Bevinding in de Bijbel
2
In het vorige artikel ging het over het komen tot het heil. Het bleek ons dat dit in de Schrift wordt voorgesteld als een diep-ingrijpend gebeuren. Thans — in dit artikel — gaat het over het verkeren binnen het heil, over hetgeen daarin ondervonden wordt, en over het leven uit het heil.
Al vanouds is in de christelijke kerk het leven met God voorgesteld als het gaan, het bewandelen van een weg. Reeds bij de Apostolische Vaders, die korte tijd na de apostelen hun boeken schreven, is dat het geval. En eigenlijk is het in de Schrift zelf al zo. In de psalmen lezen wij herhaaldelijk van de weg der rechtvaardigen in tegenstelling tot de weg der goddelozen. De Heere Jezus heeft gesproken over de smalle weg of de weg ten leven en de brede weg, ofwel de weg des verderfs. De beeldspraak van de weg en het wandelen daarop is in de geschiedenis der christelijke kerk het uitvoerigst benut door John Bunyan in zijn beroemde Christenreis. Al wat onder bevinding verstaan moet worden, zou aan de hand van dit boek toe te lichten en te illustreren zijn.
Wat behoort nu zoal tot deze bevinding ? Wij noemen slechts drie hoofdmomenten. In de eerste plaats: hiertoe behoort de omgang met God. Van Henoch, Noach en anderen lezen wij dat zij wandelden met God. Abraham had een intieme omgang met God, heette daarom Gods vriend. 'Zal Ik voor Abraham verbergen wat Ik doe' — horen wij de Heere zeggen, wanneer Hij hem gaat aankondigen de verwoesting van Sodom en Gomorra (Gen. 19 : 17). Een der psalmdichters zegt: De verborgenheid des Heeren is voor degenen die Hem vrezen; en Zijn verbond om hen die bekend te maken' (Ps. 25 : 14). Er is een wederzijds spreken tot en luisteren naar elkaar. Er is een spreken van God tot ons en een spreken van ons tot God; en hetzelfde geldt van het luisteren. Wie met God leeft, met Hem wandelt, heeft geen geheimen voor Hem, houdt voor Hem niets achter, zal voor Hem niets opzettelijk verzwijgen. Het hele hart wordt soms voor Hem uitgestort, gelijk Hanna, de moeder van Samuel gedaan heeft. Maar God van Zijn kant laat ook Zijn verborgenheden. Zijn geheimen los. Hij maakt degenen die Hem vrezen, zegt de psalmdichter. Zijn verbond bekend. Dat ziet op iets anders dan alleen maar, hoe dan ook, intellectueel onderwijs ontvangen aangaande de leer van het verbond; het betekent veeleer een geestelijk ingeleid worden in wat de ware inhoud van het verbond is, door er deel aan te krijgen. Kennen en kennen is op dit terrein niet hetzelfde, zomin als horen en horen, en zien en zien hetzelfde zijn. Er is immers, volgens hetgeen de Heere Jezus zelf gezegd heeft, de mogelijkheid dat wij horende doof zijn en ziende blind zijn (Matth. 13 : 14). Men kan alles kennen en weten wat in de Schrift geopenbaard is en toch nog de ware kennis aangaande de inhoud van de Schrift missen. Ik kan uit de Bijbel de weg tot het heil heel nauwketirig kennen; ik kan veel over de Heere Jezus Christus gehoord hebben, maar als ik nog nooit die weg tot het heil gegaan ben en mijn ogen zijn niet verlicht om Jezus Christus te kennen, en mijn hart is er niet genegen toe gemaakt om Hem te bezitten door het geloof, dan heb ik slechts een theoretische kennis, niet een kennis die mij zalig maakt, die mij behoudt.
Van deze kennis zegt de Schrift, dat zij opgeblazen maakt (1 Cor. 8:1), zij maakt ons verwaand, doet ons weinig nut. In de omgang, of zo ge wilt: verborgen omgang met God, wordt een heel andere kennis opgedaan dan alleen maar een theoretische. Hijzelf is daarin onze Leermeester. Calvijn heeft over de Heilige Geest gesproken als de magister internus, de innerlijke leermeester. In dezelfde psalm, psalm 25, waaruit wij reeds citeerden, staat: Hij (dat is God) zal de zondaars onderwijzen in de weg' (vs. 8) en wat verderop: Hij zal de zachtmoedigen Zijn weg leren' (vs. 9). Dit is een onderwijzen door het doen ervaren; de kennis die dan opgedaan wordt, is een ondervindelijke kennis. Niet nieuwe, ongekende en tot dusver nog niet geopenbaarde dingen worden daarin onderwezen en geleerd, maar hetgeen ons geopenbaard is, te weten in Gods Woord, in de Schrift, wordt dan waarheid voor ons en waarheid in ons.
