Kind geworden — worden als een kind
Mens geworden
Over de menswording van de Zoon van God wordt in de Heilige Schrift op verschillende manieren gesproken. Met name in de Evangelie-beschrijvingen wordt van Hem gezegd dat Hij geboren is, 'De geboorte van Jezus Christus was aldus' (Matth. 1: 18). 'En zij baarde haar eerstgeboren Zoon' (Luk. 2: 7). In de inleiding van z'n Evangelie-beschrijving zegt Johannes, dat Hij vlees geworden is (Joh. 1: 14). Paulus schrijft aan de Galaten dat Hij geworden is uit een vrouw (Gal. 4: 4) en aan de Filippenzen, dat Hij Zichzelf vernietigd (letterlijk: ontledigd) heeft (Fil. 2: 7. Deze ontlediging houdt niet in dat Hij Zijn Godheid zou hebben afgelegd, maar wel de openbaring van Zijn heerlijkheid. De Godheid ging voor een tijd schuil achter het voorhangsel van Zijn mensheid. De Evangelie-beschrijvingen, en ook de brieven, onderstrepen voortdurend het volledig mens-zijn van Christus. Zijn menszijn van de geboorte af tot het sterven toe . . .
Kind geworden
Van de geboorte af . . . Dat wil zeggen, dat Hij, evenals wij allen, Kind is geweest. Zó volledig mens, dat Hij Zijn leven op deze aarde begonnen is zoals ieder ander mens. Met dien verstande dat Zijn geboorte niet verschilde van ieder andere geboorte. Van Zijn ontvangenis geldt dat uiteraard niet. We belijden van Hem: 'ontvangen van de Heilige Geest'. Een aangevochten stuk, met name in onze tijd, maar essentieel voor het geloof. Hij heeft naar Zijn menselijke natuur geen vader en valt dus niet onder de wet van erfzonde. Maar van Zijn geboorte geldt: Hij is ons in alles gelijk geworden. Dat wil zeggen: Hij is op de wereld gekomen zoals ieder ander kind op de wereld komt! 'Men kan zich dat niet ruig en realistisch genoeg voorstellen. Daar ligt een baby in een kribbe, in een stal. Daar is niets bijzonders aan te zien. Er is zelfs geen aureool om het kleine hoofdje en geen lichtglans in de stal. Het is een doodgewone baby, met kromme beentjes en nageltjes aan zijn vingers en tenen. Van deze baby zeggen we: dat is God de Zoon! Hier breekt onze logische geest z'n nek. Wie dit gevoel van verbrijzeling, verbijstering en verbazing niet kent, mag z'n hart weleens goed nazien en kijken of het wezenlijke van het Evangelie al wel tot hem is doorgedrongen. Dat wezenlijke is: God is mens geworden en dat niet puur om ons de ware menselijkheid voor te leven, maar om ons menszijn uit de afgrond van de verlorenheid te redden' (A. A. van Ruler, Ik geloof).
Een volkomen Zaligmaker
We raken hier aan de kern van de zaak. Waarom is de Zoon van God als een klein Kind geboren? Omdat ónze ellende begint bij onze ontvangenis en geboorte.
'Wat nuttigheid' zo vraagt de Heidelbergse Catechismus, 'verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus? Dat Hij onze Middelaar is en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt' (Zondag 14, vraag 36).
Dat de Zoon van God Mens geworden is, Kind geworden is, kan alleen verstaan worden tegen de donkere achtergrond van Psalm 51: 7: Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen'. Onze totale verdorvenheid vangt niet aan als we eenmaal volwassen zijn geworden, zelfs niet als we leren lopen en praten. Onze verdorvenheid is met ons mens-zijn gegeven. Verder dan onze herinnering teruggaat, zelfs éér we er waren, was de zonde er, de totale verdorvenheid. Het is niet de zonde die we doen, die ons tot zondaren maakt. Het is het feit dat we zondaren zijn.
En daarom hebben we een Borg nodig, Die onze zondigheid en verdorvenheid voor Zijn rekening neemt. Niet voor een deel, zelfs niet voor het allergrootste deel, maar van het uur van onze ontvangenis af.
De loochening van de onbevlekte ontvangenis en van de maagdelijke geboorte van Christus kan dan ook alleen daar bestaan waar de zonde en de verdorvenheid niet voor de volle honderd procent serieus genomen worden. Waar de verdorvenheid volkomen is, daar is ook een volkomen Zaligmaker nodig.
Uit een vrouw — onder de Wet
Dat God de Zoon in ons menselijk vlees 'geworden is uit een vrouw en geworden onder de Wet', blijkt al terstond bij Zijn besnijdenis, op de achtste dag na Zijn geboorte. Hij had als zondeloos Kind deze besnijdenis niet nodig, maar onderging haar vrijwillig omdat Hij, Kind als alle andere kinderen, Zich wilde onderwerpen aan de Wet, om hen die onder de Wet waren te kunnen verlossen.
Op de veertigste dag wordt het Kind Jezus (bij Lukas ook opvallend vaak 'het Kind Jezus' genoemd) aan de Heere voorgesteld in de tempel, wordt het reinigingsoffer gebracht en de losprijs voor de eerstgeborene betaald. Ook hier geldt volledig: 'Geworden onder de Wet'. In niets is het Kind onderscheiden van alle andere kinderen.
