De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Belijden voor God en de mensen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Belijden voor God en de mensen

Belijden en belijdenis

7 minuten leestijd

Wij hebben de vorige keer in onze bezinning op de verhouding tussen belijden en belijdenis stilgestaan bij enkele momenten uit het Nieuwe Testament. Wij zijn daarmee toen niet klaar gekomen. Op enkele aspecten daarvan willen wij dit keer nog, de aandacht vestigen. In de eerste plaats willen wij erop wijzen, dat in het Nieuwe Testament het belijden der gemeente zich richt direct tot God en tot Jezus Christus. Daarnaast heeft het christelijk belijden zijn spits in de richting tot de ander, wie dat dan ook is. Die ander kan de gemeente zelf zijn, hij kan ook ide buitenstaander zijn.

Maar vooral ook dat eerste adres van de belijdenis moet ons niet ontgaan. De gemeente van Christus leeft allereerst voor het aangezicht van God. Zij heeft aan Hem haar ontstaan en bestaan te danken.

Zij leeft uit zijn genade en liefde in Jezus Christus. Naar zijn geboden begeert zij te wandelen en tot Hem richt zij haar lofprijzing en dankzegging.

Juist dat laatste grenst aan het belijden der kerk. In de rechte belijdenis wordt iets van de lofprijzing, van de aanbidding en de dankzegging gehoord. In de belijdenis wil de gemeente allereerst haar God eren. Het gaat om de verheerlijking van Zijn Naam. Het gaat om de grootmaking van Zijn daden, en Zijn deugden.

Het is van grote betekenis om hierop te letten. In onze tijd dreigen wij deze kant van het belijden wel eens te vergeten, omdat alle aandacht wordt gericht op de horizontale verhoudingen, waarin de christelijke gemeente in deze wereld staat. Deze laatste zijn zeker van groot gewicht. Ook als 't gaat om de opdracht en de gave van het belijden. Maar de echte christelijke belijdenis wordt toch geboren coram Deo, voor het aangezicht van God. Wij zouden kunnen zeggen: daar leert de kerk belijden, daar vindt zij de woorden, daar ontvangt zij de rechte gezindheid. En zo van het Aangezicht van God vandaan richt zij zich tot de wereld en tot elkaar. Juist zo krijgt ook haar belijden in de horizontale verhoudingen zij kracht en zijn diepte en geloofwaardigheid.

Er kunnen in het Nieuwe Testament heel wat van deze belijdenissen, die niet anders zijn dan lofprijzingen, worden aangewezen. Rondom het Kerstfeest zijn we vooral bepaald bij dat geweldige woord uit 1 Tim. 3 : 16: En buiten alle twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid. Deze belijdenis klinkt als een hymne, een lied vol aanbidding, waarin de hoogte en diepte, maar ook de lengte en breedte van 't heil Gods in Jezus Christus wordt uitgezegd. Ik denk ook aan een woord als uit Rom. 9:5, waar Paulus spreekt over het geheimenis van Gods handelen met zijn volk Israël. Al verhandelende komt Paulus dan tot de aanbidding, wanneer hij de belijdenis van Christus uitspreekt: Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zo veel het vlees aangaat. Dewelke is God boven allen te prijzen tot in eeuwigheid. Amen.

Men leze ook 1 Tim. 3 : 14—16.

Juist uit deze spontane overgang van de verhandeling tot de aanbidding blijkt hoe het belijdend spreken zich ophoudt in de naaste omgeving van de lofprijzing en de aanbidding. Belijden is immers spreken op een verhoogde toon. Dan kan niet toegaan met een ingehouden stem, op een eentonige rationalististische toon. Dat kan alleen met stem-verheffing, omdat het hart zich verheft tot voor het aangezicht van God.

Een tweede aspect, waarop wij nog de nadruk willen laten vallen, is, dat de belijdenis der gemeente niet alleen zich uit in woorden, maar ook in de praktijk van het christelijke leven. Telkens wordt er met name door de apostel Paulus in zijn brieven op gewezen, dat de gelovigen in hun levenswandel een duidelijk getuigenis van Gods liefde en genade dienen af te leggen. Zij hebben leesbare brieven van Christus te zijn (Cor. 3). En temidden van een heidense samenleving vol van grove ongerechtigheid zal het van de gemeente moeten gelden: maar gij heel anders: Gij hebt Christus leren kennen (Ef. 4 : 20).