In de tweede plaats, tot deze bevinding behoort ook het ervaren van Gods gemis.
Gaande op de weg, de weg des heils kan men God kwijtraken. Hij is dan uit het oog, uit het hart. Weer zijn er de psalmdichters die ons dat duidelijk leren; maar ook de profeten.
Door niemand is op een indrukwekkender wijze uitdrukking gegeven aan dit Godsgemis dan door Job. In een antwoord dat hij gegeven heeft aan zijn vriend Elifaz zegt hij: Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet; als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet' (Job 23 : 8—9). In zijn zware beproeving zag Job God dus nergens, van voren niet, van achteren niet en van terzijde niet. Treffend is echter wel wat hij daarop laat volgen: Doch Hij kent de weg die bij mij is' (vs. 10). Ook in zijn Godsgemis verloor Job toch niet het vertrouwen in Gods leiding.
Wij denken vervolgens aan David. In Ps. 42 vergelijkt hij zich bij een hert dat vanwege dorst, een vreselijke dorst, naar water schreeuwt. David zegt dan: 'Zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God' (vs. 2). De oorzaak was dat hij verstoken was van Gods huis, de tempel.
Wij noemen nog iemand, de profeet Jesaja. In een van zijn profetieën vertolkt hij een bittere klacht van Sion. Wij lezen: Doch Sion zegt: de Heere heeft mij verlaten, de Heere heeft mij vergeten' (Jes.49:14).
Het zou ons niet moeilijk vallen deze voorbeelden met vele andere te vermenigvuldigen. Herhaaldelijk zijn er in de Schrift de klachten van het missen van God, herhaaldelijk lezen wij van een verlangen naar God en van een zoeken van God.
Tot recht verstaan van de aard van dit Godsgemis is het wel nodig dat wij hier een opmerking aan toevoegen. Zij is déze dat hierin gewoonlijk het uiterlijke en het innerlijke beleven samenvallen. Wij nemen als voorbeeld de tekst die wij aangehaald hebben uit Job. Waarheen Job zijn ogen ook wendde, nergens zag hij God. Men bedenke dat dit alles te maken had met de tegenspoed die hem trof. Zijn vee was hem ontroofd, zijn kinderen hadden allen de dood gevonden, zijn vrouw was hem vijandig geworden en zelf zat hij als een geslagen man op de ashoop. Al deze dingen waren hem als het ware uiterlijk overkomen. Maar Job heeft er Gods slaande hand in ervaren. Wie met God wandelt, met God leeft, ziet en merkt Zijn hand op in alle dingen. Alles wat hem in het natuurlijke, in het burgerlijke, in het dagelijkse leven overkomt is hem transparant tot op God zelf toe. Dan wordt het verlies van kinderen en vee een wegtrekken, een verlaten van God zelf. De vijandschap die men van de ander, in Jobs geval was dat van zijn eigen vrouw, ervaart, kan de gedachte wekken dat God zelf in een vijand veranderd is. Het innerlijke beleven van het Godsgemis ligt hier verweven in het uiterlijk ervaren van tegenspoed. Hiermee is echter niet gezegd dat dit altijd zo is. Tussen het innerlijk beleven en het uiterlijk ervaren kan ook een contrast, zelfs een scherp contrast bestaan. Om nogmaals op Job te wijzen, aan het begin van zijn lijden was er duidelijk zulk een contrast. Hoewel hij alles miste en ondanks het feit dat hij alles miste, kon hij toch God loven en prijzen.
Het missen van God, de ervaring van het Godsgemis, kan dus zijn oorzaak hebben in droeve uiterlijke omstandigheden; het kan zo zijn, maar het behoeft niet; het is niet altijd zo. De ervaring van het Godsgemis kan ook andere oorzaken hebben.
