Het Koninkrijk en de kerk
De verwachting van het rijk
Een veelbesproken vraag
Wanneer we ons bezinnen op de bijbelse prediking inzake het Koninkrijk van God, komen we ook te staan voor de vraag naar de verhouding tussen Gods Rijk en de kerk. Hoe verhouden deze twee grootheden zich? Er zijn er geweest die elke band tussen Jezus en de kerk willen doorknippen. De bekende tekst uit Mattheüs 16, over de bouw van de gemeente in verband met de Christusbelijdenis van Petrus, wordt dan aan Jezus ontzegd en op rekening van de latere gemeente gezet, die op deze wijze haar visie Jezus in de mond gelegd heeft. We kunnen in dit verband denken aan een vaak aangehaald woord van de franse godsdiensthistoricus, Alfred Loisy (1857—1940), die eens geschreven heeft: Jezus verkondigde het Koninkrijk van God en wat kwam, was de kerk. We laten in het midden hoe Loisy, die in het begin van deze eeuw om zijn kritische opvattingen in conflict kwam met Rome, deze woorden bedoeld heeft. Maar ze vormen een duidelijke illustratie van de manier waarop de verhouding tussen kerk en Rijk door velen gesteld werd. Tussen kerk en Koninkrijk Gods wordt een scherp onderscheid gemaakt, bijna een tegenstelling. Anderen zien de kerk als een noodoplossing, toen het vuur van de verwachting van de wederkomst doofde. In deze en dergelijke uitlatingen zit een stuk reactie tegen een opvatting waarbij kerk en Koninkrijk samenvielen, en de kerk gelijk gesteld werd aan het Godsrijk op aarde.
Overzien we de geschiedenis, dan zien we een veelheid van opvattingen. Wat is hierbij het bijbelse spoor? Als we trouw willen blijven aan de Schrift en dus niet Mattheüs 16, als een tekst die niet in onze gedachtengang past, schrappen, hoe moeten we dan de verhouding tussen die twee grootheden: Gods kerk en Gods rijk, stellen?
Augustinus
We kunnen in het bestek van een artikel slechts een paar lijnen uit de geschiedenis aangeven. We mogen dan niet voorbij gaan aan de invloed van de kerkvader Augustinus. Augustinus leefde van 354—430, de tijd waarin het eens zo machtige romeinse keizerrijk tot verval kwam en onder de aanvallen van Goten en Vandalen bezweek. Tegenover de aardse stad stelt Augustinus de stad van God, de gemeenschap van de uitverkorenen van alle tijden. En zoals er een nauw verband bestaat tussen de aardse stad en de staat, zo is er ook een hechte band tussen de kerk en de stad Gods. Enkele malen komt Augustinus tot de uitspraak dat de kerk het Rijk Gods is. De heiligen regeren reeds nu met Christus en het duizendjarig rijk is nu al in de kerk aangebroken. Openbaring 20 : 4, de tekst over de tronen en over hen aan wie het oordeel gegeven werd, doelt volgens Augustinus op de zetels van de kerkelijke leiders, door wie de kerk nu geleid wordt. Toch moeten we er bij zeggen dat de grote bisschop van Hippo Regius ook zelf al reserves gemaakt heeft en zich niet overal op dezelfde wijze uitlaat. Augustinus weet dat de stad van God meer omvat dan de kerk op aarde: ok de engelen en de gestorven gelovigen behoren er toe. Er verkeren voorts, zegt hij ergens, vele wolven binnen de schaapskooi van de kerk en er zijn schapen buiten de zichtbare katholieke kerk.
R.K. visie
Nu is het bekend hoe Rome en de Reformatie voor vele van hun uitspraken zich beiden beroepen op Augustinus. Calvijn citeert in zijn Institutie hem menigmaal met instemming. Maar ook loopt er vanuit Augustinus een weg naar allerlei r.k. opvattingen.
Dat zien we ook in verband met ons onderwerp. De visie van Augustinus waarbij kerk en Rijk min of meer gelijkgesteld worden, heeft in de Middeleeuwse pauskerk sterk doorgewerkt. Deze kerk, met haar zichtbaar hoofd in de stoel van Petrus in Rome werd op massieve wijze gezien als het Rijk van God op aarde. De christenheid op aarde onder de heerschappij van paus en keizer werd vereenzelvigd met de stad Gods. Tot de stad van de duivel behoorden ketters, joden en heidenen. De zending en de kruistochten werden dan ook opgevat als uitbreiding van het Godsrijk.
