken nogal bezwaren bij ons oproept en ons beducht doet zijn voor allerlei boven de kerken uitgrijpende oproepen en initiatieven. Maar goed, men richt hier de oproep tot de kerken en die moeten het zelf maar aan de orde stellen. En dan zeg ik weer: het zijn geen bagatellen, waarom het gaat. De wereldvoedselvoorziening is een zaak van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Wij in ons welvarende Westen mogen toch waarlijk de ogen niet sluiten voor de onvoorstelbare nood, het lijden met name ook in de hongergebieden in de wereld. Wij zullen van onze welvaart moeten (kunnen) afstaan aan anderen, die in honger zijn. Het diakonaat van de kerk mag en moet hier wereldwijde dimensies hebben. Zien we dat niet dan versmallen we onze Bijbel, die ons ook met de neus drukt op de roeping van de christen in sociale nood, waar die dan ook is. Doe wél — jawel allermeest aan de huisgenoten des geloofs, maar intussen aan alle mensen. Of intussen de wereldnood te lenigen is met één dag vasten is punt twee. Maar de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, de brief aan Jacobus, het 'ga heen verkoop al wat u hebt en geef het de armen' kan alleen maar op straffe van ondermijning van het gezag van de Schrift spiritueel worden verengd. We kunnen dan ook bij de Reformatoren, de Nadere Reformatoren, de mannen van het Réveil in de leer om te zien hoe Schriftgeloof en sociale bewogenheid hand in hand gaan.
Met twee woorden spreken
Waar ik intussen mee zit is, dat de oproep van de Raad van Kerken geen wérkelijke oproep tot vasten is. Daarvoor is de oproep te vlak, te geesteloos, te (alleen maar) aards. In de Bijbel komt vasten en bidden nogal eens samen voor. (Hand. 13: 3, Matth. 17: 21, Luc. 2: 37, Hand. 14: 23). Het is ook altijd een vasten vóór Gods Aangezicht, het is een vasten met verootmoediging, vasten met schuldbelijdenis, het is vasten om concrete zonden in het volk. Zou de kerk niet geroepen zijn — altijd weer — om met twee woorden te spreken? Sociale nood lenigen: Jawel, onverkort! Maar tegelijk oproepen tot schuldbelijdenis en verootmoediging voor Gods Aangezicht! Wanneer de volkszonden, nationaal en internationaal tot aan de hemel reiken, is er dan niet alle aanleiding om op te roepen tot een dag van verootmoediging? Hebben we in alle nood, die zich in de wereld voltrekt, nationaal en internationaal ook niet te maken met de gerichten van God, die over de aarde gaan? En vraagt dat niet om verootmoediging? De inwoners van Ninevé hebben óók gevast en God keerde het gericht af. De farizeeër vastte óók, twee maal per week zelfs, en hij gaf tienden van al wat hij bezat, maar hij wordt gesteld tegenover de biddende tollenaar: 'o God, wees mij zondaar genadig'!
Ik heb daarom mijn vragen rond de oproep van de Raad van Kerken, omdat de inzet ligt bij het recht der armen. Maar dat recht der armen — waarvan Psalm 72 spreekt — mag toch nooit geïsoleerd worden van het recht van Gód op het leven? Heeft dat recht niet altijd absolute prioriteit? Moet de kerk bij dat recht niet altijd inzetten? En struikelt dat recht in onze tijd niet op de straten? Het spreken over nood in de wereld en over onze houding daarin mag toch niet los staan van het spreken over God? Daarom vind ik de oproep van de Raad van Kerken te werelds, het riekt me teveel naar de ideologie van het recht der armen. Men spreekt niet met twee woorden. Waar de oproep tot vasten niet gepaard gaat met een oproep tot verootmoediging voor Gods Aangezicht vanwege de zonde, daar is vasten geen vasten in de Bijbelse zin.
In dit verband moet me ook één ding van het hart. Méér en méér maakt men het mee juist in kringen, waar het recht der armen centraal staat, dat het gebed in kerkelijke samenkomsten verstomd is, ook het gebed voor en na het dagelijkse eten. Ik zou willen zeggen als de kerk niet meer weet te spreken met God, juist ook rondom het voedsel als gave van God, zal het recht der armen nooit in zijn volheid aan de orde kunnen komen.
Niet alléén geestelijk
Er is intussen ook een andere kant. Geen vasten zonder verootmoediging maar verootmoediging zonder bewogenheid voor de naaste veraf en dichtbij is ook geen echte verootmoediging. In de verootmoediging gaat het om de schuld tegenover God, waar de schuldige nalatigheid tegenover de medemens niet los van staat. In Jesaja 58 wordt in dat opzicht óók een vasten genoemd, dat onder de benaming schijnheiligheid valt. Het volk vraagt: waarom vasten wij en ziet God het niet? En God vraagt of dat dan het vasten is dat Hij verkiest, dat de mens zijn ziel een dag kwelt en zak en as onder zich spreidt? En dan wordt heel concreet gezegd: 'Is niet dit het vasten dat Ik verkies: dat gij losmaakt de knopen der goddeloosheid, dat gij ontdoet de banden van het juk en dat gij vrijlaat de verpletterden en alle juk verscheurt?' En dan — ja het staat zó in de Schrift — 'is het niet dat gij de hongerige uw brood meedeelt en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als gij een naakte ziet dat gij hem dekt en dat gij u voor uw vlees niet verbergt?' Dan, als zó gehandeld wordt, dan zult gij roepen en de Heere zal antwoorden; gij zult schreeuwen en Hij zal zeggen: ziet hier ben Ik.
Wij zullen allen met twee woorden moeten spreken. Verootmoediging én vasten! Verootmoediging voor God en bewogenheid om de mens in zijn heel concrete nood, zijn geestelijke en lijfelijke nood.
In dat verband kunnen we leren van Groen van Prinsterer, de man die als géén ander gestreden heeft tegen de ideologieën van zijn tijd, de ideologieën van revolutie en mondigheid, die in onze tijd in ander gewaad opnieuw opduiken. Hij kwam op voor Gods recht. Maar mevrouw Groen en mevr. Elout van Soeterwoude gingen dagelijks de arbeidersbuurten in en bezochten de mensen in hun noodlijdend bestaan. Zou er ooit in Den Haag revolutie uitbreken, zeiden de arbeiders, dan zou het huis aan de Korte Vijverberg, Groens huis, worden gespaard. Zó was Groen. Het recht van God en het recht van de armen. Bid én werkt!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's