’Het regt der Herv. Gezindheid’
Bovenstaande titel is de titel van een boekwerk van mr. G. Groen van Prinsterer, uitgekomen in 1848, voordien in 1847 en 1848 geschreven als artikelen, verschenen in het maandblad De Vereniging. Heeft het wel zin om aan een boek, dat al zou oud is, thans nog aandacht te schenken ? Menigeen zal deze vraag ontkennend willen beantwoorden. Echter ten onrechte. Want de vragen, die hier besproken worden zijn nog actueel.
Hebben wij niet in de pers gelezen, dat door het moderamen van de Hervormde Kerk enige tijd geleden gezegd is, dat nóch het vrijzinnig denken, nóch het fundamentalisme, nóch het piëtisme, nóch de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk wettig zijn ?
Hier wordt dus de vraag aan de orde gesteld, wie wettig recht hebben in de Hervormde Kerk te zijn. Het is dezelfde vraag, waarover Groen handelt in zijn boek. Daarnaast is de laatste tijd in de pers de vraag aan de orde geweest, wie tot de Gereformeerde Gezindheid gerekend moeten worden. Bij Groen komt dezelfde vraag aan de orde, want hij verstaat onder de Hervormde Gezindheid, zoals nader zal blijken, wat thans de Gereformeerde Gezindheid wordt genoemd.
Recht door belijdenis
Voor een recht begrip van Groens zienswijze moeten wij goed in het oog houden de tijdsomstandigheden waaronder hij schrijft. Het is de tijd waarin het modernisme opgang maakt in onze kerk. Prof. Scholten doceert te Leiden, prof. Opzoomer is te Utrecht zijn loopbaan begonnen. In verschillende gemeenten zijn moderne predikanten opgetreden, die de gemeente verontrusten door de loochening van de hoofdwaarheden der H. Schrift.
Tegenover dit optreden wil Groen het goed : gecht der belijders van de Schriftuurlijke waarheden verdedigen en daartoe brengt hij de formulieren in het ge ding. In de eerste verhandeling spreekt Groen over de werkeloosheid der gelovigen in het Hervormde Kerkgenootschap en tracht ze op te wekken tot meerdere activiteit. Hij begint te wijzen op de kracht van Gods Woord. Dit Woord is, waar alle kerkelijke waarborgen weggevallen zijn, genoegzaam om een kerk in geest en waarheid te vormen. Dit Woord alleen heeft de kracht om een verbasterde kerk van het bijkans algemene verderf te genezen en te hervormen. Dit Woord is onmisbaar om een kerk, waarin volkomen rechtzinnigheid en nauwgezetheid in leer en instellingen bewaard is, tegen doodslaap en ontaarding te behoeden. Maar, omdat het Woord Gods machtig is temidden van het ongeloof een kerk te vormen, mogen wij daarom aan de verwoesting ener bestaande kerk het oor lenen, zolang er mogelijkheid van behoud is ? Groen herinnert eraan, dat de kerk geen wetenschappelijk disputeercollege is, waar men naar een ongekende godheid en naar een verborgen leer der godzaligheid zoekt; maar wel een gemeenschap ter godsverering, wier levensvoorwaarde in geloofseenheid en wier band, ten gevolge der oprechtheid van overtuiging, in aller belijdenis ligt. Zo de kerk geen belijdenis heeft, dan is er geen grond om het lidmaatschap, met verwijzing naar Gods Woord, te betwisten aan hen die, al verdraaien zij de Schriften tot hun eigen verderf, zich evenzeer op de Schriften beroepen. Neem het gezag van het formulier weg; verklaar dat alleen Gods Woord de regel is van prediking en onderwijs, zo worden wij, met vernietiging van de kerk, rechtstreeks naar de volledige heerschappij van subjectivisme en individualisme geleid.