Eeuwenlang is dit de gangbare roomse visie geweest: het Rijk is de kerk, d.w.z. de r.k. kerk onder haar hoofd, de paus als plaatsvervanger van Christus. Maar met name de laatste tientallen jaren wordt deze visie in r.k. kringen zelf sterk bestreden. We denken o.a. aan allerlei uitspraken van Hans Küng die in zijn grote boek over de kerk het triomfalisme, dat eeuwenlang de r.k. kerkleer beheerst heeft, scherp kritiseert. De kerk heeft, aldus Küng, de Godsheerschappij te verkondigen als een roeping en gebod ook aan haarzelf. Haar roeping is dienst en navolging. 'Hoe zou zij dan in deze eindtijd ooit haar toevlucht kunnen nemen tot de methoden van wereldlijke greep naar de macht en machtshandhaving, politieke strategie en intrige? Hoe zou zij wereldlijke pracht en praal kunnen uitstralen, ereplaatsen aan rechter-en linkerhand kunnen verdelen, wereldlijke titels en onderscheidingen willen toekennen? Hoe zou zij de goederen van deze wereld, geld en goud, kunnen willen bezitten, boven het noodzakelijke uit?' (Küng, a.w. blz. 116).
Toch blijft Rome een nauwe verbinding leggen tussen de kerk, de door de opvolger van Petrus bestuurde kerk, en het Rijk. Zo lezen we in de uitspraken van het tweede Vaticaanse concilie over de kerk o.m.: Zo heeft de Kerk ... de zending ontvangen om het Koninkrijk van Christus te verkondigen en bij alle volken te vestigen; en van dat Rijk is zij op aarde de kiem en de aanvang'. (Constitutie over de Kerk, hoofdstuk I, dl. 2 par. 5).
De Reformatoren
Ook in de visie van de Reformatoren liggen kerk en Rijk Gods dicht bij elkaar. Maar er is toch een groot verschil met Rome. Rome legt grote nadruk op het instituut, en zijn pauselijke-hiërarchische leiding. Waar deze is, is de kerk. De Reformatoren leggen meer nadruk op de verborgenheid van de kerk. Daar waar Woord en sacrament zijn en in geloof aangenomen worden, daar is de kerk. De kerk is het volk van God, vergaderd rondom het Woord, een geloofsgemeenschap. Door geloof behoort men tot de kerk en deelt men in de schatten en gaven van het Rijk. Natuurlijk betekent dat niet dat voor de Reformatoren de kerk in zijn zichtbare vorm. geen betekenis zou hebben, integendeel zouden we willen zeggen.
Maar beslissend is het geloof in de Heere Jezus Christus. Dat mag niet vervangen worden door ambt, leiding of sacrament. Van Luther is het bekende woord: Waar het evangelie is, daar is Christus, waar Christus is, daar is de Heilige Geest en zijn Rijk. En in een brief aan Spalatinus schrijft Luther: Het Rijk van God is de kerk van Christus, die door het woord geregeerd wordt. Toch heeft ook Luther met gespannen verwachting uitgezien naar de komst van Gods Rijk: Wat nu nog gepredikt wordt en geloofd moet worden, wordt dan gezien.
Calvijn heeft de kerk een hemels Koninkrijk genoemd. Maar ook dan gaat het niet maar om een massief instituut. We zullen zo'n uitspraak moeten laten staan in de verbanden van Woord en Geest, prediking en geloof. Calvijn kan b.v. ook zeggen dat de ballingen van Babel buiten Jeruzalem waren, maar toch behoorden tot de kerk, ook al waren zij verstoken van de onderpanden en de symbolen. En als we denken aan Calvijns contacten met overheden en vorsten, zijn waardering van de staat, zijn worsteling om een Godsregering in Geneve, dan zien we daaruit hoe voor Calvijn het terrein van Gods heerschappij toch wijder is dan de kerk?
Protest tegen vereenzelviging
Maar we zien in de kerkgeschiedenis ook andere lijnen lopen. De eeuwen door zijn er mensen geweest die scherp geprotesteerd hebben tegen de vereenzelviging van de kerk en het Rijk. De kerk moet als de bruidsgemeente vol verlangen uitzien naar de hemelse Bruidegom en zich niet teveel aanmatigen, omdat ze immers voortdurend onder kritiek staat van het Rijk.
