Revius en Kerst
Eén keer per jaar — om precies te zijn: in de lijdenstijd — citeren verschillende predikanten enkele regels uit een 17e eeuws gedicht. Dat gedicht heeft als titel: 'Hij droeg onze smerten' en zet in met de bekende regel:
T' en zijn de Joden niet. Heer Jesu! die u kruisten...
Het slot, dat mogelijk nog bekender is, luidt:
Ik bent, o Heer, ik bent die u dit heb gedaan,
Ik ben den zwaren boom die u had overlaên.
Ik ben de taaie streng daarmee gij ginkt gebonden,
De nagel, en de speer, de gesel die u sloeg,
De bloed-bedropen kroon die uwen schedel droeg:
Want dit is al geschied, eilaas! om mijne zonden.
De auteur ervan is de 17e-eeuwse predikant-dichter Jacob Revius. Éénmaal per jaar wordt hem de eer gegund even op te treden; dan mag hij 'spreken nadat hij gestorven is.' Daarna wordt hij weer opgeborgen in het grote museum van de 17e eeuw.
De onbekende Revius
Wie was deze Jacob Revius? Revius leefde van 1586 tot 1658. Hij was een knap theoloog en vooral een grondig kenner van het Hebreeuws. Dertig jaar lang was hij predikant, waarvan 28 jaar te Deventer. Daarna vervulde hij een functie aan de universiteit in Leiden ten behoeve van de studenten in de theologie. Vele werkzaamheden heeft hij naast zijn officiële functies verricht. In dit verband moet ik volstaan met te wijzen op het aandeel dat hij heeft gehad bij de totstandkoming van de Statenvertaling. Als revisor (= corrector) heeft hij de voorlopige vertaling van het Oude Testament zeer kritisch bekeken en zo nodig van correcties voorzien. Diverse van deze correcties zijn door de vertalers overgenomen en zijn dus terug te vinden in de definitieve tekst van de Statenvertaling.
Van grote betekenis is dat Revius naast zijn theologische arbeid voldoende tijd vond voor andere activiteiten, met name het schrijven van poëzie. Zijn gedichten zijn verzameld in de omvangrijke bundel Over-Ysselsche Sangen en Dichten. Zijn poëzie lijkt helaas bestemd voor fijnproevers. Het gemiddelde gemeentelid van nu kent Revius niet of nauwelijks, en de kennis van zijn werk blijft ook bij predikanten doorgaans beperkt tot het gedicht 'Hij droeg onze smerten!' Revius als dichter is voor velen een onbekende en dat was eigenlijk ook al zo in de 17e eeuw. Ik kan niet op de oorzaken hiervan ingaan. Ik moet het laten bij de opmerkingen dat die geringe bekendheid — onbekend maakt onbemind! — geheel ten onrechte is. Het niveau van zijn dichtwerk is namelijk op heel wat plaatsen zó hoog, dat een aantal gedichten van hem zonder meer gerekend moet worden tot de beste poëzie uit de 17e eeuw en dus geplaatst mag worden naast het werk van grote dichters als Vondel en Hooft.
Er zijn ook tekenen van een zekere herwaardering van het dichtwerk van Revius. Zo is het opvallend dat een uitgever er in 1974 brood in heeft gezien om een herdruk van de Over-Ysselsche Sangen en Dichten op de markt te brengen voor de prijs van ƒ 125, —, zelfs in deze tijd van inflatie toch geen gering bedrag. In dit verband moet ook het nieuwe 'Liedboek voor de Kerken' genoemd worden, waarin zeven gedichten van Revius zijn opgenomen. Hoezeer we bezwaren hebben tegen het Liedboek voor de eredienst zoals dat in zijn totaliteit aan ons wordt gepresenteerd, de zuiver calvinistische stem van Jacob Revius klinkt mede door. Dat wijst op een gedeeltelijk eerherstel van deze grote 17e-eeuwer.
De vertekende Revius
Opmerkelijk is dat we m.b.t. Revius nogal eens een onjuiste tekening tegenkomen van zijn mens- en christen-zijn. Gezegd moet worden dat hij er wel enige aanleiding toe heeft gegeven. De felheid waarmee hij zijn godsdienstige tegenstanders te lijf ging, heeft hem veel vijanden bezorgd. Iemand omschreef hem als een persoon met 'ijver tot moeyte en twist'. Een ander noemde hem 'soo bitter als roet, soo scherp als een vlijm, of scheermes'. Zijn godsdienstige tegenstanders waren vooral: de rooms-katholieken, de remonstranten en de aanhangers van de filosoof Descartes.
De felheid van Revius in theologische kwesties vloeide voort uit het feit dat hij zich gekwetst voelde in wat hem heilig was: de leer van Calvijn, de gereformeerde religie. Ook als we ons geestelijk zeer met Revius verwant voelen, zullen we moeten toegeven dat de toon van zijn geschriften niet altijd even geslaagd is. Door die scherpheid is de uitwerking nogal eens averechts geweest.