Zoals in het Oude Testament woord en daad een eenheid is, zo ook in het Nieuwe Testament. Als het alleen maar woorden zijn, zonder dat zij gedragen worden door een leven metterdaad, hebben zij niets te betekenen. De Heere Jezus heeft daar heel scherp de aandacht op gevestigd in zijn Bergrede (Matth. 5—7). Als een gelovige tot het altaar komt, terwijl hij in conflict leeft met zijn broeder, dient hij eerst zich met zijn broeder te verzoenen. (Matth. 5:23, 24).

Want anders heeft zijn gave op het altaar geen enkele waarde. En Paulus spreekt in 1 Cor. 13 in dezelfde trant. Al ware 't, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden (vs. 1). Wij raken hier dus precies de andere kant van het belijden. Zoeven wezen wij erop, dat elke ware belijdenis voor het Aangezicht van God geboren is en zo haar plaats en betekenis krijgt in het horizontale vlak. Nu moeten wij op grond van de Schrift ook op de andere kant wijzen. Wanneer de belijdenis niet gedragen en omringd wordt door een waarachtig christelijke levenswandel, heeft zij geen kracht en geldigheid. Ze ontaardt dan tot een ijdel woord-gebruik, waar geen diepte in zit, ook al geeft het nog zoveel lawaai. Woord en daad, leer en leven, de ware belijdenis en de ware godsvrucht, orthodo­xie en orthopraxie vormen in de Schrift een eenheid. En deze dient er daarom ook te zijn in de praktijk van het belijden der gemeente. Haar belijden zal beleven moeten zijn.

Als wij dit nu plaatsen in 't kader van ons onderwerp: belijden en belijdenis, dan komt het ook nu weer duidelijk naar voren, dat het belijden der kerk niet zonder de belijdenis kan. Want deze belijdenis vormt de klare inhoud van de acte van het belijden der kerk. Het belijden der kerk heeft een harde kern, die gevormd wordt door de leer der kerk, die de gezonde leer der Schriften is. Zonder deze leer der godzaligheid zou het belijden der kerk vervluchtigen tot een vage actualiteit, tot een bezig-zijn zonder meer. Juist de belijdenis der kerk wijst op de juiste verhoudingen tussen het leven voor Gods Aangezicht en het staan in deze wereld. Zij houdt de verticale en de horizontale dimensies van het christelijk geloof in het juiste evenwicht. Zij bewaart de kerk ervoor, dat zij in haar belijden óf zich zou verliezen in een geïsoleerde verticaliteit óf zou verdwalen in een overtrokken horizontaliteit.

Maar aan de andere kant dient te worden gezegd, dat de belijdenis ervoor is om telkens weer a.h.w. vloeibaar gemaakt te worden in een daadwerkelijk belijden, in een belijden metterdaad, waarbij vooral het Oud-testamentische woord 'dabar' van grote betekenis is. Zoals Gods woord meteen ook daad is, geschiedende daad, mag in afgeleide zin het woord van de belijdenis der gemeente daad zijn, gestalte vinden in een daad-werkelijk belijden. Daarom is een gemeente, die prat gaat op haar rechtzinnige belijdenis, maar de praktijk der godzaligheid verwaarloost, een verstarde, dode gemeente, die met en ondanks haar rechte belijdenis de Naam des Heeren oneer aandoet. Zo'n gemeente valt onder het oordeel Gods, dat werd uitgesproken over de gemeente van Laodicea (Openb. 3 : 14 v.v.). Ik meen dat het geen overbodige zaak is, wanneer wij dit diep op ons laten inwerken. Staan ook wij niet aan deze dreiging bloot? Laten wij niet te gauw zeggen, dat dit niet het geval is.

Een gemeente, die leeft, doet zich niet alleen kennen door een rechte belijdenis, maar ook door een recht belijden in handel en wandel. En dat belijden raakt alle zijden van het bestaan. Niet alleen de geestelijke zijde, maar ook de stoffelijke, ook de maatschappelijke en de politieke, de persoonlijke en de collectieve. Wij denken hierbij vooral aan onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, waarin niet alleen de belijdenis aangaande God en Christus wordt gevonden en ook niet alleen de belijdenis aangaande de rechtvaardiging van de goddeloze, maar ook aangaande de heiliging en de roeping van de kerk en de roeping van de overheid. Alle dimensies van het bestaan worden geplaatst onder het licht van Gods openbaring. Dat wil de christelijke gemeente belijden, voor God en voor de mensen, voor overheid en onderdaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Belijden voor God en de mensen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's