De deelneming aan het avondmaal
Synodaal stuk over de kindercommunie
4
In het tweede deel heeft het synodale rapport over de kindercommunie een aantal theologische gezichtspunten aan de orde gesteld, die beslissend zouden moeten zijn voor een nieuwe beleving van het Avondmaal. Omdat er velerlei aspecten aan een Avondmaalsviering op te merken zijn, zouden kinderen en jongeren althans een deel daarvan mee kunnen beleven. De belijdenis des geloofs zou dan eerst later b.v. op 18-jarige leeftijd gevraagd kunnen worden.
Wat dit betreft neigt dit rapport dus tot andere conclusies dan dat van 1971. Daarin staat: Niet alleen doop en avondmaal horen bij elkaar, ook belijdenis en avondmaal. Zo lezen we de Schriften en zo heeft de kerk het aanvankelijk gezien en het in de tijd van de Reformatie opnieuw leren verstaan. Rond de tafel van de Heer zitten belijdende christenen, die in staat zijn het Lichaam van Christus te onderscheiden. Degenen, die momenteel pleiten voor 'ontkoppeling' van belijdenis en avondmaal zullen er rekening mee dienen te houden, dat zij op z'n minst door het getuigenis van het Nieuwe Testament en de reformatorische traditie in het ongelijk worden gesteld.
Toch ging ook dat rapport in de richting van een toelating tot het Avondmaal op jongere leeftijd dan de kerkorde nu officieel toestaat. Maar in beide rapporten blijft het een zoeken en tasten. De nodige klaarheid kan alleen ontstaan, wanneer de theologische discussies duidelijker zich uitspreken over het' eigenlijke karakter van het Avondmaal en de daarop afgestemde deelneming aan dit sacrament.
Ruim baan
Het derde deel van het rapport heeft de titel gekregen 'Ruim baan'. Maar dan met een vraagteken. D.w.z. wat je graag zou willen, kan niet altijd. Daarvoor moet aan bepaalde voorwaarden voldaan zijn. Wil men kinderen, jongeren en volwassenen aan de Tafel des Heeren doen aanzitten, dan moet ook het karakter van de viering, de vormgeving ervan, veelzijdig zijn. Er moet rekening gehouden worden met kinderen, die nog slechts als gezinsleden met vader en moeder meekomen; met oudere kinderen (vanaf 13 jaar), die door catechetisch onderricht 'tot een meer eigen beleving van het Avondmaal' gebracht worden; jong volwassenen moeten daarenboven uitgenodigd worden zich op de openbare belijdenis voor te bereiden. Voor kinderen moet het Avondmaal een feestelijk karakter dragen. Ze kunnen mede in de kring gaan staan, waarin brood en wijn rondgaan, het gebed des Heeren meebidden, meezingen en misschien dienstbaar zijn bij de inzameling der gaven.
Suggestieve factoren
Hoe sympathiek het ook moge zijn, dat men het kind meer betrekken wil bij hetgeen er in de samenkomst der gemeente geschiedt, toch mag niet uit het oog worden verloren, dat het Avondmaal met z'n gebroken brood en vergoten wijn een bepaalde spits heeft, die heenwijst naar het kruis. Dat het met de verschillende belevingsmogelijkheden enerzijds van volwassenen en anderzijds van kinderen niet zo , probleemloos ligt, wordt door het rapport wel even erkend, wanneer wordt gesproken van vragen, die nader onderzocht moeten worden (blz. 34). Dat mag dan inderdaad ook wel. Anders lopen we gevaar voor een deelneming, die al te zeer door suggestieve factoren wordt bepaald. Tekenend is ook de opmerking op blz. 37: het is zelfs niet denkbeeldig dat de pastor de jongeren terwille van de mogelijkheden tot geestelijke groei bij de overgangsfase in hun ontwikkeling de regelmatige avondmaalsviering ontraadt. Het is wel duidelijk, dat we er nog niet uit zijn.
De tweede stelling wijst de noodzaak aan van catechetische begeleiding zowel na als voor de Avondmaalsviering. De kinderen en jongeren mogen niet overvraagd worden wat betreft hun mogelijkheden tot eigen verwerking van hun ervaringen. Ik zou dan wel nader gepreciseerd willen zien, waarin het gemeenschappelijke bestaat, dat allen (ouderen en jongeren) als deelnemers aan de maaltijd des Heeren kenmerkt en waar het leeftijdsverschil ook verschil in beleving toestaat.
