Uit de pers
Geschiktheid voor het ambt
De kerkorde van onze kerk kent de bepaling dat studenten in de theologie na de verplichte examens gedaan te hebben de bevoegdheid hebben om te staan naar het ambt van dienaar des Woords, nadat er een colloqium, een gesprek met gedelegeerden voor de toelating tot de evangeliebediening heeft plaats gevonden. Dit gesprek vindt plaats vooral naar aanleiding van een door de kandidaat ingestuurde preek .Tijdens een synodediscussie in deze zomer is er i.v.m. deze zaak gesproken over de vraag naar de geschiktheid voor het ambt. Er is een voorstel aangenomen dat bepaalt, dat alle studenten hun medewerking moeten verlenen aan een onderzoek naar hun aanvankelijke geschiktheid voor het predikambt. Dit onderzoek zal verricht moeten worden door een daartoe in te stellen commissie. Tot dusver hadden de kerkelijke hoogleraren een zeker toezicht uit te oefenen, maar blijkbaar kwam hiervan minder terecht dan wenselijk was. Toch roept de nieuwe regeling de nodige vragen op. Ze worden o.m. gesteld door ds. A. A. Spijkerboer in zijn kroniek in het oktober-nummer van Kerk en Theologie. Hij schrijft:
Zal de commissie die de synode nu in wil stellen, beter voldoen? Hoe moet ze te werk gaan? Moet zij alle studenten uitnodigen voor een gesprek en moet ze op grond van een of meer gesprekken dan een oordeel vellen? Of moet zij alle studenten voor een weekje op 'Hydepark' uitnodigen en hen daar 'observeren'? Moet ze daarna gaan vergaderen over de vraag wie van de studenten er nog eens nader aan de tand gevoeld moeten worden? Lopen de studenten dan de kans om twee of drie weken na hun 'weekje' op 'Hydepark' een briefje te krijgen, waarin ze uitgenodigd worden nog eens te komen praten? Ze zouden met spanning de post afwachten en het zou me het weekje wel worden. Deze commissie komt — als ze haar taak ernstig neemt, en laten we aannemen, dat ze dat doet — voor een onmogelijke opgave te staan.
Wat houdt die 'geschiktheid' voor het ambt eigenlijk in? Sla ik de plank ver mis, als ik veronderstel, dat er bij die 'geschiktheid' vooral gedacht wordt aan mensen met, laten we zeggen, goede contactuele eigenschappen, of, om het wat breder te formuleren, aan mensen die goed 'functioneren'? Maar wie zegt dat je dan 'geschikt' bent voor het ambt? Zeker, als je moeilijk contacten legt is het niet gemakkelijk om predikant te zijn, en laten we eens aannemen dat daardoor de gang naar de kansel, de catechisatie-kamer, de kerkeraadsvergadering en het ziekenhuis voor iemand een martelgang wordt, betekent dat dan, dat er geen zegen op zijn ambtsbediening rust? Wie heeft de moed om te zeggen, dat er wel zegen zal rusten op het werk van een vlotte, gezellige jongen, die zonder meer een geslaagde dominee is? Zou Guillaume Farel met zijn wapperende rode baard en zijn woeste karakter 'geschikt' voor het ambt bevonden zijn? En Jacobus Koelman? Geen gemakkelijke man, maar wel een kei in zijn ambtsbediening.
