Terugzien en vooruitzien
Opnieuw gaan we een drempel over in de kringloop van de jaren. Drie kwart deel van de twintigste eeuw ligt al achter ons en nog een kwart deel voor ons. Wie kan zich indenken dat we zo ooit de drempel van het jaar tweeduizend zullen overschrijden? Zal God ons — persoonlijk en als wereldbevolking — die tijd nog geven? Zo ja dan is het er eerder dan we denken. Nog vijfentwintig jaar, jawel, maar waar zijn de vijf en twintig jaar gebleven na 1950? Vanaf het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog is het al weer 35 jaar. We vliegen daarheen. Ook naar het jaar 2000, maar weer zeg ik ... als God het ons geeft. Het lijkt intussen wel alsof in de dynamiek van deze tijd, van deze onstuimige twintigste eeuw de dingen steeds sneller over elkaar heen tuimelen. Maar door alles heen is er één centraal begrip: crisis!
Terugblik
Die crisis was er én is er ook in de kerk. Dat zeggen we óók als we terugzien op het jaar 1974. Een geloofscrisis, zegt men. Jawel, maar dan ook allereerst een crisis in het belijden. Een crisis, die we in de Hervormde Kerk al zo lang kennen — zien we deze nog wel? — maar die zo langzamerhand ook andere kerken in de greep kreeg. Aangrijpend is wat zich in korte tijd in dit opzicht afspeelde in de Gereformeerde Kerken. Daar spitsten de dingen zich toe rondom de verzoeningsleer van dr. H. Wiersinga.
Is dit het niet wat het ernstige van de crisis uitmaakt, dat het oordeel begint bij het huis van God? We kennen in eigen kerk de ernst daarvan. De uitlatingen van prof. Smits over de verzoening liggen ons nog vers in het geheugen: 'geef mijn portie maar aan fikkie, het is mijn eer te na dat een ander voor mij moet betalen.' Daarom te meer grijpt het ons aan als we zien, dat in een kerk van gereformeerde confessie, waar de belijdenis lange tijd spreekregel van de kerk was, nu óók het hart van het evangelie in de kern werd geraakt. Ook Wiersinga weet geen raad meer met het hart van het evangelie, namelijk, dat Christus voor vijanden in de dood ging en de toorn van God plaatsvervangend heeft gedragen.
Maar Wiersinga staat niet alléén. Daarom heeft de discussie om hem als het ware het hele kerkelijk gereformeerde leven van het afgelopen jaar beheerst. De gereformeerde synode begon met aarzelen, tweeslachtig te spreken: géén maatregelen tegen Wiersinga, gezien 'de gebleken gemeenschap in geloof en belijden', maar verwacht mocht worden, dat Wiersinga zich in woord en geschrift zou houden aan de bijbelse leer der verzoening. Na aandrang van velen uit deze kerken spitste de synode de zaak toe door te stellen: 'door te ontkennen dat Christus in onze plaats het gericht van God gedragen heeft, tast dr. Wiersinga een essentieel bestanddeel aan van de verzoeningsleer van de confessie en doet hij te kort aan de rechte prediking van het evangelie' (zie elders in dit nummer van ons blad). Maar niet zodra is deze verduidelijking, deze toespitsing gekomen of zestig gereformeerden, waaronder de hoogleraren Hartveld, Honig, Rothuizen, Firet, Mulder, en Schipper, alsook dr. O. Jager, moeten publiekelijk zeggen geschrokken te zijn van deze synodale beslissing. 'We verlangen naar een kerkgemeenschap, die niet allereerst bezorgd is om het bewaren van de band met het eigen verleden en het behoud van eigen identiteit maar die met haar traditie durft binnentreden in bredere oecumenische verbanden ...' Door deze uitlatingen te plaatsen in het kader van de bezorgdheid om het afwijzen van Wiersinga's alternatieve verzoeningsleer, laadt men op z'n minst de schijn op zich Wiersinga's opvattingen als een poort tot het binnentreden van die genoemde oecumenische verbanden te zien. Onbegrijpelijk, maar tegelijk diep aangrijpend!
Deze crisis, deze crisis in het belijden grijpt zo ongelooflijk diep in, dat de geloofscrisis hier Wel zeer mee bevorderd wordt. Als Christus niet in onze plaats de toorn van God gedragen heeft, wie zal het dan wel doen? Dan blijven wij mensen in onze zonden.
Zien wij terug op het jaar, dat achter ons ligt, dan is dit het aangrijpende, dat méér en meér openbaar kwam, dat wij mensen, zoals we van nature zijn, vijanden zijn van het kruis van Christus. Aan één van onze universiteiten, namelijk in Leiden, kwam dat in alle duidelijkheid openbaar toen prof. Couprie het academisch jaar — publiek — opende. Hij gaf een anti-getuigenis. Vroeger had hij belijdenis gedaan. Het was een vreugdevolle dag. Nu denkt hij met 'walging' terug aan die dag. Hij heeft met dat geloof van vroeger gebroken. Want door dat geloof, waardoor men altijd maar weer verwezen wordt naar een Ander, die het voor ons gedaan heeft, die in onze plaats kwam staan, komt een mens aan zelfverwerkelijking, aan zelfontplooiing niet toe. Geef mijn portie maar aan fikkie. Maar wat Couprie heel cru heeft gezegd komt in theologieën van onze tijd meer verhuld naar voren. Niet 'Hij voor ons, daar wij anders de eeuwige dood zouden moeten sterven', maar wij voor elkaar, omdat anders deze wereld eraan gaat.
