Tot mij
En vanwaar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt. Lukas 1 vers 43
Het werd een feestelijke ontvangst daar in het huis van Zacharias. Maria kwam op bezoek, en groette Elizabeth. Elizabeth heette haar hartelijk welkom. Haar of Hem? Wie was zij? De moeder des Heeren. Wie was Hij? Mijn Heere. Eigenlijk kwam de Heere bij Elizabth, Zijn allereerst bezoek. En heel het evangelie wordt beknopt aan de orde gesteld als zij uitroept: Tot mij. Zij viert al Kerstfeest. Want ieder die het feest viert heeft zich daarover verwonderd: Hij tot mij. In de wereld, dat is nog zo vrijblijvend. Tot mij, dan raken we er bij betrokken. Zou dat niet de Kerstverrassing bij uitnemendheid zijn, is dat ook niet het hart van de verkondiging. Dat ú heden geboren is. Wie ben ik en wat had ik verdiend. Dit en dan ik! Het is niet gewoon, o nee. Het sleurt mij mee, het overspoelt mij: tot mij. Vanwaar?
Wij kunnen breed uitwijden over het: dit. De vleeswording van het Woord, Christus die ons vlees en bloed aannam. Maar als ik met het 'mij' er buiten blijf, als het zo ver van ons vandaan blijft dan is het nog geen feest. ledere beschouwing - en er worden er heel wat ten beste gegeven - die de verwondering mist, doet geen recht aan dit overweldigend gebeuren, aan het nederbuigende van Gods genade. Wie is Hij die daar komt? Wie ben ik, dat Hij tot mij komt?
Ik. Wij menen, dat dit heel wat voorstelt, dat ik dus ... Ik voel me al gauw te kort gedaan; een lichte wrevel over miskenning en mislukking is niemand van ons vreemd. Ik kom toch wel in aanmerking voor geluk en gelijk. Wat ik krijg, komt mij eigenlijk toe. Vanwaar, waaraan dank ik het? Het is min of meer vanzelfsprekend. Zo aanvaard ik het, daarom heeft het niets feestelijks. Arme mens, die nooit stamelt: tot mij!
Op de keper beschouwd: als we eens kregen wat wij verdienen! Verschrikkelijk. De zonde verdient de dood. Niet te gauw toestemmen, eerst eens tot u door laten dringen. Als God binnen onze gezichtskring komt - u mag het ook omkeren: als wij binnen Gods lichtkring komen - dan ontdekken we dat. Wij zijn keurige mensen, kerkse mensen, de waarheid toegedaan - wie vult daar in: van harte? - En wat dan nog. Voor God zijn wij schavuiten. Komt Hij tot ons, dan zouden we weg willen lopen, weg willen kruipen
Roemt Elizabeth soms in haar deugden, in haar godsdienst? Zegt ze: Hier bent u, Heere, aan het goede adres. Hier moest u zeker wezen, dat dacht ik al. U weet ze wel te vinden, die het verdienen, die u een goed hart toedragen. Niets daarvan. Wij moeten toegeven, ze had meer om zich in te beroemen dan u en ik. Zij en haar man waren beiden rechtvaardig voor God, wandelend in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk. Ze gaat er echter niet prat op, o nee. In het 'tot mij' belijdt ze haar onwaardigheid. Dat 'ik' zet zich schrap, het houdt de deur dicht voor Christus. Zet het liever op zij; dan gaat de deur open. Waar de Heere binnenkomt, daar moet ons ik het veld ruimen. We sterven er aan, om te leven van: Hij! Hij, Christus Jezus, de Heere. Hij zoekt de braven niet uit en de vromen. Hij vindt ze niet thuis. Ze zijn nooit, waar ze wonen: in de arme zondaarssteeg. En die steeg slaat Hij in. Groot komt naar klein, hoog gaat met laag om. Daarin wordt genade verheerlijkt. We worden met onze verwachting te schande. Dat is voor de Heere geen bezwaar. Ziet, hier ben Ik.