Het volkomen Kind-zijn blijkt trouwens ook in het opgroeien. De Heilige Schrift is uiterst schaars wat betreft de gegevens uit de kinderjaren van de Heere Jezus. Maar we weten genoeg om te kunnen vaststellen dat Hij als klein Kind volkomen afhankelijk was van de verzorging en de leiding van Zijn ouders (denk aan de vlucht naar Egypte). Lukas vermeldt herhaaldelijk en nadrukkelijk dat Jezus bij het groter worden toenam in wijsheid en in kennis en dat Hij Zijn ouders gehoorzaam en onderdanig was.
'Dat het Woord een klein Kind geworden is, onmachtig om het Woord te spreken; dat het Leven sterfelijk geworden is; dat de heerschappij onderdanig is aan een arme timmerman; dat de Heere des Verbonds besneden is; dat de God van de tempel Zich heeft laten voorstellen in de tempel; dat de Wijsheid is onderwezen; dat de Oneindige is toegenomen in grootte en dat de Voeder van alles gespijzigd is ... en dat dit alles maar een voorspel en een beginsel is geweest van Zijn lijden! O wonderlijke toelating, o wonderlijke lijdzaamheid, o wonderlijke nederigheid'. (Isaac Ambrosius, 'Het zien op Jezus').
Worden als een kind
Wanneer het geloof zó dit Kind mag zien, is er een rijke vertroosting. Hij Die in de kribbe ligt, een Kind als alle andere kinderen, is de volkomen Zaligmaker. Hij bedekt mijn zondig leven en zelfs mijn zondige aard met Zijn gerechtigheid en heiligheid, van het uur van mijn ontvangenis af. Wanneer David bidt: 'Gedenk niet de zonden mijner jonkheid', dan kan dat gebed alleen maar verhoord worden terwille van Hem Die in de kribbe ligt en Die de toorn van God gedragen heeft van het begin van Zijn menswording af. Hij is de Zaligmaker van de wieg tot het graf.
De vraag is: Hoe krijg ik deel aan die volkomen zaligheid, aan die volkomen verlossing? Het antwoord moet luiden: Door te worden als een kind. 'Indien ge niet wordt als een kindeke', heeft de Heere Jezus gezegd, 'ge zult in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.
Er wordt weleens gezegd dat het Kerstfeest bij uitstek een feest voor de kinderen is. Dat is natuurlijk waar: ook kinderen zijn welkom bij de kribbe van Bethlehem. Maar Kerstfeest is bij uitstek een feest voor mensen die hun hoogheid en hun grootheid leerden verliezen, die van hun troon zijn afgetrokken om nederig te knielen bij de kribbe van Bethlehem. Voor hulpbehoevenden, die zichzelf niet meer kunnen helpen en die alle hulp verwachten van dit hulpeloze Kind.
In de wereld verwachten we het van alles wat groot en sterk is. Maar in het Koninkrijk der hemelen geldt de omgekeerde volgorde. De minsten zijn de meesten, de hoogsten zijn de laagsten, de grootsten zijn de kleinsten. Het heil dat God bereid heeft in dat Kind is niet voor hen die iets bezitten, maar voor hen die alles missen. Voor hen die worden als een kind ...
Afhankelijkheid en gehoorzaamheid
Wat is nu het kinderlijke van een kind? Dat is — zie het maar in het Kind Zelf — de afhankelijkheid en de gehoorzaamheid. Allereerst de afhankelijkheid. Een klein kind kan zichzelf niet helpen, het moet verzorgd en gevoed worden. Het moet leven van wat het krijgt. Het kan niet in eigen onderhoud voorzien, het is helemaal op de ouders en verzorgers aangewezen.
Dat is nu ook het leven van Gods kinderen. Ze hebben niets van zichzelf, ze moeten leven van wat ze krijgen. Ze moeten het hebben van de barmhartigheid Gods. Dat geeft een onbezorgd leven: niets in onszelf, alles in Hem.
En vervolgens de gehoorzaamheid. Een kind gelooft onvoorwaardelijk wat vader of moeder zegt. Het komt niet in het kind op: 'Zou dat wel waar zijn?' Het is waar, want vader of moeder zegt het. Dat is nu het kinderlijke geloof, gehoorzaamheid aan wat de Heere zegt. 'God voor een eerlijk Man houden' (Kohlbrügge). Zonder tegenspreken de Heere gelijk geven. Het geloof richt zich onvoorwaardelijk op de gewisse beloften Gods. Het is waar, want de Heere heeft het gezegd, de Heere heeft het beloofd. Zou Hij het zeggen en niet doen? Het lijkt zo eenvoudig, afhankelijk en gehoorzaam te zijn. Zich laten leiden, doen wat de Heere zegt. Maar van óns uit is het het moeilijkste dat er is. Het is van óns uit zelfs onmogelijk. Maar het is tóch te leren. Van Hem Die groot was en klein geworden is. Van de Koning der koningen. Die als een hulpeloos Kind geboren wilde worden. Die niets geworden is voor hen die meenden iets te zijn. En door de Heilige Geest, Die Hem een lichaam heeft toebereid in de schoot van de maagd Maria, en Die levens vernieuwt door grote mensen klein en zelfstandige mensen afhankelijk te maken.
Hier is de wijsheid ongeacht,
Hier geldt geen adel, staat noch pracht.
De hemel heeft het kleen verkoren.
Al wie door ootmoed is herboren
Is van het hemelse geslacht.
Ridderkerk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's