Ds. Spijkerboer roert hier een probleem aan, dat niet gemakkelijk op te lossen is. Terecht voorziet hij allerlei gevaren bij verklaringen van een commissie. Welke maatstaven worden aangelegd? Wie heeft het charisma om hierin een zuivere weg te bewandelen? Wanneer is iemand geschikt? Wie de bijbelse roepingsgeschiedenissen leest komt daarin keer op keer tegen dat mensen, staande voor de roepende God altijd weer belijden: 'Wie is tot deze dingen bekwaam? ' Onvermogen en onwaardigheid zijn er aan onze kant. Maar de trouw van de roepende God is de belofte die moed geeft. Zal het in een pastoraat aan hen die zich voorbereiden op het ambt van dienaar des Woords niet vooral om deze facetten moeten gaan? Zal het gesprek niet vooral moeten gaan om de inzet, de motieven die iemand bewegen? Het gaat om de dienst aan het Woord in de ruimte van de gemeente. Woord en Kerk ... twee belangrijke zaken. Van dienaren van het Woord, staande in de kerk mag gevraagd worden of er liefde is tot deze dienst, liefde ook voor de kerk om des Woords wil. En de keerzijde van deze liefde is de ootmoed. Duidelijk moge zijn dat we met formele verklaringen, bepalingen of commissies weinig verder komen. Ten diepste is het een zaak van pastoraat aan (a.s.) pastores. En dat moge aller aandacht hebben.
Bevrijding
Elke tijd kent zijn themawoorden, die in allerlei beschouwingen terugkeren en soms een eigen leven gaan leiden. Zo'n woord is in onze tijd de term 'bevrijding', die volgens sommigen de essentie van het Evangelie juist in onze tijd uitdrukt. De Raad van Kerken hield er zich het afgelopen jaar en op een onlangs gehouden conferentie uitvoerig mee bezig: bevrijding tot geloof, gerechtigheid en gemeenschap. Een Kamper hoogleraar wijdde er een rede. aan, waarin hij naging hoe dit woord 'bevrijding' functioneert in de zendingstheologie en de ontmoeting tussen volkeren, culturen en religies. Nu zal niemand de betekenis van dit woord ontkennen. Maar wel rijst de vraag: Hoe wordt dit woord gevuld? Welke andere woorden uit het Evangelie komen er naast te staan? In de uitgave van de theologische etherleergang van de NCRVRondomhetWoord (nov. 74) zijn een aantal artikelen gebundeld die allen op het onderwerp 'Bevrijding' ingaan. De bijdragen zijn nogal verschillend van opzet en uitwerking zoals uiteraard bij een zo veelkleurige kring medewerkers te verwachten is. Toch troffen mij een aantal opmerkelijke dingen.
De oud-testamenticus, dr. C. van Leeuwen, noemt het begrip 'bevrijding' een van de centrale thema's van het Oude Testament, maar laat tegelijk zien, hoe voor dit ene woord verschillende woorden gebezigd worden, elk met zijn eigen inhoud. Hetzelfde toont prof. dr. J. Reiling aan voor het Nieuwe Testament.
Voorts wijst Van Leeuwen erop, dat bevrijding een heilsdaad Gods is, waarvoor Hij geprezen wordt, en dat die bevrijding ook een lossen en loskopen is. De bevrijding uit Egypte als daad Gods werd in benarde tijden pleitgrond en hoop voor nieuwe daden Gods. Israël moest er gelovig uit leren leven. Het heeft ook sociale consequenties voor de verhoudingen tussen de mensen (sabbatsgebod, sociale wetten). Maar, zo lezen we op pagina 8, Gods gaven van het leven in een vrij land en van de sociale geboden die ook de zwakken in het goede van het land en van de vrijheid willen doen delen, krijgen pas betekenis als de Israëlieten bereid zijn naar de geboden des Heeren te luisteren en te leven. De herinnering aan de bevrijding gaat in Deuteronomium 6 b.v. gebaard met de oproep de Heere te vrezen. De profeten roepen Israël terug van de afgodendienst tot de dienst des Heeren. Leven uit de bevrijding, nationaal, sociaal en politiek, kan Israël alleen, aldus Van Leeuwen, wanneer het openstaat voor een andere, een innerlijke bevrijding: die van de tirannieke machten van zelfzucht en hebzucht, ontrouw en zonde. Pas de vergeving schenkt ware vrijheid om andere vrijheden aan te kunnen.