De formulieren en het Woord
De vermelding der symbolische geschriften kan niet achterwege blijven, indien men een wettig standpunt begeert van kerkelijke eis, indien men verlangt in het kerkgenootschap te worden geduld. Doch ik vlei mij, zegt Groen, dat over het gezag der formulieren, in die zin en geest, op de duur geen wezenlijk verschil kan bestaan. Als men het geloof aan de ingeving der Heilige Schrift bijbelafgoderij noemt; als Christus, die Gód is — bovenal te prijzen in de eeuwigheid — een hémeling heet, opgevoed in hogere sferen tot wijsheid en deugd; als met het verzoenend sterven van de Zaligmaker het anker der hoop voor de eeuwigheid ontrukt wordt, dan wil ik het recht behouden om de vrijheid der wetenschap niet met de losbandigheid der prediking te verwarren; om deze aanranding van de dierbaarste panden der kerkgemeenschap aan de eenvoudige regel van eerlijkheid en goede trouw ter toetse te brengen; dan mag ik niet vrijwillig afstand doen van de bevoegdheid om, krachtens de belijdenis der kerk, de gemeente tegen de gestadige aanprijzing van deze leer des verderfs te waarschuwen en tevens wellicht enigermate althans, in veiligheid te stellen. Tussen de Bijbel en de formulieren kan geen denkbeeld van gelijkstelling bestaan. Beide moeten worden gewaardeerd in de aard en rang, waarvan het bijvoeglijk naamwoord, met eenvoudigheid en juistheid, de aanwijzing bevat; als de Heilige Schrift, die het levende en eeuwig blijvende Woord van God is, en als Symbolische Schrift, waarin de kerk een geloofsleus en het merk ter onderscheiding van vriend en vijand bezit.
Kerkelijk gezag
Mag het beroep op de formulieren, als op de onwraakbare getuigenissen van het voorvaderlijk geloof, voor ongeoorloofd, ongepast, overtollig, worden gehouden door leden der Hervormde Kerk? Of wel, behoren zij te leren inzien, dat in die gedenkschriften van de kerk, ik zeg niet de oorzaak, maar het bewijs ligt van het kerkelijk gezag der waarheden, over welker dierbaarheid en onmisbaarheid tussen hen geen verschil is ? Het gaat om het juiste zicht op de ingeving der Heilige Schrift van Oud en Nieuw Testament, de Drieëenheid, de erfzonde, de voldoening door het bloed des kruises. Groen merkt op, dat de synode tot handhaving der leer gehouden is.
Denk u eens in, dat, bij meerderheid of met algemene stemmen, de losbandigheid werd bestendigd, die thans geduld wordt: verkondiging dat men om de verdiensten van de Zaligmaker behouden wordt van het verderf, maar óók dat de oorzaak der rechtvaardiging niet in Christus' gerechtigheid ligt; verkondiging dat Christus God is boven allen te prijzen in eeuwigheid, maar ook, dat dit afgoderij is; verkondiging dat de Heiland door Zijnszelfs offerande aan Gods gerechtigheid voldaan heeft, maar óók dat dit een mensonterende leer en bloed-theologie is; verkondiging dat de Bijbel Gods Woord, aanspraak op onvoorwaardelijk geloof heeft, maar óók dat dit bijbeldienst is. Wat dunkt u, zou men aldus aan de Ned. Hervormde Kerk al wat tot haar wezen behoort kunnen ontnemen, en tevens verklaren dat zij de Ned.Herv. Kerk blijft ? Zou men wellicht, terwijl men haar vernietigt, mogen beweren dat men haar, door deze vernietiging zélf, herstelt en behoudt ? Ook de kerk kan haar persoonlijkheid niet afschudden, zonder een zelfmoord te begaan.
Wie behoren tot de Hervormde Gezindheid?
De formulieren zijn het bewijs en teken, dat de Ned. Herv. Kerk een christelijke kerk is; dat zich ook in haar de algemene apostolische kerk geopenbaard heeft. Wanneer nu Groen de vraag wil beantwoorden wie recht hebben in de Hervormde Kerk te zijn of wel wie tot de hervormde (gereformeerde) gezindheid behoren, dan is het antwoord: zij die instemmen met de drie formulieren van enigheid. Want deze formulieren vormen de persoonlijkheid der Hervormde Kerk. De christenen mogen de handhaving van hun geloof vragen op grond van de onbetwistbare identiteit met de geloofsbelijdenis van de Ned. Herv. Kerk.
Hieruit blijkt, dat Groen het niet eens zou zijn met het moderamen der Hervormde Kerk, welks mening ik
in het begin van dit artikel citeerde. Het antwoord van Groen zou wel heel anders luiden gezien zijn opvattingen, die ik in dit artikel zeer beknopt en beperkt heb weergegeven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's