De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Bevinding in de Bijbel

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bevinding in de Bijbel

1

11 minuten leestijd

Herhaaldelijk zien publikaties het licht waarin op de een of andere wijze een pleidooi wordt gevoerd voor de innerlijkheid van het geloofsleven of, zoals het ook wel eens wordt genoemd, voor de bevinding.

Wij denken o.a. aan het enkele jaren geleden verschenen themanummer van het maandblad Wending, Het Innerlijk Leven (1960). Wij denken aan diverse artikelen van wijlen professor Van Ruler. Wij denken ook aan de huidige literatuur die zich bezighoudt met spirualiteit en mystiek.

In tijden dat de kerk te dogmatisch verstard raakt of te praktisch geëngageerd, gaan er altijd weer stemmen op die haar herinneren aan het woord van de Heere Jezus in Lucas 17 'Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat en men zal niet zeggen: Ziet hier of ziet daar; want ziet het Koninkrijk Gods is binnen u' (vs. 20 en 21).

De kerk in Nederland kent haar tijdperk van de Nadere Reformatie; de kerk in Duitsland die van het Piëtisme; en de kerk van Engeland die van het Puritanisme. Bij alle verschillen die er ongetwijfeld zijn tussen deze bewegingen, hadden zij toch alle drie dit gemeen, dat zij opkwamen voor het goed recht en zelfs de noodzakelijkheid van de bevinding, met andere woorden: voor het beleven van wat men belijdt te geloven.

Doch ook buiten deze kerkelijke stromingen worden wij tot in de huidige tijd toe gewaar een verlangen naar geestelijke warmte, naar een persoonlijk betrokken zijn bij het heil. Wie de tekenen van de tijd verstaat, leest in wat er op het moment op christelijk erf allemaal over spiritualiteit en mystiek verschijnt, hoe bizar het soms ook is, het hartstochtelijk verlangen naar een persoonlijke Godservaring. Er kan daar erg kritisch over gedaan worden, en stellig is dat ook nodig, maar dit verlangen op zich mag toch niet over het hoofd worden gezien; het zal met name voor diegenen die het kerkzijn laten opgaan in een maatschappelijk en politiek geëngageerd zijn een teken aan de wand moeten zijn.

Aangezien wij van oordeel zijn dat de bevinding een bijbelse en dus een volstrekt legitieme zaak is, willen wij in een tweetal artikelen nagaan wat daarover in de Schrift te vinden is. Uiteraard zullen door ons slechts enkele lijnen getrokken kxmnen worden en zullen wij uit de veelheid van de gegevens slechts enkele grepen kunnen doen.

Een drietal opmerkingen moge vooraf gaan, bij wijze van inleiding. In de eerste plaats deze opmerking: men zal niet alles wat zich op dit terrein aandient over één kam mogen scheren. Zo is bevinding niet gelijk te stellen aan mystiek, al hebben beide wel raakvlakken, en al is het waar dat de bevinding in een zekere vorm van mystiek kan overgaan. Wij doen echter goed toch beide van elkaar te onderscheiden. Bij mystiek zal gedacht moeten worden aan een bepaalde leer, een systeem, een techniek. Mystiek is nooit gemeengoed, zij is er alleen voor hen die er aanleg voor hebben, en die zich ervoor willen inspannen. Mystiek is ook niet uitsluitend christelijk; er zijn ook buitenchristelijke vormen van mystiek, als b.v. de mohammedaanse. In de mystiek komt men slechts via een lange weg tot het gewenste doel; zij is althans in haar beginstadium een via negativa, een weg van ontkenning, van negatie, van verloochening, van mortificatio, van doding. Als langs een ladder klimt de ziel op. Het eindpunt is niet zozeer het kennen van God als wel het éénworden met God — of zoals men zich liever uitdrukt — met de Godheid, ook wel het Al genoemd. Mystiek beweegt zich op de rand van het pantheïsme, de idee dat alles goddelijk is; zij heeft op z'n minst de neiging om de grens tussen God en mens te overschrijden of zelfs uit te wissen. Bevinding is heel wat anders. Zij is niet slechts gereserveerd voor enige daartoe gedisponeerde christenen, zij is eigen aan elk waar christen. Zij is naar haar aard ook niet een techniek; want zij is niet een menselijke prestatie; zij is het werk van de Geest. Wat wij onder bevinding verstaan, kan zich ook nergens anders voordoen dan onder christenen; bevinding is het werk van de Geest van Christus. Zij overschrijdt ook niet, gelijk de mystiek, de grens die er is tussen God en mens; zij vindt haar voldoening in het kennen van God, in het bezitten van God; de twee-heid God én mens blijft in haar bewaard.