Die felheid en scherpheid hebben bevorderd dat er een vertekend beeld is ontstaan omtrent de mens, de christen Revius. Dat beeld houdt in: een stoer calvinist, strak en steil; een liefdeloos, streng dogmatisch christen. Een scherpslijper in theologische kwesties, onvermoeid en onverzettelijk. Een man die een warm hart miste en die hard en koud de gong van de wet sloeg en de gesel ophief van Gods gerechtigheid.
Tot dat portret behoort ook dat Revius alléén de wet hanteerde en niét het evangelie, wél van zonde sprak maar niét van genade, alléén God als rechter noemde en niét Gods barmhartigheid in Jezus Christus.
Dit beeld wordt door niet-calvinisten met enige voorkeur zó getekend. Ik noem het een eenzijdige tekening. En een eenzijdig beeld is altijd een mistekening. Hoezeer bovenstaande portrettering tekortschiet, wordt ons duidelijk wanneer we letten op Revius en Kerst, Revius en het gebeuren te Bethlehem.
De andere Revius
Om u te laten zien dat er een andere kant aan Revius is te onderscheiden, sla ik het eerste deel op van zijn Over-Ysselsche Sangen en Dichten. Dit deel bevat zijn religieuze gedichten, gebaseerd op gebeurtenissen in het Oude en Nieuwe Testament. Vooral als we de gedichten lezen die geschreven zijn naar aanleiding van de geboorte van Christus, krijgen we een ander beeld van Revius. Nu krijgt zijn portret contouren die in de tekening hierboven ontbreken. Ons treedt een dichter tegemoet die spreekt van wet én evangelie, van zonde én genade:
Want als ik hoor uw reine wet
En daar op lett'
Mijn tong' wordt door mijn hert benauwd,
Mijn ogen sluiten, Mijn oren tuiten,
Mijn bloed verkoudt.
Als ik een weinig dan versta
Van uw gena
Een zoete vlam doorstralet mij.
Mijn leden gloeien,
Mijn wangen vloeien
Van tranen blij.
In prachtige verzen geeft hij uiting aan zijn intense vreugde en dankbaarheid dat Jezus ook zijn Heiland wil zijn:
Zolang als ik op aarde leven zal
Mijn koning groot ik ere geven zal,
met woord, met daad, met juichen en gezang.
Hij heeft mij uitgetogen van de val,
geschreven in zijn uitverkoren tal,
dies mijne ziel Hem spelet lof en dank.
Zijn bitter lijden
doet mij verblijden.
Zijn hart is mijn,
het mijn is zijn.
Treurigheid wijke,
vrolijkheid blijke,
want Jezus wil mijn Heiland zijn.
Met diepe ontroering kijkt Revius naar het gebeuren te Bethlehem. Het is voor hem een onbegrijpelijk wonder dat Gods Zoon in deze zondige wereld wilde komen:
Christus wie had van u vermoed
Dat gij, edel Konings bloed,
Zoudt verschijnen
Vol van pijnen
In het koudste van den stal
Proevende al ons ongeval?
Hier treedt een andere Revius naar voren: geen koud dogmaticus, maar diep-religieus en innig-vroom christen. Als hij de geboorte van Christus beschrijft, wordt hij klein en stil. Dan beseft hij hoe groot de zonde van de mens is, ook de zonde van hemzelf. Ootmoedig knielt hij bij de kribbe van Bethlehem, waar woorden nauwelijks zijn ontroering kunnen vertolken.
Uw handekens,
in bandekens
o Heiland zijn gewonden
Opdat ik zij,
verlost en vrij
Van alle mijne zonden.
Dit is de andere Revius. Uiterlijk was hij misschien vaak strak en steil, in zijn vurige ijver mensen soms onnodig kwetsend; innerlijk was hij een deemoedig christen die wist van zonde én genade, van Gods recht én Gods barmhartigheid. Zo heeft de dichter Willem de Mérode, die zich ongetwijfeld met Revius verwant voelde, hem getekend in een gedicht dat ik hieronder als afsluiting laat volgen.
REVIUS
't Was of de Schrift zijn levensloop verhaalde:
oorlogen, twisten, vlucht en goede keer,
en zijn hardnekkig ijvren voor de Heer
en hoe zijn hartstocht overwon en faalde.
Godschenner was spanjool en kananiet.
En in de gramschap van zijn visioenen
vertrapte hij hun wapens en blazoenen,
en een triomfgeschrei barstte uit zijn lied.
Maar in de avond als het schemerlicht
blank liet de wand met perkamenten banden
bad hij ootmoedig met verstilde handen:
Och Heer, mijn zonde toog U voor 't gericht.
Dan spleten óp des hemels steile wanden
en de eeuwigheid doorspoelde zijn gezicht.
Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's