Het gevallen zijn in een of andere zware zonde, het afgedwaald zijn van God, het nagelaten hebben van het lezen van de Schrift, en van het gebed. God verlaat óns wanneer wij Hém hebben verlaten. Afdwalingen kunnen ons van Hem doen vervreemden en Hem van ons. Er is dan een wederkeer nodig, er is berouw nodig, gelijk David berouw heeft gehad na zijn zonde met Bathseba en gelijk Petrus berouw heeft gehad na zijn verloochening. Voor al deze gevallen zouden vele voorbeelden uit de Schrift gegeven kunnen worden; zij liggen maar voor het grijpen.
Het derde hoofdmoment in de omgang met God, ofwel de wandel met God, is de ervaring van Zijn nabijheid, derhalve de ervaring van licht en vreugde. 'Het is mij goed nabij God te zijn' zegt Asaf in psalm 73 : 28. Al eerder heeft hij dan gezegd: Wien heb ik nevens U in den hemel ? Nevens U lust mij ook niets op de aarde' (vs. 25). Eerst had hij met argusogen bespied de voorspoed van degenen die leefden zonder God, hij was jaloers op hen geweest, maar toen hij in Gods huis, de tempel, Gods heiligdom kwam, en daar het leven leerde zien in goddelijk licht, veranderde er wat bij hem, hij schaamde zich, hij verklaarde God opnieuw zijn liefde en afhankelijkheid.
Zoals wij al even geleden opgemerkt hebben, Gods nabijheid kan ook ervaren worden in de meest droeve omstandigheden van het leven. Vooral de profeet Habakuk heeft daar uitdrukking aan gegeven, nl. in het laatste hoofdstuk van zijn boek. Hij spreekt daar over vijgebomen die niet bloeien, over wijnstokken die geen vruchten voortbrengen, over olijfbomen die teleurstellen, over velden waarop geen spijze groeit, over kudden die uit de kooien verdreven zijn en over runderen die er niet meer in de stallingen te vinden zijn, en hij zegt: nochtans zal ik in de Heere van vreugde opspringen en zal ik mij verheugen in de God mijns heils (Hab. 3:17—18).
Wanneer God ons nabij is, is er vrede. Paulus spreekt in zijn brief aan de gemeente te Filippi over 'de vrede Gods' en hij zegt dat dat een vrede is 'die alle verstand te boven gaat' (Fil. 4:7). Zij is dus hoger dan alle menselijk begrip, zij gaat al 's mensen begrip te boven.
Er is de vrede van het met God verzoend zijn door de dood van de Heere Jezus Christus. Er is de vrede van de zekerheid tot Gods kind aangenomen te zijn. Immers, 'gij hebt ontvangen', schrijft Paulus, 'de Geest der aanneming tot kinderen, door Welke wij roepen: Abba, Vader!' (Rom. 8 : 15). 'Die Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn' (vs. 16).
Er is ook blijdschap. Jesaja spreekt van een 'water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils', waarna men zeggen zal: 'Dankt den Heere, roept Zijn Naam aan; maakt Zijn daden bekend onder de volken; vermeldt dat Zijn Naam verhoogd is' (Jes. 12). Zo is er blijdschap in Gods werken, in Gods heilsdaden, ja blijdschap in God zelf.
Er is ook licht, een wandelen in het licht. 'Het licht is voor de rechtvaardigen gezaaid en vrolijkheid voor de oprechten van hart' staat er in psalm 97 (vs. 11). Ook het Nieuwe Testament weet van 'een wandelen in het licht' (1 Joh. 1:7). Tevoren was er duisternis; nu is er licht. Christus zelf is het Licht dat straalt in de harten der gelovigen.
Wij hebben maar een greep gedaan uit de vele gegevens die in de Schrift over ons onderwerp te vinden zijn.
Geloven is niet een enkel en alleen maar intellectueel bezig zijn met wat er in de Schrift staat. Geloven is ook niet — gelijk in onze dagen zo vaak beweerd wordt — een bepaalde manier van leven of een bepaalde manier van handelen; maar geloven is het kennen van God, met hoofd en hart beide, een ondervindelijk, een bevindelijk kennen van God, van Zijn Woord en van Zijn daden. Het geloven is gave Gods; een gave van de Geest. Het is een vrucht van het werken van de Geest in ons. Daarom is geloven ook beleven. Het komt aan op Geest en leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1975
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's