Onze tweede opmerking is dat het woord 'bevinding' als zodanig in de Schrift één keer slechts voorkomt en dan nog alleen in een speciale zin. In Rom. 5 : 4 lezen wij dat de lijdzaamheid bevinding werkt en de bevinding hoop. Wij citeerden de Statenvertaling. In de vertaling van het Ned. Bijbelgenootschap staat dat de volharding bepróefdheid werkt en de beproef dheid hoop. Het Griekse woord dat dus óf door 'bevinding' óf door 'beproefdheid' wordt vertaald is dokimè. Letterlijk betekent dokimè beproefdheid, echtheid. Het woord ziet op wat het resultaat is van iemands standhouden in lijden, strijd en aanvechting. En ongetwijfeld is dat een deel der bevinding. De bevinding gaat niet op in deze dokimè, maar de dokimè behoort er wel toe.

Hoewel dus in de Schrift de bevinding in de door ons gebruikte zin niet letterlijk voorkomt, komt toch de zaak die ermee aangeduid wordt wel degelijk voor in de Schrift.

Dit leidt ons tot onze derde opmerking, zij raakt de verhouding die er is tussen de Schrift en de bevinding.

Het spreken over bevinding heeft vaak weerstanden opgeroepen. Men vreesde, dat naast de Schrift nog een andere bron van onze Godskennis werd geponeerd. Men had vaak allerlei verschijnselen voor ogen die zich aandienden als bevinding en waarin men het geloof van de apostelen en profeten niet kon herkennen. Het zij toegegeven, dat er inderdaad aan deze weerstand tegen de bevinding menigmaal voedsel is gegeven. Men heeft dan echter te maken met het bederf van een op zichzelf genomen volstrekt legitieme zaak. Van niemand mag geëist worden dat hij onkritisch alles wat zich als bevinding aandient, accepteert. Gods Woord aanvaarden wij als de kritische maatstaf voor geloof en leven, derhalve ook voor al wat bevinding heet.

Tussen wat de Schrift leert en wat door bevinding gekend wordt, mag geen tegenspraak zijn en kan ook eigenlijk geen tegenspraak zijn. De Schrift wordt door ons aanvaard als het boek dat geschreven is door de heilige mannen Gods, en die werden daarin gedreven door de Geest; Gods Woord, de Heilige Schrift is het boek van de Geest. Het is alleen de Geest die de diepten Gods kent en Hij heeft ze ons door Christus en door het getuigenis van apostelen en profeten geopenbaard. Het is onmogelijk dat deze Geest in de toepassing van het heil — en dat is de bevinding — ontrouw zou worden aan hetgeen Hijzelf aangaande dat heil en aangaande de weg daartoe in Zijn Woord, in de Schrift geopenbaard heeft. Wij zien dan ook altijd, dat waar de Geest werkt in de harten van zondaren, Hij deze zondaren leidt naar het Woord toe. Het is het Woord dat Hij in hun harten brengt; zelfs heeft het de schijn alsof alléén het Woord het doet; de Geest echter is de verborgen Leermeester die in en door dat Woord Zijn werk in die zondaren doet.

Daarom behoort ook het eerbied en ontzag hebben voor de Schrift als het Woord Gods tot de ware bevinding; het is er een deel van. Hoewel hier nog veel over te zeggen zou zijn, willen wij het er toch bij laten.

Na deze inleidende opmerkingen gaan wij nu over tot de zaak zelf. Wij willen ons dan eerst bezighouden met de vragen rondom het komen tot het heil. Er is nl. een leven binnen en vanuit het heil, maar er is ook een weg naar of tot het heil. Over het leven binnen en vanuit het heil hopen wij het de volgende keer te hebben. Dus nu over de weg tót het heil. Enkele grepen doen wij uit hetgeen de Schrift daarover leert.