Ik meen dat dit belangrijke noties zijn die in veel bevrijdingstheologie maar al te zeer vergeten worden en opgeofferd aan een politieke theologie. In het N.T. ligt het niet anders. Prof. Reiling wijst er op dat in de N.T.ische prediking bevrijding allereerst bevrijding van de zonde is. De Avondmaalswoorden en de prediking van de apostelen laten dit duidelijk zien. En de bevrijding van zonde, wet, dood is bevrijding tot een nieuw leven in dienst van Christus. Reiling schrijft op blz. 18 dat in dat nieuwe leven van geloof en liefde het verschil tussen slaaf en vrije niet meer bestaat. Toch hebben de christenen niet de structuren van hun tijd aangetast. Dat konden ze niet. Maar zij wilden het ook niet, en dat niet alleen omdat ze erop rekenden dat deze bedeling wel niet zo lang meer duren kon. De actieve dienst van Christus was belangrijker dan de kwestie b.v. van de slavernij. In de vervulling van die dienst lag een vrijheid die de sociale vrijheid ver achter zich liet.
Een opmerkelijke uitspraak waar allen die zo graag bevrijdingsbewegingen van nu in de Schrift terugvinden maar eens goed over moeten nadenken. Tenslotte wil ik u ook niet onthouden wat drs. C. Aalders in een diepgravende bijdrage over geloof en bevrijding schrijft.
Nadat hij zich verzet heeft tegen de verabsolutering van het broeders, blijf de aarde trouw en spreekt van een 'naar overmoed neigende mens-en wereldbeschouwing die we in de Bijbel nergens terug vinden, wijst hij erop dat Jezus, hoe lief hij deze aarde als schepping ook had, toch nooit een aardse heilsstaat heeft nagestreefd, omdat deze wereld voor hem in de macht van de boosheid en de vergankelijkheid lag.
Aalders noemt de houding van Jezus de diepst mogelijke breuk met de natuurlijke driftmatigheid, de ingeboren levenshonger, de welvaartsdrift, het expansieverlangen van de mens. Navolging is dan ook: Jezelf verloochenen.
Voor het geloof betekent bevrijding niet minder dan overgaan in een geheel nieuwe orde, een geheel an dere werkelijkheid; het betekent een worden overgezet uit de duisternis in een wonderbaar licht (zie 1 Petr. 2:9). Daarom meen ik dat wij mogen zeggen: evrijding speelt zich voor de bijbel en voor de gelovigen nog in geheel andere dimensies af, dan waar heden ten dage met zoveel pathos en engagement voor bevrijding wordt geijverd. Bevrijding in bijbelse zin beweegt zich in een ruimte van Goddelijk heil, die alle aardse heilsverlangen ver achter zich laat. Deze Goddelijke beweging zal hier en daar misschien ook maatschappelijke en politieke gevolgen hebben, maar dan alleen in de haast ironische zin van Matth. 6 : 31—33: Maakt u dan niet bezorgd zeggende: wat zullen wij eten en wat zullen wij drinken of waarmee zullen we ons kleden? Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader wéét dat gij dit alles behoeft. Maar zoekt eerst Zijn Rijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden.
We hebben in dit college zoveel mogelijk het evangelie zelf laten spreken. Want het gaat ons allerminst om polemiek of polarisatie. Maar als we op de een of andere wijze gegrepen zijn door de nog altijd verbijsterende Man van Nazareth en Zijn Goddelijke boodschap, is het voor mijn besef de eerste zaak en taak om zo diep en eerlijk en onbevangen mogelijk naar Hem en zijn woorden te luisteren. Hij zal ook ons waarschijnlijk in verwarring en vrees brengen, omdat Hij zo anders is dan de vanzelfsprekende overwegingen en overleggingen van onze natuurlijke gezindheden. Het Kruis is nog altijd een skandalon, een ergernis voor onze rede en zelfs voor onze zedelijkheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's