Wisselende stemmingen
Ook zou ik een paar zinnen uit het rapport wel willen onderstrepen. Op blz. 36 lees ik: maar een verwerking van ervaringen, die geen voeling heeft met de bijbelse visie in dezen kan tot een zaak van wisselende stemmingen worden (cursivering van mij, v. d. W.). En op blz. 37: niets is zo erg als een viering die een gewoonte van een vroegere levensfase geworden is.
Ik dacht, dat hier iets weergegeven wordt van de reserves, die velen blijven houden tegen een te jeugdige deelneming. Ik meen, dat deze bezwaren versterkt worden door de ervaring, die men in de Lutherse kerken heeft met een vroege confirmatie en communie.
Het is van grotere waarde, wanneer men zoals b.v. in verschillende gemeenten in Friesland betrekkelijk laat belijdenis doet en ten Avondmaal komt, maar dan ook levenslang, dan dat men door enkele wat gemakkelijk aansprekende elementen uit de vormgeving van de viering van het Avondmaal, ertoe komt daaraan als kind deel te nemen, terwijl men later tot het inzicht komt, dat men dit deed zonder het wezenlijke van het werk van Christus noch de consequenties van de gemeenschap met Christus in de levenspraktijk te doorzien. Men heeft de kosten nog niet kunnen berekenen, die aan het bouwen van de toren verbonden zijn. Het frisse jonge winterkoren is een lust voor het oog. Maar het moet nog verder rijpen om vrucht te dragen.
Verder wordt hier een zeer zware hypotheek gelegd op de begeleiding van de kinderen. Als het gezin daarin tekort schiet (en ik vrees dat dit meer voorkomt dan men in dit verband erkennen wil), wie belast zich dan daarmee zo intens en zo individueel, zo wijs, ernstig en liefdevol, dat deze begeleiding ook werkelijk de kinderen tot 's Heeren Tafel mag leiden.
Geestelijk gehandicapten
In de derde stelling wordt ingegaan op de bijzondere situatie van de geestelijk gehandicapten. Dat is inderdaad een hoofdstuk apart. Men moet dat ook apart houden en dat niet betrekken bij de vragen, die dit rapport bezig houden. Men moet niet zeggen: geestelijk gehandicapten missen de ontwikkeling tot geestelijke volwassenheid; toch mogen ze niet levenslang van het Avondmaal worden uitgesloten; daarom kunnen kinderen, die ook nog niet geestelijk volwassen zijn ook toegelaten worden. De gevallen liggen niet gelijk. Terecht merkt het rapport op, dat de geestelijk gehandicapten niet zo verstandelijk kritisch ingesteld zijn, maar ook niet zo gereserveerd en geremd als anderen. Er blijkt menigmaal bij hen een bijzondere ontvankelijkheid te zijn voor het Evangelie. Maar hun positie in het leven is blijvend een andere, dan die van kinderen die straks ten volle komen te staan 'in het strijdperk van dit leven'. Dan moet de boom, die op de vlakte de storm te verduren krijgt, wel diep wortel geschoten hebben om staande te blijven. Bij het 'met kinderlijke blijdschap en overgave hanteren van het liedboek' spelen vaak allerlei secundaire factoren een grote rol, die geen waarborg vormen wat betreft het persoonlijke belijden van zonde en genade.
Nu kan men zeggen, dat de kerk deze waarborg natuurlijk nooit heeft, ook niet als het volwassenen geldt. Maar bij de koppeling van belijdenis en Avondmaal vraagt de kerk wel een openlijke bewuste uitspraak voor God en Zijn gemeente, een uitspraak die voorbereid is door een jarenlange catechese.
Verschillende normen
Tenslotte volgt nog een vierde stelling die betrekking heeft op de zeer uiteenlopende vormen van Avondmaalsviering in onze kerk. Die kunnen, ook na eventuele wijziging van de kerkorde, zo maar niet gladgestreken worden. ledere (wijk) kerkenraad blijft verantwoordelijk voor de wijze waarop het Avondmaal wordt gevierd. Men moet dan de vreemde consequentie aanvaarden, dat een kind of een jongere in de ene gemeente wel, in de andere niet zou kunnen deelnemen en zich daar ook niet zou thuisvoelen, omdat het Avondmaal daar minder veelzeggend zou zijn.