Duidelijk stelt de Schrift dat het heil ons niet gegeven is met onze natuurlijke geboorte als zodanig. Om het Rijk Gods in te gaan, moeten wij tweemaal worden geboren. Onze natuurlijke geboorte uit onze ouders maakt ons tot mensenkinderen; alleen de wedergeboorte uit de Geest maakt ons tot Gods kinderen. Nicodemus, een jood, dus behorend tot het oude bondsvolk Israël, en zelfs een rabbi, een theoloog zouden wij zeggen, kreeg van de Heere Jezus Christus te horen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien' (Joh. 3:3). Hetzij vroeg of laat zal er met de mens iets gebeuren moeten, zal hij een kind van God worden en een erfgenaam van het Koninkrijk der hemelen. Wie nagaat wat er in de Schrift gezegd wordt over dit gebeuren, ontdekt dat verschillende namen opduiken. Er wordt over roeping gesproken, over bekering, over rechtvaardiging, over heiliging, over verheerlijking. Het zijn allemaal woorden of begrippen die slaan op een diep-ingrijpende werkelijkheid in 's mensen innerlijke en uiterlijke leven. Te veel en te vaak is dat in de beoefening van de theologie niet begrepen of vergeten. Aan het beoefenen van de theologie als wetenschap, hoe nodig zij ook is, kleven bepaalde gevaren; wanneer zij in het louter intellectuele en soms ook het speculatieve vlak getrokken wordt, doet zij ons vervreemden van de geweldige werkelijkheden waar het over gaat.

Wij nemen een woord als 'bekering' tot voorbeeld. Hoeveel kan er niet over gezegd en geschreven worden, waarin onvoldoende of zelfs helemaal niet doorkomt wat die bekering eigenlijk is. Bekering is niet een begrip waar men theologisch wat mee spelen mag; zij ziet op een werkelijkheid die ervaren wordt als een ingrijpend gebeuren.

Koning Manasse, in de gevangenis geworpen, kwam tot bekering, en dat was nogal wat. Wij lezen dat deze bekering gepaard ging met een grote benauwdheid, met een diepe vernedering voor Gods aangezicht en met veel bidden en smeken (2Kron. 33:12—13).

De drieduizend mensen die op de Pinksterdag tot geloof en bekering kwamen, werden verslagen in het hart (Hd 2 : 36). Het Griekse woord katanussoo, dat hier gebruikt wordt, betekent eigenlijk: rgens doorheen steken b.v. met een priem. Het was dus een zeer gevoelige, een zeer smartelijke ervaring.

Wanneer Saulus van Tarzen op de weg naar Damaskus tot bekering komt, wordt hij dermate overweldigd door de tegenwoordigheid Gods dat hij zich niet meer op de been kan houden, ter aarde valt en zeer bevende en verbaasd uitroept: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal ? (Hd 9:6).

De weg tot het heil is, zo leert ons de Schrift, niet voor allen even gevoelig, even smartelijk. Een bepaald model, waarnaar elke bekering dient plaats te vinden, biedt de Schrift niet. Maar wel zijn er in het getuigenis van de Schrift dienaangaande bepaalde momenten die steeds terugkeren. Tot die momenten behoren de kennis, niet slechts een intellectuele maar een bevindelijke kennis, van zonde, eigen schuld en ellende; het zich vernederen voor God (denkt aan Manasse); het gaan tot God in Jezus Christus om genade (wij denken aan de tollenaar in de tempel), het toevlucht nemen tot Christus als de enige Redder en Behouder, met een volkomen afzien van alle eigengerechtigheid; het zich overgeven aan Hem, het vertrouwen op Hem, het zich toeëigenen van Hem, te weten gelijk Hij door God gegeven is, tot onze rechtvaardiging, heiliging en verlossing (1 Cor. 1 : 30) en het zich voornemen om van nu en voortaan anders d.w.z. voor God, in Zijn dienst, te leven.

Al deze momenten komen wij herhaaldelijk in de Schrift tegen. Niet in een systematische volgorde; Gods weg in het toebrengen van zondaren is vrij. Wat bij de een vooropgaat, kan bij de ander pas wat verderop komen. Wie de Evangeliën erop naleest, bemerkt dat de Heere Jezus de één zus heeft aangepakt en de ander zo; doch steeds zó, dat een totale ommekeer, een innerlijke en uiterlijke verandering er het gevolg van was. In het wezen der zaak beleefden allen hetzelfde; bovendien werden zij allen geleid naar hetzelfde doel.

Gods werk snijdt diep in in het hart en leven van de mens die door Hem bearbeid wordt. Het laat ons noch innerlijk noch uiterlijk onberoerd; het gaat niet langs ons heen. Dat is het wat in het woord bevinding tot uitdrukking wordt gebracht. Wie tot het heil in Christus is gebracht, kan zeggen dat er waarlijk wat met hem gebeurd is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Bevinding in de Bijbel

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's