Verootmoediging en verwondering gaan altijd hand in hand. Hij kan naar mij toekomen, verklaren wij trots. Ik blijf waar ik ben; ik blijf wie ik ben en daarmee uit. O wee! Daarmee uit. Hij heeft de hovaardigen verstrooid in de overleggingen van hun hart, zal Maria zingen. Wat wilt u met de Kerstdagen? Wilt u de roof delen met de hovaardigen? Of nederig van geest zijn met de ootmoedigen. Spr. 16: 19. De ootmoedigen leven niet van de roof, zij leven van de geef. Ik kom naar u toe, want u kunt nergens meer komen. Dat is Gods verrassing. Vanwaar? De genade is het morgenrood van deze dag. Johannes valt later zijn moeder Elizabeth bij: Komt Gij tot mij. Een hoofdman: Heere, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak inkomt. En Petrus: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens. Wij hebben de schepen achter ons verbrand en ziet daar: Er komt een schip geladen.
Dat is Kerstfeest. Een feit, een heilsfeit. Het feit wordt een feest. Tot mij. Hoe was het in de weken van advent? Druk, te druk. Ik kwam nauwelijks aan de voorbereiding toe, en dat strekt mij niet tot eer. Ik kon er ditmaal zo moeilijk inkomen. Een feestganger, ik vrees van niet. U behoeft zich niet uit te sloven en niet uit te dossen. Waarmee zou u dat doen? Met de werken der wet. Het feest is een feest des geloofs. Wilde u nog wat gerechtigheid achter de hand houden, voor het geval dat de Heere er naar vroeg? Onze gerechtigheid; vodden en lompen zijn het, meer niet. Werpt ze weg. En dit is de naam, waarmee gij Hem noemen zult: De Heere, onze gerechtigheid. Zo komt Hij tot ons, met Zijn Woord, door Zijn Geest. In onze armoede, in onze nood, in onze ellende. Soms beseffen wij die zo sterk, dat er niets feestelijks te beleven is. Behalve dit: tot mij. Toch! Ten spijt van alles, op grond van genade. Dat is een goede grond.
In weinig woorden wordt veel gezegd. Hoe vérstrekkend. Tot, dat is niet een eindweegs. De Heere benadert ons niet, op hoop dat wij Hem wat tegemoet komen. De touwladder wordt neergelaten tot op de bodem van de put. Zit u in de put? Hij komt, om u daar te bezoeken, waar geen welwillende mensen u bereiken kunnen. Eenzaam ben ik. Ik ben niet te spreken over mijn lot. Ik ben niet te spreken voor mijn God. En toch die wens— o geen vrome wens — Hoe lang Heere? Tot. Dat is geen sprong, dat is een pad. Een lange, bange weg. Het kruis, daar loopt het op uit. Hoe komt u hier, Heere, in de Godverlatenheid van mijn leven. Wat zoekt u Heere, waar alles even weerzinwekkend voor U is. Ik zoek u, zegt de Heere Jezus. Ik kom tot u. Ik laat Mij door niets en niemand weerhouden. Dan breekt mijn hart — voor de eerste, voor de zoveelste maal — dan snik ik het uit: Vanwaar, tot mij. Waar ons hart vol stroomt van verwondering, daar houden wij het niet heel! Nog één, twee dagen, dan is het zo ver. Kerstdag, de Kerstdagen. Ze dreigen te verdrinken in de vrije dagen die wij 'nemen'. We knopen er enkele snipperdagen aan vast. We verwachten misschien bezoek. We gaan ook naar de kerk, deze dienst verzuimen wij niet. Eerlijk gezegd we weten al wat er komt. Weet u Wie er komt? De Heere komt. Werd daarmee gerekend?
Daar durf ik niet op te rekenen. Tot mij, dat is de klip waarop mijn Kerstoverdenking strandt. Tenzij ... Het is uitsluitend aan Hem te danken. Zo wordt de dag ons gegeven, zo wordt Christus ons geschonken, zo mag ik Hem ontvangen. Hij maakt het waar, voor jong en oud.
Prettige feestdagen. Dat klinkt soms wrang, het klinkt altijd koel. Goede Kerstdagen gehad? Wat noemt u goede Kerstdagen? De weerklank van het evangelie in onze harten. Ons te goed doen aan de genade, een overvloed van genade. Hij, Die tot mij komt, brengt alles mee. Wat ik in leven en sterven nodig heb. Alle dingen met Hem. Hij tot mij. Dat is Hij voor mij. Dat is: Hij van mij.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's