M.i. wordt over dat herhaaldelijk gebruikte woord 'veelzeggend' toch in dit rapport te weinig gezegd. Verder zal een kerkenraad, die kinderen en jongeren toelaat, ook de grote pedagogische en catechetische verantwoordelijkheid die hij aanvaardt waar moeten maken.
Het rapport plaatst daarnaast de verantwoordelijkheid van die kerkenraden die zich houden aan de thans nog geldende kerkenordelijke regel. Dus: eerst belijdenis, dan Avondmaal. En dan als regel niet beneden de 18 jaar.
Ik wil dat gaarne onderstrepen. We zijn het met Bavinck eens, dat de onthouding van het Avondmaal de kinderen geen enkele weldaad van het verbond der genade doet derven, dan alleen dat wat bij hun leeftijd niet past. Maar de vraag blijft voor gezin, ambtsdragers, school en gemeente: hoe brengen wij onze kinderen in aanraking met de belofte des Evangelies ? En hoe brengen we ze tot Hem. Die de kinderen, die eenmaal tot Hem gebracht werden, blijft vragen nu zelf ook tot Hem te komen. Paulus wilde iedereen alles worden, om enigen te winnen. Doen wij dat ook ten aanzien van onze kinderen ? Leven we zelf voldoende uit de rijkdom van Gods genade in Christus om die met warmte bij onze kinderen aan te prijzen ?
Verstandelijk bepaalde overtuigingen hebben en die onder woorden weten te brengen, is nog iets anders dan het gesprek van hart tot hart. Voor hun tijdelijke bestemming op aarde is vaak alle aandacht. Zelfs de bereidheid tot belangrijke offers, maar over de dingen van Gods Koninkrijk wordt vaak gezwegen. Of er wordt soms gesproken op een manier, die eer afstoot dan aantrekt.
Toch zie ik niet over het hoofd de dingen die tot dankbaarheid stemmen. Er is in vele gemeenten een grotere belangstelling voor het genadeverbond in de lijn der geslachten. We zien meer jonge lidmaten dan vroeger toetreden tot de Dis des Heeren. Verder denk ik ook aan de positieve invloed van de Hervormd Gereformeerde Jeugdbonden en hun periodieken.
Nevelig klimaat
Ik kan me niet voorstellen, dat alle leden van de commissie, die dit rapport hebben opgesteld, dat met gelijk enthousiasme hebben gedaan. Ik denk b.v. aan een artikel van ds. S. Kooistra, lid van deze commissie, uit 1972, eerst in Woord en Dienst van 8 april, daarna in het Hervormd Weekblad van 12 mei geplaatst. Ds. Kooistra neemt daar rustig maar beslist stelling tegen de ontkoppeling van belijdenis en Avondmaal.
Het rapport kan m.i. geen grond opleveren voor kerkenordelijke veranderingen. Het is daarvoor van te weinig overtuigende argumenten voorzien. Ook deelt het in de vrij algemene kwaal van een wat nevelig klimaat.
In Hervormd Nederland stond een aankondiging van een op komst zijnde heruitgave van kleinere werken van dr. J.G. Woelderink. Mij trof de onzorgvuldigheid, waarmee de schrijver (A. van Es) zich uitdrukte. Hij schrijft b.v.: 'God sluit zijn verbond met ons en dat is gefundeerd in ons gedoopt zijn'. Ik meen, dat juist omgekeerd ons gedoopt zijn gefundeerd is in Gods verbond. Dan: het 'volk Gods', zo zegt hij, is niet slechts het kleine groepje, dat de 'bevinding' heeft gehad en daardoor uitverkoren (sic !), doch het hele gedoopte kerkvolk.
Maar wie zou ooit beweren, dat een mens door de bevinding uitverkoren werd ? En ook wat betreft de wijze, waarop de hele gemeente als 'volk Gods' aangemerkt moet worden, zal men zich genuanceerder moeten uitdrukken.
Zo zijn er in dat artikel, maar ook in allerlei theologische discussies, meer onzorgvuldige gedachten die het gesprek bemoeilijken, het inzicht verduisteren en het nemen van belangrijke beslissingen ongewenst maken. De medici zijn terecht op zorgvuldigheid gesteld wat betreft geneesmiddelen, onderzoekingen en behandelingen. Wij mogen als theologen zeker niet bij hen achterstaan. Ook niet wat betreft de vragen die in dit rapport aan de orde zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's