Vele namen zouden hier te noemen zijn. We denken aan de beweging van het Montanisme in de tweede eeuw na Christus, een opwekkingsbeweging in Klein-Azië die sterke kritiek uitoefende op een in hun ogen verslapte kerk. De Montanisten leerden dat nu de in Joh. 14 beloofde Paracleet gekomen was en dat de ware gelovigen zich van de aardse banden moesten bevrijden om de komst van de Bruidegom in te wachten.
In de Middeleeuwen treffen we allerlei bewegingen aan die hun radicale kritiek op het pausdom en de gevestigde kerk niet onder stoelen of banken staken. Deze 'stiefkinderen van het christendom' (Lindeboom) hebben het menigmaal zwaar te verduren gehad van de zijde van de officiële kerk. Ten dele hebben zij er zelf toe meegewerkt dat hun protest niet verstaan werd. Want in hun ogen wordt het Rijk Gods de tegenpool, ja de vijand van de kerk. Zo is er een commentaar op Jeremia, op naam van Joachim van Fiore, waarin de kerk de hoer uit Openbaring 17 wordt genoemd en vergeleken wordt met Babel dat verdoemd is.
De dopers en dwepers uit de Reformatietijd hebben eveneens met een beroep op het nabije Koninkrijk sterk de bestaande kerk, zowel de r.k. als de reformatorische, gekritiseerd. Soms gaf men zich over aan chiliastische dromen, speculaties over een duizendjarig rijk. Soms trachtte men op revolutionaire wijze het Rijk te verwezenlijken. Soms trok men zich terug in mystieke verinnerlijking. Maar de kerk was voor hen een menselijke instelling, één brok wereld. Van Berhard Rothman uit Munster is de uitspraak dat de gehele christenheid afvallig was geworden. Luther was z.i. wel met het herstel begonnen, maar hij was halverwege blijven steken.
Secten en stromingen
Er is in dit protest dat zulke felle vormen kon aannemen toch iets dat we herkennen. N.L. het feit dat de kerk gedurig weer onder de kritiek van haar Koning door moet. Maar men gooide met het badwater het kind weg. Of men raakte verzeild in onbijbelse vaarwateren ten aanzien van de verwachting van het Rijk.
Wat we in Middeleeuwen en Reformatietijd aantreffen is de aanzet van een lijn, die we ook in latere eeuwen kunnen volgen. We denken aan de opkomst van de secten, die zich evenzeer zeer kritisch tegen de kerken opstellen. Groepsbesef en gespannen verwachting gaan hand in hand. De secte voelt zich bode en wegbereider van het nabije einde, de hoeksteen, waarop het in de eindtijd zal aankomen, de voltrekker of althans het instrument van Gods gerichten over de ongelovigen, aldus Kurt Hutten. Men denke alleen maar aan de felle, vaak agressieve houding van de Jehovagetuigen ten aanzien van de georganiseerde kerk.
Soms leidde het accent op het komende Koninkrijk tot een dusdanige kritische houding dat men zelfs brak met de kerk. Ik noem in dit verband de naam van Christoph Blumhardt, zoon van de bekende Johann Christoph Blumhardt. Terwijl vader Blumhardt vanuit een vurige verwachting en een voor ons gevoel wat geflatteerde visie op de eerste christengemeente positief-kritisch wilde arbeiden aan de vernieuwing van de kerk, ging de zoon veel verder. Zijn kritische houding bracht hem buiten de kerk. Hij werd socialist, een voor die tijd revolutionaire daad. Hij schreef eens: Het is nu de tijd, waarin de Heere Jezus meer in de wereld is, dan onder de gelovigen'. Kerk is menselijke organisatie. Kerk is een belemmering voor Gods Rijk. Daarom buiten de muren: de wereld in. Een dergelijke uitlating als van Blumhardt zou vandaag gezegd kunnen zijn, nu er immers sterke pleidooien gehouden worden voor de kerk buiten de kerk, voor de kritische kerk, voor gemeentevormen die kritisch staan tegenover gevestigde kerken.
Wij mogen niet alles over een kam scheren of onder één noemer brengen. Er spelen allerlei motieven mee in het verzet tegen de gevestigde en georganiseerde kerken. Er wordt ook op heel verschillende manier over het Koninkrijk gedacht. Terecht schrijft Küng dat kritische afstand t.a.v. de kerk nog niet zonder meer dichter bij de Godsheerschappij brengt (De Kerk, blz. 110).
De vraag blijft, na deze grepen uit de geschiedenis: Hoe verhouden zich Koninkrijk en Kerk? Wij willen in een volgend artikel vanuit de Schrift enkele lijnen trekken.
(Utrecht)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's