Het jaar 1974 was een jaar van de strijd om (of tegen) de verzoening. Dat komt naar mijn gevoel boven drijven als we een terugblik geven. En waar begint zo'n ontwikkeling? Daar waar we de Schrift en de belijdenis loslaten. Het kan beginnen daar waar we het belijden gaan uitspelen tegen de belijdenis, omdat we met de werkelijke inhoud van de belijdenis geen raad weten. Zulke ontwikkelingen elders zijn een baken in zee voor allen, die orthodox gereformeerd willen zijn, ook voor onszelf. Want als onder een gereformeerde mantel onbijbelse gedachten verbreid gaan worden, dan worden velen misleid en gaan ogen pas open als het voor velen al te laat is. Gereformeerd zijn is met een naam niet te maken.
Crisis in het volksleven
De crisis van het belijden, de crisis van het geloof, heeft zijn weerslag op het hele publieke leven. Zien we terug op het jaar 1974 dan geldt ook voor onze samenleving: voortdurende en toegespitste crisis! God werd meer en meer gedrongen naar de randen van 't publieke leven. Zijn Naam en Zijn gebod worden nog sporadisch gehoord in de ontwikkelingen binnen ons gemenebest. En de strijd tegen het bestaande, en ook tegen het (ongeboren) bestaan nam in hevigheid toe. De geest van wetteloosheid grijpt om zich heen. Wanneer de tekenen van het evangelie verdwijnen komen er onherroepelijk antichristelijke tekenen voor in de plaats. En het oordeel begint van het huis Gods. Als de kerk de waarheid opgeeft, de diepe waarheid van de verzoening, zal dan de wereld niet moeten vragen: wat is eigenlijk waarheid, ook in de ethische vragen en problemen?
Uitzicht?
Intussen is ons het woord van God gelaten, evenals de vrijheid om dit Woord te verkondigen. Dat kan ook gezegd worden van 1974. Als we dan vooruitzien wisselen vrees en hoop elkaar af. Halen we het jaar 2000 wél of nóg? Wachten ons catastrofen, economisch, geestelijk en zedelijk, in de verhouding tussen de volkeren? Dat is de vrees! En de hoop is: we hebben het profetisch Woord, dat zeer vast is en we doen er goed aan er acht op te geven als een licht, dat schijnt op duistere plaatsen en dus ook in duistere tijden. Maar we beseffen, dat we niets minder nodig hebben dan een réveil, een geestelijk én éen ethisch reveil; een reveil waarin rechtvaardiging en heiliging om zo te zeggen hand in hand gaan; een réveil, waardoor mensen worden bevrijd van eigen zondig bestaan en vrede en ruimte vinden in de ander, die in onze plaats kwam staan, Jezus Christus en Die gekruist, maar waardoor dan ook de echte bewogenheid gegeven wordt om uit te gaan naar anderen, die ten dode wankelen, én geestelijk én vanwege sociale nood. Een geestelijk én een ethisch reveil, zodat mensenlevens worden vernieuwd maar eveneens de samenleving, omdat weer gevraagd wordt naar normen, die heilzaam en helend zijn.
Er verschijnt in onze tijd een vloedgolf van lectuur, onchristelijke — méér dan ooit — anti-christelijke — óók meer dan ooit — maar ook christelijke — in welke vorm dan ook, eveneens méér dan ooit. En soms denk je met het Schriftwoord: 'van veel boeken te maken is geen eind en lezen is vermoeiing van het vlees'. Maar het zou kunnen zijn, dat er opeens een boek of geschrift is, dat de ziel van het volk weet te raken, zodat we komen tot inderdaad een geestelijk en een ethisch reveil. Zoiets maken we niet. Zo'n réveil wordt gegeven door de Heilige Geest. Ds. J. H. Velema schreef een boekje: profeet sta op! Zal het aan onze tijd nog gegeven worden, dat een profeet opstaat? Niet iemand, die zichzelf de profetenmantel omhangt. Die mantel is namelijk altijd te wijd en zo zijn er al té veel geweest, die zichzelf tot profeet — de laatste zelfs — hebben uitgeroepen. Maar een profeet, die Gód ons geeft, die alleen maar het profetisch Woord spreekt, maar zó dat het in Zijn veroordeling en belofte weer gehoord wordt, in het persoonlijk leven en publiekelijk!
We zien vooruit met de bede of God zó de profetie ons wil (her)geven en een geestelijk en ethisch réveil ons schenken wil. Dan zal er heel wat sneuvelen. Dan is het óók niet zo, dat er één kerk of kring is, die van de noodzaak van zo'n réveil uitgesloten is. Sneuvelen moeten dan wetteloosheid en wetticisme, goddeloosheid en eigengerechtigheid, activisme en lauwheid, verschraling en verstarring, belijdenisontrouw en belijdenisgetrouwheid zónder waarachtig leven.
Op de grens van de jaren kijken we om en vooruit. Crisis en uitzicht! Crisis allerwege, maar uitzicht alleen van God uit.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 december 1974
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's